Skip to content
← Back to De Scheepsjongens van Bontekoe

De Scheepsjongens van Bontekoe

600k characters · ~150 min read

DE SCHEEPSJONGENS VAN BONTEKOE

JOHAN FABRICIUS TEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER

H. P. LEOPOLD’S UITGEVERS MIJ. ’S-GRAVENHAGE MCMXXIV

Aan mijn vader

AAN DE HOLLANDSCHE JONGENS!

„In ’t Jaer ons Heeren 1618, den 28. December, ben ick, Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel uytghevaren voor schipper, met het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant met 206 eters, groot omtrent 550 lasten, met een Oosten-Wint.....”

Zoo, m’n jongens, zet het „Journael” in van een der eerste, kranige „Schippers naast God”, die met hun wakkere mannen ons gezag in Indië vestigden. Elke kajuitsjongen uit de zeventiende eeuw had, als hij ook maar een beetje lezen kon, het verhaal in zijn scheepskist liggen bij z’n bijbeltje en zijn onderbroeken. En Potgieter dichtte op Bontekoe’s reis een reeks „liedekes”.

Bontekoe heeft geen zilvervloot veroverd en ook geen tocht naar Chatham gemaakt. Hij volbracht zijn simpele opdracht (met een notedop-zeekasteel de Kaap te omzeilen) in rustig vertrouwen op God,—als alle schippers uit onze Gouden Eeuw, die op hun avontuurlijke zwerftochten naar het onbekende land door oud en jong werden nageoogd en benijd om de heldhaftige taak, die ze gingen vervullen. En Willem IJsbrantsz. Bontekoe zou waarschijnlijk evenals zijn kameraden geheel in de vergetelheid zijn geraakt, wanneer hij niet een reis had gemaakt zóó vol tegenslagen, als de geschiedenis onzer zeevaarders er wellicht geen andere telt.

Maar hij was taai. Toen zijn schip op den Indischen Oceaan in brand vloog, verliet hij het niet, voor hij ermee de lucht insprong. En in een hulkje wist hij Batavia te bezeilen.

Het leven van een Màn, jongens, gaat nooit zonder stormen voorbij. Hoe verder het land, dat je bezeilen wilt, hoe moeilijker en gevaarlijker de reis. Verlaat je schip niet, voor het onder je bezwijkt! Dan zal men later zeggen: „Hij voer door vele stormen, maar zijn reis werd een reis van Bontekoe!”

JOHAN FABRICIUS

INHOUD

Deel I Bladz.

Zeewind 1 Een Vechtpartij 5 Schipper Bontekoe 16 Moeder 21 Het groote afscheid 26 Padde doet zijn vriend uitgeleide 41 Op zoek naar den bottelier 55 Reisavonturen 65 Oudejaarsavond 76 Storm 91 Padde leert buikspreken 100 Padde ziet door een mistkijker 115 Rolf 121 Maneschijn 129 Padde heeft beet 131 Windstilte 138 Albatrossen 145 De gevreesde vijand 154 Een nachtelijke roeitocht 163 De horen des overvloeds 174 Vreemde beesten 186 Ruilhandel 200 De Neus schiet een musket af 212 Brand! 227 In de booten 239 Haaien 246 Joppie III 251 Sumatra 257 De dessah in 267 Verlaten 282

Deel II Bladz.

De Zwervers 295 Padde’s broek 301 Een nest met katten 311 „Tabeh!” 318 Padde is zoek 326 Dolimah 331 De strijd om het hol 342 De regen 354 Si-Kampret 364 Saleiman en zijn fluit 372 Harmen vindt een geitje 380 Pa-Samirah, de doekoen 389 De vlucht 401 De bijawak 409 Den dans ontsprongen 415 Harmen en Padde op de vischvangst 420 Dolimah’s heimwee 430 Padde stuit op een menscheneter 434 Boeng van Bapah-Loleh 443 Joppie doet een ontdekking 454 Harmen kaapt een zeiltje 461 In volle zee 468 Java.....! 477 Het eerste weerzien 484 Bij de Bruinvisch aan boord 493 Af- en aanmonsteren 499 Met Gerretje naar Loa Hok Sen 514 De pasar malem 531 De thuiskomst 547

EERSTE DEEL

ZEEWIND

„Satansche jongen, hou die bout vast!”

„’k Hou ’m toch vast, baas?”

„Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!”

Peter Hajo zweeg even. „Wil ik ook niet”, pruttelde hij toen.

„W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!”

„Nee, baas. ’k Wil naar zee.”

Meester Wouter, de hoefsmid uit De IJzeren Man, liet den zwaren voornamer, dien hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang in de lucht zweven. Toen dreunde een mokerslag; de vonken stoven meester en knecht om het gelaat. „Gekkenpraat!” zei de hamer in ijzeren taal.

Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bout-einde.

Hij verstond de taal van den voorhamer! Als hij in het halfdonker van den wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij buiten al gehoord, hoe zijn baas gemutst was.

„Zou je niet ereis trekken?” gromde meester Wouter. „Het vuur is zoowat uit! Op die manier zou ik de hamer platslaan, en de bout zou rond blijven!”

„Hoe kan ik trekken, baas, als ik.....”

„Ben jij ’n joffer, dat je die bout niet met één hand kunt vasthouden?”

Peter Hajo was geen joffer. Hij klemde zijn rechtervuist om den bout, trok met de linker den blaasbalg, liet het niet merken, dat de slagen hem nu tot in de straffe spieren van zijn rug zeer deden. Een breede lach verscheen op zijn met roet overdekten jongenskop, toen hij vroeg: „En als ik m’n neus moet krabben, baas?”

„Leg ’m maar op het aanbeeld, dan zal ik ’m met m’n hamer krabben! Wat moet je op zee! Haringvisschen? Om te verdrinken, zooals je vader, of door de Duinkerkers naar de galeien te worden gebracht?”

„Ik wil met de walvischvaarders mee, baas. Maar.....” Peter Hajo slikte wat weg. „Jongens van veertien willen ze niet hebben! Je moet zestien wezen.—Visch jij maar stekelbaars, zeggen ze!”

Baas Wouter meesmuilde.

Maar zijn gelaat betrok, toen zijn booze vrouw de smidse binnenstoof en snauwde: „Ben je doof? D’r is al driemaal volk geroepen in de winkel, en m’n bieten staan aan te branden!”

De hoefsmid uit De IJzeren Man keek verbluft naar de deur, die alweer met een slag dichtgevallen was, zette toen grommend den voornamer neer. Peter Hajo bleef alleen,—tuurde in de vlammen van den oven.

„Kom maar eens terug, als je zestien bent.....”—Over twee jaar! Alsof hij niet het werk van een zestienjarigen jongen zou kunnen doen! Hij zètte het allen zestienjarigen jongens in Hoorn om dien bout vast te houden zooals hij dat daareven had gedaan! Was er één bij, die hem aandurfde? Had hij Peer den Vos geen pak slaag gegeven als hij in z’n leven niet had gehad,—omdat hij (zonder het te vragen!) in de bijt was gaan visschen, die Peter Hajo in het ijs had gekapt? Peer den Vos, die wel een hoofd grooter was dan hij!

’t Was een gemeene streek om hem als landkikker te laten rondspringen, hem, die, toen hij nauwelijks loopen kon, de touwen, die de binnenzeilende visschers zijn ouderen vrienden toewierpen, al met een echten zeemansknoop om de meerpalen sloeg; hem, die zich op z’n vijfde jaar stiekum in vaders botter had verscholen en mee ter haringvangst was gegaan!

Hoe snakte hij er naar op zee te zwalken zonder een streepje land mijlen in den omtrek; hoe snakte hij er naar de wijde wereld te zien en met echte zeebeenen terug te komen en op te snijden net als die bruingebrande pikbroeken, die met Jan Pieterszoon Coen naar den Oost waren getogen en nu de waarheid spraken of logen, juist als het hun inviel, zonder dat een landrot zeggen kon: „Je zuigt uit je duim!”—De Oost....! daar was voorloopig heelemáál geen kans op. Misschien later, als hij eerst een paar reizen met een walvischvaarder had gemaakt; als het vel van zijn handen was gesprongen door het zout; als de traanlucht in z’n haar en in z’n kleeren hing,—misschien zouden ze hem dan willen meenemen. Jandosie! Peter Hajo zag een beeld opdoemen van bergen, fladderende papegaaien, dansende wilden, van apen, tijgers, krokodillen.....

Weg was het beeld.

Daar stond Peter Hajo, leerling in de hoefsmederij De IJzeren Man. Daar lag de bout, dien hij zoo meteen weer moest vasthouden; daar hing de balg..... Twee jaren nog zou hij tusschen grauwe wanden en smerige ruitjes den blaasbalg moeten trekken en bouten vasthouden. Twee jaren zou hij, in plaats van den zeewind, die hem het bloed deed bonzen, ijzerlucht en den stank van geschroeide paardehoeven moeten opsnuiven. Peter Hajo, „wilde” Hajo: een meeuw in een kooi, een haai in een boerensloot.....

Stil! Wat hoorde hij daar? Buiten, op straat, kwam zingend een troepje jongens voorbij.

„Hou zee! Hou zee! De wind blaast van de ree! De wind blaast in de rokken! Wie wil er thuis nog hokken? Hou zee! Hou zee!”

Peter Hajo wist, dat ze in de haven zouden gaan botkloppen. En hij? Hij.....!!

Toen meester Wouter eenige oogenblikken later de smederij weer binnenkwam, zette hij groote oogen op.

„Satansche jongen!” mompelde hij. Grimmig pakte hij den bout op; de hamer viel met het geweld van een donderslag op het gloeiende ijzer.

Peter Hajo was verdwenen.

EEN VECHTPARTIJ

Buiten heerschte December.

Onze jeugdige held trok de muts over de ooren, stak zijn handen en polsen in den zak, klemde de armen tegen het lijf en draafde zoo’n beetje, om warm te worden. In de zeventiende eeuw was een winter nog een winter!

Spoedig had hij de zingende jongens in het oog. Daar had je „Lange Leen”, die natuurlijk weer de leider van den troep zou zijn. Peter Hajo zou hem, zoodra de gelegenheid zich voordeed, eens ongezouten aframmelen, want Leen keek altijd zoo minachtend op je neer en zou zich op den duur wat te veel gaan verbeelden.

En dan was Padde er ook bij, die goeiige dikzak, die altijd met z’n oogjes knipte en nu natuurlijk weer de netten en den emmer dragen moest.

Padde was Hajo’s schaduw; volgde hem bij al zijn schelmenstreken op den voet. Hij was het, die Hajo’s heldendaden ruchtbaar maakte en hem tegenover iedereen verdedigde, wanneer Hajo er zelf niet was om dat te doen. Honderdmaal was het gebeurd, dat Padde, die niet zoo hard kon loopen als de omstandigheden soms vereischten, in de vingers van een nijdigen boer of nachtwacht was terechtgekomen en Hajo dan den volgenden dag met bitter verwijt op zijn builen, schrammen en blauwe plekken wees.

Maar als Hajo weer appelen ging „rapen” in den tuin van het Sinte Clarensklooster, was Padde bij hem en kroop hijgend en blazend over muurtjes en heggen, tot groot ongenoegen van zijn moeder, die hem daarna met haar groote, harde handen bont en blauw sloeg,—wanneer ze er niet te moe voor was. Want Padde had zeven jongere broertjes en zusjes.....

„Hajo!” riep Padde verheugd, toen hij zijn held zag aankomen. „Ik dacht, dat je in De IJzeren Man stond!”

„’t Werd me er te warm!” zei Hajo. „En Wouter was zoo aan het hameren, dat ik al maar door aan botkloppen moest denken. Waar gaan jullie het doen?”

„In de Karperkuil”, was het antwoord.

„Zou je ’t niet liever eens in moeders waschtobbe probeeren? Weet je, wáár bot zit? Tegen de Italiaansche Zeedijk aan!”

„Juist!” bevestigde Padde.

„Wel”, zei Lange Leen, „gaan jullie dan naar de Italiaansche Zeedijk. Geef die bijl hier, Padde. Wij gaan naar de Karperkuil.”

Peter Hajo bleef rustig. „Van wie is die emmer?” vroeg hij.

„Van mij”, zei Padde. „En dit eene net is ook van mij.”

„Top. Leg de rest neer. Een bijl hebben we niet noodig, want ik heb er nog een bijt.”

Padde ontdeed zich van twee netten, die hem nog over den schouder hingen, en gaf den bijl aan Langen Leen.

„Laat ze maar loopen, jongens!” zei deze.

„Wedden, dat er in de heele Karperkuil geen onnoozel botje zwemt?” vroeg Padde, terwijl hij met Hajo heenging.

„Wacht even!” riepen toen Schouwen Doedes en nog een paar jongens. „Wij gaan ook mee!”

„Als je ’t maar laat”, dreigde Hajo. „Nou heb ik jullie niet meer noodig.”

Hajo en Padde liepen de Korenmarkt over en daarna de Veermanskade langs met haar hooge pakhuizen en deftige patricierswoningen. Juist wilden ze bij den Hoofdtoren rechts afslaan, den Italiaanschen Zeedijk op, toen een Friesche tjalk de haven kwam binnenzeilen. Haastig snelden ze toe om haar te helpen vastleggen. Het scheelde maar een haartje, of Padde werd door het touw in het water getrokken, wat hij nog slechts kon voorkomen door aan boord te springen, waar hij voor de voeten van een gezelschap deftige heeren terechtkwam. Verlegen krabbelde hij overeind.

De heeren lachten en begaven zich aan wal. Hajo groette hen vol ontzag.

„Wie waren dat?” vroeg hij aan schipper Blok, den eigenaar van de tjalk.

„Wel”, zei Blok, „die met die baard, da’s schipper Bontekoe.”

„Natuurlijk. Maar de anderen?”

„Die bennen alle vijf van de Oost-Indische Compagnie. Die magere is uit Enkhuizen, en die dikke met z’n wijde handschoenen komt uit Zeeland. Ik heb ze met de Hoornsche Zon”, Blok wees op z’n tjalk, „naar Texel motten brengen en weer halen ook. Daar leit de Nieuw-Hoorn, weet je?”

„De Nieuw-Hoorn?”

„De schuit van schipper Bontekoe, die naar Oostinje gaat. Je zou ’m es moeten zien! Tweehonderd koppen aan boord!”

Hajo keek peinzend de deftig gekleede heeren na, die juist een oogenblik stilstonden voor Bontekoe’s woonhuis op de Veermanskade. „Zeg, Blok”, vroeg hij, „wijs me nou eens, hoe groot de Nieuw-Hoorn is.”

Blok trok een ernstig gezicht, spoog zoo er eens voor zich heen en mat met zijn oogen den grond af. „Zie je dat paaltje?”

„Dat daar?”

„Krek d’r naast. Zoo lang is-t-ie vast wel van ’t galjoen tot de spiegel.”

„En ligt-ie goed, Blok?”

„Zoo vast as ’n kanonnier!” En de schipper ging met zijn beide zoons de zeilen inrollen.

Padde had er zwijgend bij staan luisteren, pakte nu zijn emmertje weer op, en de beide jongens vervolgden hun weg. „Die sprong in de tjalk viel niet mee!” verzekerde Padde. „’t Was wel drie el!”

Maar Hajo gaf geen antwoord.

Zoo kwamen de jongens op den Italiaanschen Zeedijk. Er lag een breede strook ijs.

Plotseling bleef Hajo stilstaan. Padde schoot gedachteloos nog een eindje door. Toen hield hij stil en keek verbaasd om. De blik in Hajo’s oogen duidde op onweer.

„Kijk eens, Padde”, zei Hajo langzaam en wees voor zich uit. „Wat zie je daar op het ijs?”

„Hemeltje!” zei Padde, „daar is er een aan het botkloppen.”

„Juist!” bevestigde Hajo. „Er is er een in mijn bijt aan het botkloppen. Ken jij hem? Ik niet.”

Padde begon opgewonden te blazen. „In onze bijt! Nee, wie het is, kan ik niet zien. Ik zie niet zoo goed als jij.” En Padde’s oogengeknip onderstreepte deze verklaring.

„Kom mee”, beval Hajo.

Padde stelde voor zichzelf vast, dat het weer een spannende middag kon worden.

Samen stevenden ze op den roekeloozen botklopper af.

Het was een netgekleede jongen, die, een emmertje naast zich, energiek met een bijl op het ijs klopte, ten einde de door de koude verdoofde bot te wekken en naar de bijt te lokken, waarin het verraderlijke net hing. De jongen was zoo in zijn werk verdiept, dat hij niet merkte wat hem boven het hoofd hing.

Padde kon zijn verontwaardiging niet langer verkroppen: toen ze den dijk afgingen, rende hij op den ijverigen klopper toe. Maar vlak bij hem gekomen, had hij het ongeluk uit te glijden; hij plofte achterover op het ijs—dat weinig meegaf!—en richtte zich verbouwereerd overeind.

De jongen keek op. Zijn ernstig gelaat nam een meewarige uitdrukking aan. „Ja, het ijs is hier glad”, zei hij.

„Wat doe jij hier!” voer Padde uit, terwijl hij weer op zijn korte beentjes krabbelde.

„Botkloppen”, antwoordde de jongen. „Heb je je bezeerd?”

„Botkloppen?” schreeuwde Padde. „Ik zal je helpen!”

De jongen keek Padde bevreemd aan. Toen zei hij: „Waar je nu staat is het niet meer noodig! De bot zal daar al wel erg geschrokken zijn.”

Padde hapte naar adem. Daar hij de rechte woorden niet vond om zijn gemoed te luchten, trapte hij het emmertje om, dat bij den vreemden knaap stond. De bot sprong overal op het ijs rond.

Toen tintelde er iets in de oogen van den onbekenden jongen. Hij sprong uit zijn knielende houding overeind met een snelheid, die door Padde half met jaloezie, half met schrik werd waargenomen, stelde zich vierkant voor zijn aanrander en zei kalm en vriendelijk: „Doe die bot weer in de emmer alsjeblieft.”

„Ik zal jou in de emmer doen en in de bijt gooien!” beloofde Padde.

„Dat is goed”, antwoordde de jongen. „Maar zoek eerst de bot bij mekaar. Een—twee.....”

Toen kwam Hajo. „Halt! Laat m’n vrind met rust!”

De jongen mat zijn nieuwen tegenstander van het hoofd tot de voeten, iets wat Hajo nooit goed zetten kon, vooral niet, wanneer hij, die het deed, er zoo keurig uitzag als deze onbekende jongen.

„Goeie middag”, zei de vreemdeling vriendelijk.

„Waar woon je?” klonk het grimmig uit Hajo’s mond.

„Ik kom uit Alkmaar.”

„Zoo, dus je wist niet, dat dit mijn bijt is.”

„Jouw bijt??” vroeg de jongen. En onschuldig liet hij er op volgen: „En als het ijs nou weer smelt...., blijft de bijt dan van jou?”

Dat was te veel. „Kom mee naar de dijk”, zei Hajo kortaf. „Ik wil met je vechten.”

Padde glom van blijde verwachting. „Nou zul je eens wat beleven, mannetje!”

De jongen luisterde er niet naar. „Ik ga met je mee”, zei hij tot Hajo. „Maar eerst moet die dikzak.....” En langzaam kwam hij op Padde af, die druk met z’n oogjes knipte. „Een—twee —dr.....!”

„Zoek ze maar even bij mekaar, Padde”, zei Hajo.

Toen bukte Padde zich. „Ik doe het, omdat ik gauw wil zien hoe jij ’m aframmelt, Hajo!” verklaarde hij.

Peter Hajo en de nette, onbekende jongen begaven zich naar den dijk. En twintig passen achter hen aan volgde hijgend en blazend Padde, met aan een arm zijn eigen emmer en aan den anderen den emmer met bot.

Zoo belandden ze op den verlaten dijk. Padde zette zijn leegen emmer omgekeerd neer en ging zitten.

„Begin maar”, zei Padde.

De twee doodsvijanden hadden zich tegenover elkaar gesteld. Hajo’s oogen fonkelden; zijn lenig lichaam kromde zich voor den sprong. De ander wachtte rechtop, met de rust van een beer, den aanval af.

„Pak hem, Hajo!” riep Padde. „Met één douw leg je ’m.”

Maar Hajo had Padde’s raad niet afgewacht: was toegesprongen.

De onbekende jongen bleek even stevig als kalm te zijn: hij ving Hajo op, en deze had het alleen aan zijn weergalooze vlugheid te danken, dat hij niet werd neergedrukt.

Padde was van opwinding van zijn emmertje gesprongen.

„Je wint het, Hajo! Hij is zoo stijf als een stokvisch!”

Maar „wilde” Hajo, de schrik van het vredige plaatsje Hoorn, had zijn man gevonden! Na een bangen, minutenlangen strijd stonden ze nog juist zoo als ze waren begonnen. Dat wil zeggen: Hajo nu rood als een gekookte kreeft, de onbekende jongen in het minst niet opgewonden.

„Zoo schieten we niet op”, hijgde Hajo. „Laten we even rusten en dan weer beginnen.”

De ander liet onmiddellijk zijn armen zinken. En terwijl Hajo zich amechtig op het emmertje zette, dat Padde hem eerbiedig afstond, liet de vreemde jongen een onderzoekenden blik over zijn kleeren gaan, klopte zich het zand van de broek.

„Verduiveld jammer, dat je hem hebt losgelaten, Hajo”, meende Padde. „Binnen twee tellen had-ie op z’n rug gelegen!”

„Hou je gezicht!” gromde Hajo.

De jongen uit Alkmaar keek welwillend naar zijn tegenstander. „Ben je smid?” vroeg hij.

Hajo veegde onwillekeurig met de mouw over zijn zwart gezicht. „Jij bent zeker pennelikker, hè, dat je je zoo opdirkt.”

„Ik ben scheepsjongen”, was het antwoord.

Dat werkte. Hajo sprong overeind. „Scheepsjongen?!”

„Is het zoo gek, als iemand scheepsjongen is?” vroeg de ander verbaasd.

Hajo maakte een onwillige beweging. „Ik zou het niet willen wezen!” schimpte hij, met iets weeks in zijn stem.

„Waarom niet?”

„Daarom niet!”

„We hebben het hier best”, verklaarde Padde. „Hij wordt smid, en ik kom bij m’n oom in de bierbrouwerij, dan weet je wat je hebt. Speel jij maar voor aap op die smerige schuit van jou.”

Hajo maakte zijn gezicht erg onverschillig. „Je bent zeker bij de walvischvaart, hè?”

„Nee”, was het antwoord. „Ik ga met de Nieuw-Hoorn naar Oostinje.”

„Dacht ik niet, dat je zoo’n peperdief was?” riep Padde.

„Hoe..... hoe oud ben je?” vroeg Hajo.

„Ik ben veertien.”

„Veertien?! Wie..... wie heeft je aangenomen?”

„Schipper Bontekoe zelf.”

„Zoo”, schimpte Hajo. „Dan is je vader zeker zelf naar de schipper gegaan om voor zoontjelief een plaatsje te vragen?”

De vreemde jongen keek even voor zich uit, den zeedijk af. „Ik heb mijn vader nooit gekend”, zei hij toen.

Hajo werd vuurrood, wilde zich zelf wel een klap om de ooren geven.

De jongen uit Alkmaar keek Hajo onderzoekend aan. Toen merkte hij op: „Jij zegt, dat je niet varen wilt. Maar je meent het niet.”

„Welles”, gromde Hajo.

„Maar waarom dan toch niet? Je ziet en hoort toch duizend dingen waar je anders nooit achter zou komen! En moeten we ons daarginds door de Spanjaarden en Portugeezen alles voor de neus laten wegkapen? Later word ik reeder en bouw schepen voor de groote vaart; ik wil.....!”

Hajo sprong met een ruk overeind. Het hoofd afgewend, sloeg hij, zonder een woord te spreken, de richting van den Westerdijk in.....

De toekomstige reeder keek hem stomverbaasd na.

En Padde voer uit: „Hij heeft je toch gezegd, dat hij niet varen wil? Wat doe jij er dan aan een stuk over door te wauwelen? Of denk je, dat ’t zoo lollig is die kletspraat aan te hooren, als je zelf in de smederij moet staan?” Hij pakte zijn emmer op en zei dreigend: „Wee je gebeente, als ik je wéér eens tegenkom!” En grommend en brommend sukkelde Padde achter Hajo aan.

De onbekende jongen keek het tweetal even na. Een glimlach speelde om zijn lippen, toen hij zijn emmer beetpakte en den dijk opging, in de richting van de Veermanskade.....

Hajo en Padde liepen den Westerdijk af, de poort door, daarna weer verder. Hajo voorop, Padde een halve schrede achter hem aan.

Het was dien dag stil weer geweest, maar nu, tegen den avond stak de wind op.

In Hajo’s binnenste stormde het. Padde wilde olie op de golven doen en begon te schelden op den onbekenden jongen. „Hij met z’n reederij! Met die schepen bedoelt hij zeker klompen met een mast er in!”

Hajo antwoordde niet. Zijn grijze oogen tuurden ver voor zich uit, de zee over. Hij hoorde niet, wat Padde zei; hij zag de blanke, krijschend opvliegende meeuwen en ook de grijze kraaien niet, die krassend vluchtten op forschen wiekslag.

Wat Hajo hoorde,—dat was de taal der zee! De zee sprak met Peter Hajo....., de zee, die lokte en bedwelmde, de zee, die zijn ziel verteren deed van onbevredigd verlangen. „Peter .....”, fluisterde de zee hem in het oor, „Peter....., Peter....., kom, Peter....., kom dan toch! Ik ben oneindig, Peter....., niemand kent me, Peter....., als je wist, Peter, wat voor verre, vreemde landen....., als je het geheim van den storm kende....., als je wist wat er schuilt in mijn peillooze diepten.....! Peter.....! Peter.....?!”

Padde hijgde en blies en begon langzamer te loopen.

Hajo merkte het, keerde zwijgend om. Nu ging het tegen den wind in; Hajo trok zich de muts van het hoofd, liet den zouten wind door zijn blonde haren vliegen.

Padde waagde een nieuwe poging. „Laat die vent maar naar zee gaan! Wij hebben ’t hier best, hè, Hajo?” Maar toen hij geen antwoord kreeg, gaf hij het op.

Zoo kwamen de jongens bij het vallen der duisternis weer de poort binnen. Hajo stevende in de richting van den Hoofdtoren.

„Gaan we nog niet naar huis?” vroeg Padde.

„Ga jij maar.”

„Ik blijf bij je.”

Bij den Hoofdtoren sloeg Hajo links om, de Veermanskade op, hield stil voor het woonhuis van schipper Bontekoe, stapte de stoep op, liet den zwaren klopper vallen.

Sprakeloos bleef Padde staan.

De dienstbode deed open, keek wantrouwend naar den wel onverwachten, maar haar lang niet onbekenden gast.

„Is de schipper thuis?” vroeg Hajo. „Ik wil hem spreken.”

„Jij??” vroeg de dienstbode.

Padde vond zijn spraak terug. „Laat hem binnen!” schreeuwde hij. „Als je niet wil, dat ik morgen je emmers wéér omtrap!”

„Stil, Padde!” zei Hajo. En tegen de dienstbode: „Zeg den schipper, dat ik mee naar den Oost wil. Toe, alsjeblieft.....”

De dienstbode bleek een week hart te hebben. Ze was zoojuist van plan geweest de deur voor Hajo’s neus dicht te gooien, maar nu weifelde ze een oogenblik. „Mee naar den Oost?? Jij mee naar den Oost??”

Toen riep van boven uit het huis een jongensstem: „Laat hem binnen, Aagje!”

Hajo voer een rilling door het lichaam. Die stem..... was dat niet.....?!

Hij werd binnengelaten. Maar toen hij zijn klompen buiten had neergezet en op zijn kousen op den dikken vloermat stond van het deftige portaal met z’n koperen luchter, was het tot Hajo’s begrip doorgedrongen, dat zijn laatste kans verkeken was. De jongen, met wien hij had gevochten, woonde hier in huis!

Ook Padde, daarbuiten, had de stem herkend. Hij schold en tierde, dat het een aard had, en wachtte op het oogenblik, dat Hajo de deur zou worden uitgegooid. Toen dat niet gebeurde, ging Padde verbaasd op de stoep zitten en mijmerde wat voor zich heen.

Het was stil op straat en volslagen donker geworden. Het licht van de huizen aan de overzijde der kade spiegelde zich zacht glanzend in het ijs; Padde kon aan den ganschen hemel geen enkel sterretje ontdekken. In de verte jankte ergens een hond; een schaatser kwam, kritsch-kratsch, de gracht af en..... Hé, was dat daarbinnen de stem van schipper Bontekoe niet?

Weg was de stem weer. „Arme Hajo”, dacht Padde. „Arme vriend Hajo!” Maar die jongen uit Alkmaar kreeg van Padde op z’n ziel, papperlepap, dat stond vast!—Wat woei hier een tocht! Weer huilde de hond, nu veel dichterbij. Het lang aangehouden gejammer scheen eindeloos in den stillen, donkeren winteravond. Padde huiverde.

Hoe laat zou het eigenlijk al zijn? Hij kon op z’n vingers natellen, dat hij laat genoeg zou thuiskomen om een pak slaag van zijn moeder op te loopen. „Ik heb het verdiend”, bekende hij zichzelf met een zucht. „Ze slaat hard, maar ze heeft groot gelijk, dat ze me slaat. Laten andere jongens hun moeder ook met eten wachten? Zou Harmen Lijsjens het doen? Of Thijs Veermanszoon, of Klaas van de Lage Dijk? Neen, nietwaar? En Hein van het Hazenpad? Zou Hein van het Hazenpad ooit wel eens een broek hebben gescheurd, behalve dan die keer, dat hij van Hajo een pak rammel heeft gekregen? Ik durf wedden, dat zijn moeder niets dan plezier van hem beleeft.—Zou ik naar huis gaan?”

Padde richtte zich vastbesloten op. Maar mismoedig plofte hij weer neer. „’t Gaat niet”, zuchtte hij. „Zie je, zoo ben ik nou. Ik kan zoo moeilijk naar huis, als ik een vrind heb. Dat is bij vader net zoo, en daarom loopt hij van de eene kroeg naar de andere, en moeder zal wel denken: Padde? Padde gaat dezelfde kant op.”

Een magere keeshond kwam de kade afdrentelen. Padde riep hem bij zich en streelde hem den kop. „Ben jij die muzikant van daareven? Je hebt heel mooi gezongen, hoor! Als ik wat voor je had, zou ik je ’t geven.”

De hond likte zijn hand en besnuffelde zijn broekzak.

„Drommels”, zeide Padde. „Dat is waar ook; jij hebt toch een echte hondenneus, beestje!” En hij diepte uit zijn zak een stuk brood op. „Kun je mooi zitten?”

Zenuwachtig blaffend sprong het dier om Padde’s hooggeheven hand.

„Luister dan tenminste even, Keesje! Kijk, voor dit stuk brood heeft m’n moeder moeten werken, weet je? Dat kan jou niet schelen, hè? Jij denkt: brood is brood en..... hap!—Laat me uitspreken, Keesje. Als ik groot ben, zie je, als ik in de bierbrouwerij ben van m’n oom,—nog even geduld!—dan wil ik—stil!—dan wil ik hard werken, om m’n moeder zooveel brood te kunnen geven..... als ze maar hebben wil! Ziezoo, daar is je brood!” En Padde zag toe hoe de keeshond het brood in een ommezien verwerkte. „Je hebt het eten nog niet verleerd”, zei hij, „al lijkt het me, dat je het niet vaak doet.”

Padde richtte het hoofd op, toen hij in de richting van de herberg: De Drij Coninghen het lallend gezang van een paar dronken mannen vernam. Een traan welde in zijn oogen op. „Dag, Hajo”, zei hij zachtjens, „Dag, beste vriend, Hajo!” En tegen den hond, die zich bibberend tegen zijn dijen had gevleid: „Ik moet weg, Keesje. Vader komt thuis. Maar als hij m’n moeder of m’n zusjes en broertjes wil slaan, krijgt hij met mij te doen. Dat..... dat verzeker ik je.”

Padde stond op, liet zich door den keeshond een pootje geven en spoedde zich langs de donkere straten naar huis.....

SCHIPPER BONTEKOE

Van terugkeeren was geen sprake meer: Hajo zat in de val. De dienstbode leidde hem door een breede, donkere gang in een deftige kamer. Daar moest hij maar wachten. En Hajo wachtte in het zweet zijns aanschijns. Hij keek vol ontzag naar de zware, gladgewreven eikenhouten meubelen; naar het glimmend gepoetste koper bij de indrukwekkende schouw; naar de in gouden lijsten gevatte teekeningen van schepen, waarbij er ook waren als een visch in mootjes gesneden, zoodat je er binnen in kon kijken; naar de zwaar fluweelen overgordijnen, en naar het fraaie tapijt dat brandde onder zijn sokken. „Wat moet jij hier, indringer!” riep alles hem toe. „Raak ons niet aan: je zou ons smerig maken. En wat ruik je naar paardehoeven!” De groote spiegel aan den wand lispelde hem in het oor: „Had jij je haren niet er eens kunnen kammen? Wat zie je er vies en zwart uit!”

Hajo begon zich met de mouw van zijn jas aan een reinigingsproef te onderwerpen—zonder gunstigen uitslag. De mouw was ook zwart.

Zou hij stilletjes wegloopen? De gang door en dan vlug de deur uit? Maar hij verwierp het plan even snel als het was opgekomen: men zou denken, dat hij iets had gestolen, en hem naloopen en roepen: „Houdt den dief!” Het bloed steeg Hajo naar de wangen.

Hajo zat in de val. Hopeloos. Zoometeen zou de schipper binnenkomen—Hajo zag zijn statige figuur al!—en zeggen: „Jij, smerig manneke, jij wou mij spreken?? Jij, kwajongen, wou den gezagvoerder van de Nieuw-Hoorn spreken?! Pak je weg, galgebrok! Ik heb zoo juist het een en ander over je gehoord! ’t Is fraai, hoor!”

En wat zou hij moeten antwoorden? „Schipper, hij vischte in mijn bijt?” De deur uit jagen liet hij zich niet! Hij zou op z’n dooie gemak de gang doorloopen en buiten z’n klompen aantrekken of er niets was gebeurd.

Zou de schipper nog lang wegblijven? Hajo haalde diep adem. Hoe kwam het, dat hij zoo benauwd was? Z’n heele lichaam kriebelde,—natuurlijk omdat hij nog warm was van dat onzinnige sjouwen! Wat zou hij zeggen als de schipper binnenkwam? „Goeien avond, schipper?” Zoo, zonder erg? Hajo kromp even ineen, toen hij weer een blik in den spiegel wierp. ’t Was erbarmelijk zooals hij er uitzag. Van den anderen kant scheen de monsterachtig groote linnenkast voorover te willen vallen om hem te verpletteren.

Arme Peter Hajo! Hij had wel kunnen grienen. Hij en grienen!

Toen naderde buiten in de gang een zware tred. De deur opende zich: schipper Willem IJsbrantsz Bontekoe, gezagvoerder van den Oostinje-vaarder Nieuw-Hoorn, kwam het vertrek binnen.....

„Goeien avond, jongeman!” zei de schipper vriendelijk. „Ik hoor, dat je me wat te vragen hebt?”

Die vriendelijkheid was erger dan een pak slaag. Alles duizelde om Peter Hajo. Wat was dat nu? De schipper zette hem niet de deur uit? Stond hem zelfs welwillend te woord? Of school er een adder in het gras? Onmogelijk! In de klare oogen van den zeeman vond hij niets, dat op dubbelzinnigheid duidde.

„Schipper”, stamelde hij, „schipper..... ik zou..... ik wil..... ik.....”

Een glimlach verscheen op het gebruinde gelaat van den grooten man. „Ik had uit een verhaal van mijn neef opgemaakt, dat je vrij welbespraakt was”, zei hij.

Daar had je het! Dus toch! Hajo’s kin beefde. Maar hij zei geen woord.

De schipper kreeg medelijden. „Wel”, zei hij, „dan zal ik het woord maar doen. ’t Is goed. Je gaat mee.”

„Mee.....?” stotterde Hajo, die het laatste stukje grond onder de voeten verloor.

„Mee naar den Oost”, zei de schipper. „Met de Nieuw-Hoorn.”

Hajo begon te trillen als een riet. „Nieuw-Hoorn.....” stamelde hij. „Oost.....?!”

„Precies”, zei de schipper glimlachend. „Je schijnt me vlug van begrip. En ik hoor van mijn neef, dat je een paar stevige knuisten hebt en je de kaas niet van je brood laat eten. Dat zijn eigenschappen, die ik bij m’n volk noodig heb.”

„Schipper!!” En Hajo maakte een beweging om Bontekoe’s handen te grijpen.

Deze werd even verrast door zijn uitbarsting. „Wil je zóó graag mee?”

Toen gebeurde iets wat Hajo in geen jaren overkomen was: Hajo griende.

„Zoo-zoo”, zei schipper Bontekoe. „Je heet Hajo, hè?”

„Jawel, schipper. Peter Hajo.”

„Zoon van Harmen Hajo?”

„Jawel, schipper. Maar vader is.....”

„Ik weet het”, zei schipper Bontekoe. „Diezelfde nacht zijn er nog drie andere botters vergaan.” Hij zweeg een oogenblik en zei toen langzaam, zonder Hajo aan te zien: „Jouw vader, Peter Hajo, was een wakker man. Ik verwacht van zijn zoon hetzelfde.” Toen vroeg hij plots: „Je moeder vindt het toch wel goed, dat.....”

„O, die vindt het best, schipper!”

„Wat vindt die best? Dat je haar verlaat? Dat je weggaat?”

„Ja zeker, schipper!”

Bontekoe kon een glimlach niet onderdrukken.

Maar zijn gelaat stond weer ernstig, toen hij vroeg: „Wat was je aan den wal, Peter Hajo?”

„Smidsknecht, schipper.”

„Tevoren nog wel eens wat anders gedaan?”

„Jawel, schipper. Drogistenjongen in De Gouden Gaper.”

„Beviel je dat niet?”

„Nee, schipper.” En Hajo kneep het er angstig uit: „’k Ben er weggestuurd, schipper.....”

„Zóó?? Hoe kwam dat zoo?”

Hajo beet zich op de lippen. Hij kon den schipper toch niet zeggen, dat hij zoethout had gesnoept en de kat van den ouden drogist pillen had ingegeven om haar het muizenvangen te leeren?

De schipper wilde hem helpen. „Ben je nog wel eens in een ander vak geweest?”

„Jawel, schipper!” zei Hajo, blij, dat hij uit den brand was. „Loodgieter.”

Bontekoe zette groote oogen op. „En..... eh..... dáárvoor?”

„Metselaar, schipper.”

„En tevoren??”

Hajo moest even nadenken. „Ik geloof.....”

„Breek je hoofd maar niet, Peter Hajo. Ik zie wel, dat je al heel wat hebt meegemaakt. Overal weggestuurd?”

Hajo knikte. Met oogen, waarin de angst te lezen stond, volgde hij den schipper, die in gedachten verzonken het vertrek op en neer stapte. „Schipper”, kreunde Hajo, „ik zal..... ik wil..... ik beloof.....”

Met een ruk keerde Bontekoe zich om en keek Hajo recht in het gelaat. Hajo voelde, dat die oogen dwars door z’n baadje heenzagen. En juist daarom doorstond hij den blik.

„Luister, Peter Hajo”, zei de schipper. „Als je moeder geen bezwaren heeft, meld je dan morgen bij schipper Blok in de Jeroensteeg en zeg hem, dat je overmorgen met de Hoornsche Zon meegaat naar Texel, waar de Nieuw-Hoorn op goeden wind wacht.”

„Jawel, schipper.....!!” Het klonk als een juichkreet. En met zijn roetknuisten veegde Hajo zich haastig over het gelaat, dat straalde van onmetelijk geluk..... en blonk van tranenvocht.

„Doe dat niet”, raadde Bontekoe. „Je zult er heelemaal als een Moriaan gaan uitzien.”

Hajo trok snel, als op heeterdaad betrapt, de vuisten weg. „Schipper, ik zal altijd.....”

„Daar twijfel ik niet aan, Peter Hajo. Kwajongens zijn goed voor de wal; op een Oostinjevaarder hebben we mannen noodig. Als je moeder geen bezwaren maakt, sta je van morgen af op mijn scheepslijst. Denk er om, dat van de bemanning van de Nieuw-Hoorn geen kwaad woord gezegd mag kunnen worden, en dat in de groote mast een vlag wappert, die we tegenover de heele wereld moeten hooghouden. Verstaan?”

„Verstaan, schipper”... Verdikkoppe, dat kwam er kranig uit!

En toen een groot oogenblik: schipper Bontekoe, gezagvoerder van de Nieuw-Hoorn, stak den scheepsjongen Peter Hajo de hand toe. Hajo voelde het door al zijn leden trillen. De hand van zijn schipper!

Bij de voordeur, in de gang, wachtte hem de jongen, die vanmiddag in zijn bijt had gevischt. „Ik heet Rolf”, zei deze. „We moeten maar goeie vrinden worden, want aan boord is mijn oom niet mijn oom, maar de schipper, en ik scheepsjongen; dat snap je!”

„Ben je dan niet nijdig op me?” stamelde Hajo.

„Nijdig??” vroeg Rolf. En zijn gelaat stond ernstig als altijd, toen hij er op liet volgen: „Dacht je dan, dat ik er jou in had laten visschen, als ’t mijn bijt was geweest?”

MOEDER

In het kleine, armoedige huisje in de Bagijnesteeg wachtte Peter’s moeder.

Drie jaar geleden, in de nog in aller geheugen levende najaarsstormen van het jaar 1615, was de botter van haar man vergaan, en Peter’s vader en oom waren verdronken. Vrouw Hajo bleef met vier kinderen achter: Peter, twee meisjes, Antje en Maartje, nu twaalf en tien jaar oud, en Doris, die destijds nauwlijks loopen kon. Het was voor de zwaargetroffen weduwe een heele taak om, naast haar dagelijksch werk in huis, met naaien genoeg te verdienen om zich en haar kinderen te kunnen voeden en kleeden. Maar ze sloeg er zich door.

Een groote zorg was het voor haar daarenboven, dat haar oudste jongen voor galg en rad dreigde op te groeien. Peter haalde van den vroegen morgen tot den laten avond kattekwaad uit; dagelijks kwamen klachten binnen, dat hij de heele buurt onveilig maakte. Haar man was de goedheid zelf geweest en kwam er niet gauw toe zijn kinderen te slaan, maar Peter had er hem verscheidene malen toe gebracht.

Op zijn twaalfde jaar had Peter den wensch te kennen gegeven om te gaan varen. Van dien dag af had zijn moeder in ’t geheel geen rustig oogenblik meer. Ze trachtte op alle manieren hem in iets anders plezier te doen krijgen. Hij kwam eerst bij een schoenmaker in de leer, waar hij het drie volle weken uithield. Toen werd hij weggestuurd. Een leerlooier ontfermde zich over hem, maar werd er slecht voor beloond: den tweeden dag poetste Peter de plaat, omdat hij den stank van de looierij niet prettig vond. De leerlooier wilde evenmin Peter terugzien als Peter den leerlooier, en onze vriend belandde bij een slager. De eerste dagen, toen hij alleen maar vleesch behoefde rond te brengen, was alles botertje tot den boom: Peter zwierf met zijn vleeschmand aan den arm urenlang de haven rond. Toen kwam de dag, dat hij voor de eerste maal zou helpen bij het slachten van een koe. Onze Peter hield zich goed, maar toen het bloedige werk was afgeloopen, sloop hij met een kwaad geweten door sloppen en stegen naar huis. ’s Nachts deed hij geen oog dicht en den volgenden morgen weigerde hij kort en goed, weer naar de slagerij te gaan.

De bokkingrookerij volgde. Peter verklaarde, als hij daar bleef, zelf tot een bokking te zullen worden gerookt en liep weg.

Ook voor timmerman bleek hij niet in de wieg te zijn gelegd, evenmin voor metselaar, loodgieter of drogist. Eindelijk kwam hij in de smederij van meester Wouter. Daar was hij nu al een half jaar!

Zijn moeder, die zich al met de gedachte verzoend had, dat haar Peter naar zee zou gaan—op het land wilde hij immers niet deugen?—voelde haar hoop weer opleven. Zou het nu eindelijk goed gaan? Haar zorgen bleven talrijk genoeg: Peter scheurde op onverklaarbare wijze zijn kleeren tot zelfs zijn muts toe, brak elk oogenblik wat en bezorgde haar doorloopend onrust, maar dat alles vergaf ze hem graag, wanneer hij nu maar eindelijk eenig blijk gaf, een bruikbaar mensch te willen worden.

Was Peter Hajo ineens veranderd? Allerminst. De zaak lag eenvoudig zoo, dat de smederij hem van alle bedrijven op het land het minst afstootte en hij besloten had het zoo lang te harden, tot zich een gelegenheid zou voordoen het ruime sop te kiezen.

Nu en dan had Peter Hajo zelfs wel schik aan het smidsbedrijf! Hij kon bij het balgtrekken de heele wereld vergeten, wanneer hij in de rossig-blauwe, onrustig lekkende vlammen tuurde, die tegen de piepende, krakende, knetterend barstende houtblokken een grimmigen veldtocht voerden. Steeds sneller trok Hajo den balg aan; steeds wilder dansten de lange vuurduivels. Ze grepen het weerlooze hout van alle kanten aan, omslopen het, wrongen zich listig met hun lenige lichamen tusschen de spleten door en staken honend de tongen uit, wanneer hun list gelukt was. Bezijden het tochtgat, waarboven de groote helroode vlammen oplaaiden, speelden kleine, blauwe duiveltjes krijgertje op zwarte, verkoolde lijken. Hajo was als in boeien geslagen. Dat leger roodrokken behoorde hem toe; hij kon ze tot dolle driestheid aanvuren; op zijn bevel bestegen ze hun rossen en vielen loeiend aan, klauterden over de muren van hout en grepen den ijzeren bout bij de keel, die star, onwrikbaar hun dollen aanval wachtte. Maar zie, daar begon de bout al te gloeien, meester Wouter legde hem op het aanbeeld, hief den hamer op; met een donderslag kwam het stalen blok neer; de vonken spatten uit den bout. Sa! Hou vast! Boem! Hoor het dreunen! Zoo werd de bout overwonnen.

En dan van den zomer! Toen de boeren met hun jonge paarden waren gekomen, die voor het eerst beslagen zouden worden! Sapperloot, daar moesten de beestjes niets van hebben. En wat een wonder! Peter Hajo zou zich ook niet laten welgevallen, dat men hem van die gloeiende ijzers aanspijkerde. Ze beten en sloegen—je moest op je tellen passen!

Als de boer, wien het paard behoorde, naar de markt was en baas Wouter even den rug had gekeerd, maakte Hajo van de gelegenheid gebruik om, floep! met een fikschen sprong op den paardenrug te wippen. Dan kwam het op vasthouden aan! Hajo greep met z’n vuisten in de manen, trok de beenen naar achter om niet gebeten te worden, en dan .. dan schaterde hij het uit. „Zie, dat je me er afkrijgt!” Ha-ha-ha! Hij lag maar zóó niet op den grond! Sapperdekriek: als hij zat, zat hij ook!

Maar Peter Hajo’s moeder lachte niet dien avond, dat ze op haar oudsten zoon wachtte. Een uur geleden was de hoefsmidsvrouw uit De IJzeren Man bij haar geweest en had met haar schelle stem gezegd: „Al is m’n man dan een sul, ik ben het niet! Ik zal er voor zorgen, dat die strop van een jongen niet weer over m’n drempel komt! Nu is het met m’n goedheid afgeloopen!”

Peter’s moeder had niets geantwoord.....

Zwijgend was er gegeten; moeders gedruktheid werkte terug op de kinderen.

Toen Antje, Maartje en Doris naar bed waren, was moeder met haar naaiwerk bij den haard gaan zitten. Ze zei tegen zichzelf, dat ze heel boos was op haar Peter, omdat hij van zijn werk was weggeloopen en zich zoo weinig aan zijn moeder stoorde, dat hij met eten niet thuis kwam en haar liet wachten, avond aan avond, terwijl hij kattekwaad uithaalde. Ze zou hem vragen, of zij het aan hem verdiend had, dat hij haar leven zoo vergalde, en of hij ook wist hoe vader op dit oogenblik wel over hem zou denken.

Zou het wat helpen? Peter was licht ontroerd; ze wist, dat hij ondanks alles zielsveel van zijn moeder hield en geheel te goeder trouw beterschap zou beloven. Maar zou hij zijn belofte kunnen houden? Zou hij—aangenomen, dat baas Wouter hem toch nog weer bij zich nam—over een week niet opnieuw wegloopen?

„De zee zit hem in het hoofd”, zuchtte ze. De zee—dat zou tenslotte toch nog het eenige zijn. Daar kon hij niet wegloopen als het hem in den zin kwam; daar heerschte onverbiddelijk strenge tucht; daar zou zijn teugellooze zin tot avonturen bevrediging vinden. Maar dat had nog den tijd. Welke schipper zou een veertienjarigen jongen aannemen?

En dan.....! Peter’s moeder beet zich op de lippen, naaide met bevende handen verder.

Buiten sloeg de torenklok. Zeven uur al! Waar zou hij toch zoo lang blijven? Haar „boosheid” maakte plaats voor onrust. Groote God, hij zou toch niet onder het ijs liggen?!—Dwaasheid! Was het niet honderdmaal gebeurd, dat hij haar had laten wachten?—Maar de gedachte liet haar niet los en folterde haar. Tenslotte werd ze zoo onrustig en opgewonden, dat ze haar werk terzijde moest leggen.

Ze wachtte en wachtte.....

Zou ze eens in de steeg gaan zien of hij er aankwam? Ze stond op. Wel, als ze nu toch ging kijken, kon ze meteen wel even een doek omslaan en naar de haven doorloopen. Haar besluit was genomen. Maar toen ze opstond, meende ze ineens..... Snel keerde ze op haar schreden terug, ging weer zitten, nam haar naaiwerk op en deed alsof ze heelemaal niet had willen uitkijken. Ziezoo, nu zou ze nog ééns probeeren..... Met kloppend hart zat ze in haar stoel, gebogen over haar werk.

Toen werd de deur opengerukt; haar jongen stortte naar binnen, wierp zich in haar armen en snikte: „Moeder! Moeder! Ik ga naar zee!!”

Dat werkte! Peters moeder werd er heelemaal bleek van. Ze klemde haar armen om zijn hoofd en overdekte het met kussen. „M’n jongen! Mijn jongen! Hoe is..... is dat zoo op eens.....”

„Schipper Bontekoe..... Nieuw-Hoorn..... Texel..... Oostinje.....” bracht Peter er uit. „Ik zal alles vertellen!”

„Goed, m’n jongen”, zei moeder. En terwijl ze met groote oogen staarde naar de buitendeur, die nog wijd openstond, herhaalde ze toonloos: „Dat is goed.....—Doe nu de deur dicht, Peter.”

En ze liet Peter’s hoofd los en wankelde naar de kast, waar zijn koud geworden eten te wachten stond.

HET GROOTE AFSCHEID

Reeds vroeg in den volgenden morgen klopte Padde tegen de ruitjes van het kleine huisje in de Bagijnesteeg. Hajo deed hem open en bazuinde zijn vriend het groote nieuws tegemoet.

Padde sloeg er haast van achterover. „Heere m’n tijd, hoe moet het nou met mij?”

„Vraag of je ook mee mag”, stelde Hajo weifelend voor.

„Ik mee??” riep Padde. „Denk je dan, dat ik mee wil?! Ik ga toch in de bierbrouwerij van m’n oom? Dan weet je wat je hebt!”

Hajo vertelde alles, wat zich had afgespeeld, sinds hij Padde had verlaten. „En morgen ga ik met de Hoornsche Zon naar Texel, Padde!”

„Onmogelijk!” riep Padde ontzet uit. „Ze zullen een dagje moeten wachten!”

„Waarom is het onmogelijk?” vroeg Hajo.

„Waarom??” Padde spalkte zijn oogjes open. „Je moeder moet toch een uitzet naaien, en je moet hier ook nog van de heele stad afscheid nemen!”

„M’n moeder is vannacht aan m’n uitzet begonnen”, zei Hajo. „En dat afscheidnemen in de stad is binnen een uur bekeken.”

„Dat zal je niet meevallen!” verzekerde Padde. „Vooruit, trek je klompen aan: we beginnen dadelijk!” En hij ging op zijn vingers natellen, van wie Hajo zoo al afscheid zou moeten nemen.

„Ik moet ook even naar schipper Blok, om te zeggen.....”

„Groote Genade!” stamelde Padde. „Ik heb al zeven-en-dertig menschen, waar je heen moet! Ben je klaar?”

„Ik kom!” Hajo ging naar de achterkamer, waar moeder druk met naaiwerk bezig was. Hij kuste haar innig en ging met Padde mee.

„Luister goed”, zei Padde. „Ik heb altijd gedaan wat jij wou, en daar heb ik geen spijt van. Maar vandaag ben ik de baas. Jij bent veel te veel van streek om zelf alles te regelen. Ik ben kalm, dat zie je wel, dat ik kalm ben, en daarom zal ik het doen. Ik zou voor geen schelling willen, dat je er met afscheid nemen eentje oversloeg, en ik later de praatjes moest hooren.”

Hajo liet zich, voor het eerst in zijn leven, door Padde leiden. Zijn oogen straalden het overgroote geluk uit, dat zoo onverwacht op hem was neergedaald.

„Naar baas Wouter!” beval Padde. En hij sloeg de richting van de smederij in.

„’t Is niet goed met de baas”, stelde Hajo vast, toen hij den korzeligen hamerslag vernam, waarin niets van het blijde rythme lag, dat het hebben kon, wanneer de baas in een goeie bui was.

„Hij zal van z’n lieve Leentje wel weer eens op z’n tabernakel hebben gekregen”, meende Padde. Hij opende de deur der smederij, stapte naar binnen. „Morgen, Wouter! We komen afscheid nemen!”

Meester Wouter liet den hamer zinken. „Satansche jongen!” was al wat hij zei.

„Wees niet boos op me, baas, dat ik gisteren.....”

„Hij gaat naar den Oost”, zei Padde. „’t Is de vraag of hij ooit zal terugkomen.”

„Naar den Oost?” vroeg Wouter, plots met een trilling in zijn stem. „Jij, Hajo?”

„Ja, baas.”

„Met de Nieuw-Hoorn!” zei Padde. „Heb je geen oude kist, Wouter? Om als scheepskist te gebruiken, zie je? Daarvoor zijn we gekomen.”

Wouter had Hajo zijn zwarten smidsknuist toegestoken. „Ik ben niet boos, hoor! Waarachtig niet! Wil je wel gelooven..... hm! En een kist heb ik ook wel voor je. Waarachtig wel! Ik zal er banden omslaan, dan kan-ie tegen een stootje.”

„Zou je over de hoeken ook geen plaatjes leggen?” stelde Padde voor.

„Komt in orde”, zei baas Wouter.

Hajo wilde hem bedanken. „Baas, ik......”

„Sssst!” gromde Wouter. „Schreeuw niet zoo! Als m’n vrouw het hoorde..... nou, dan waaide er wat voor je!—Zeg... eh, als jullie de kist straks komt halen, loop dan achterom en niet langs de voordeur. ’t Is maar, zie je.....”

Padde knipte met z’n oogjes. „Gesnapt, Wouter. Als ze ons met die kist zag loopen..... nou, dan waaide er wat voor je hè?”

„’t Is alleen om de stoep”, gromde Wouter. „Die wordt zoo smerig van al dat geloop.”

De knapen gingen heen. En de voor zijn stoep zoo bezorgde smid oogde het tweetal na. Toen dwaalde zijn blik even door de leege werkplaats en hechtte zich op de verlaten plaats onder den blaasbalg. „Satansche jongen!” mompelde hij. Hij snoof even, veegde zich over de wangen, hief grimmig den hamer op en liet de smidse dreunen.

„Naar schipper Blok”, beval Padde.

Ze liepen langs het raadhuis, den Rooden Steen over, lieten de Waag links liggen en gingen het Groote Oost af. Het was nog niet heelemaal licht; de straten waren leeg, op een enkele melk- of turfkar na.

Zoo kwamen ze in de Jeroensteeg bij schipper Blok’s bescheiden woning aan. Padde liet met een gewichtig gebaar den klopper vallen.

Er werd niet opengedaan.

„Daar kon hij nog wel eens spijt van hebben!” meende Padde. „Een van de manschappen van de Nieuw-Hoorn in de kou te laten wachten!” Hij wilde met den klopper juist een roffel slaan, toen er een knip werd weggeschoven, de deur half geopend, en door den kier een hand met een melkkan verscheen. „Vier maatjes, Kobus”, klonk een vrouwenstem.

„Knap maar!” gromde Padde en trok Hajo weer mee. „Kom, dan gaan we nu maar eerst naar Truitje Cannegieter. Daar zijn ze al lang op, want haar vader moet om zes uur op het werk zijn. Meisjes zijn geweldig op afscheidnemen gesteld!”

Truitje Cannegieter woonde in de Leliestraat. De jongens moesten dus weer dwars de stad door, langs het Gouw en dan de Turfhaven over.

Truitje, een lichtblond, blozend meiske met een kort, rood lijfje en een blauw baaien rok, was al ijverig bezig het straatje voor de huisdeur te schrobben. „Zoo!” riep ze vroolijk, toen ze het onafscheidelijk tweetal zag naderen. „Waar gaan jullie naar toe?”

„Naar Oostinje”, zei Padde. „Nou ja: ik natuurlijk niet. Ik kom in de bierbrouwerij van m’n oom, dan weet je wat je hebt. Maar Hajo gaat met de Nieuw-Hoorn mee. Tegen de wilden vechten.”

„Oh!” riep Truitje. „Is het heusch? En breng je een aapje voor me mee?”

„Je krijgt een papegaai”, beloofde Padde.

„Als ik er een machtig kan worden.....” weifelde Hajo.

„Je hebt ze maar te grijpen”, verzekerde Padde. „Maar achter de kop, want ze bijten! Een andere vraag is, of jij wel levend terug zult komen, Hajo.....”

„Ja, wees maar voorzichtig!” ried Truitje moederlijk aan.

„Je kunt zoo voorzichtig zijn als je wilt, Truitje”, zei Padde, „maar voor je er op verdacht bent, heb je een giftige pijl in je lever.”

„Wat griezelig!” stamelde Truitje, verbleekend.

„Griezelig is het goeie woord”, verzekerde Padde. „Die wilden daar springen van de eene boom op de andere, net eekhoorns. Het eenige wat je er tegen doen kunt is ze er uit te schudden. En dan al die slangen, tijgers, olifanten en krokodillen! In de boomen hangen noten als kanonskogels, die geregeld op je kop vallen, als je er onder gaat slapen!”

„Hoe weet je dat allemaal?” vroeg Truitje ontzet.

„Dat heeft dronken Roeltje me zelf verteld. Moet je hem eens over de menscheneters hooren! Ze staan met zùlke messen klaar om je levend te villen. Jongens van veertien zijn het lekkerst, zeggen ze.”

„Onzin!” zei Hajo. „Je duwt ze maar een paar kralen of gepoetste duiten in de hand, en ze denken er niet meer aan je een haartje kwaad te doen! Gewoonlijk willen ze je dan met de dochter van zoo’n menscheneteropperhoofd laten trouwen.”

„Dat zou je toch zeker nóóit doen?” vroeg Truitje.

„Nooit!” zei Padde. „Hij laat zich liever levend verslinden. Ga eens kijken, Truitje, of je bij geval wat kralen voor ons hebt. ’t Gaat om z’n leven, dat begrijp je.”

„Kralen??”

„Nou ja, alle ouwe rommel is goed. Lapjes, rinkelbellen, wat je maar missen kunt. Zoek maar goed; wij zullen wel wachten. Want daarvoor zijn we gekomen.”

Toen Truitje naar binnen was gegaan, wendde Padde zich tot Hajo: „Zie je nou, dat je voor het afscheidnemen wel een dag of wat noodig zult hebben?”

„Op die manier wel”, lachte Hajo.

„Het is de eenige goeie manier”, stelde Padde vast.

„Ik wou, dat ik maar vast op de Nieuw-Hoorn zat, Padde!” En Hajo kneep zijn vriend in den arm, zuchtte van blijde spanning.

Padde zweeg en keek voor zich uit.....

Een ander meisje kwam uit de voordeur, Truitje’s twintigjarige zuster Sijtje, even frisch, blozend en stevig als haar jongere zusje. Ze hield iets onder haar schort verborgen. Na een snellen blik achteruit in het voorhuis te hebben geworpen, wenkte ze Hajo. „Kom eens even hier, Peter?”

„Ja”, zei Padde en deed een schrede voorwaarts.

„Nee, ik moet Peter hebben.”

Padde bleef grommend staan. En Hajo werd naar binnen geloodst. Achter de deur hield het meisje hem staande en fluisterde: „Je gaat met de Nieuw-Hoorn mee, hè?”

Hajo knikte.

„Nou, daar is ook een Fries aan boord! Hij heet Hilke. Hilke Jopkins! Die moet je dit maar geven, wil je?” En Sijtje haalde van onder haar helder boezelaartje een paar enorme, paars-wollen handschoenen te voorschijn.

„Sokken?” informeerde Hajo.

„Handschoenen!” zei het meisje, ietwat beleedigd.

„Ze zijn zoo reusachtig groot.....”

„Vind je? Ja,..... och, hij is heelemaal nogal groot! En met handschoenen, dat weet je ook wel, is het beter te groot dan te klein. En vind jij het dan soms mooi, als een man van die kleine handjes heeft, net als een meisje? Ik vind het gewoon afschuwelijk. En jij?”

„Ik ook”, verzekerde Hajo.

„Nou”, vervolgde Sijtje, tevreden. „Zeg hem dan maar, dat ze nog niet klaar waren, toen hij hier was, anders had ik ze hem dadelijk meegegeven. En..... eh, als je kunt, zorg er dan voor, dat hij wat voorzichtig is, wil je? Hilke is altijd zoo vreeselijk onvoorzichtig.”

„Ik zal er voor zorgen”, beloofde Hajo.

Sijtje keek hem liefkoozend aan. „Hier!” fluisterde ze, terwijl ze uit een zak onder haar rokken een zeer, zeer rijk gekleurde das opdiepte, „die is voor jou, beste jongen. Ik heb ’m eigelijk voor Hilke gehaakt, zie je, als hij terugkomt, maar nou is ie voor jou.” Ze zuchtte even. „Ik heb toch tijd genoeg om nog een andere te haken.....—Kom hier, kereltje, dan zal ik je de das omstrikken.” En vol aandacht en zorg knoopte ze de das om Hajo’s hals; beide eindjes waren op een halven duim even lang, en de das hing precies in het midden.

„Je bent een lieve meid, Sijtje”, verzekerde Hajo.

„Malle jongen! Zeg Hilke, dat ie me eens schrijft. Zul je ’t doen?”

„Ja, Sijtje.”

„En dat ie gauw terugkomt. Zul je?”

„Ja, Sijtje.”

„En zeg ’m, dat.....” Op het onverwachtst begonnen Sijtje’s lippen te beven.

„Ik zal ’t ’m zeggen”, beloofde Hajo.

Toen gebeurde weer iets, wat niemand verwachten zou: Sijtje nam Hajo’s blonden kop in haar handen en zoende den verbouwereerden knaap op beide wangen, dat het klapte. „Ga nou maar”, fluisterde ze haastig, toen in de gang voetstappen klonken.

Buiten brak Hajo bijkans den hals over Padde, die op z’n knieën voor den deurkier lag. „’n Schat van ’n meisje!” verzekerde Padde met eenigszins schorre stem.

„Wat?! Heb je geluisterd?!”

„En alles gezien! Vergeet die handschoenen niet te geven! En let ’n beetje op Hilke. Dat laatste zeg je ’m natuurlijk niet!”

„Wat?”

„Dat ze je gezoend heeft.—Laat me die das eens kijken? Alsjeblieft, vijf kleuren! Die das is met liefde gebreid, Hajo!”

Truitje kwam terug met een verfomfaaide pop, een half kapotte rinkelbel, een koperen, ineengedeukte vogelkooi, een verroesten koffiemolen, een mombakkes en een verzameling gekleurde kraaltjes. Schuchter omziend, knipte ze het touwtje door, waarmee een handwerkschaartje aan haar hals was bevestigd. „Hier, neem dit ook maar mee. Ik zal wel zeggen, dat ik het verloren heb.”

Padde was in de wolken. Hij ging zorgvuldig na, in welken staat de verschillende kostbaarheden verkeerden, liet de rinkelbel rammelen en Hajo het mombakkes opzetten. Toen hij den koffiemolen ontdekte, sprong hij een el hoog de lucht in. „Truitjelief, jij bent nog er eens ’n meid! Een koffiemolen! Ga nou maar gerust naar de wilden, Hajo! Met een koffiemolen bij je, hoef je nooit bang te zijn! Ik ken hoopen lui, die aan een koffiemolen hun leven te danken hebben. En die zeggen allemaal: Naar Oostinje? Best! Maar niet zonder koffiemolen!”

„Zou ik alles op het schip mogen brengen?” vroeg Hajo weifelend.

„Wat dacht je dan?!” zei Padde verontwaardigd, „’n Menschenleven is geen kleinigheid!”

„Vooruit dan maar! Dan kan ik in die kooi meteen Gerrit meenemen!”

Gerrit was een tamme torenkraai, die al twee jaar lang lief en leed met Hajo deelde.

„Nou, we moeten weg!” zei Padde.

„Ja. Ik dank je wel, hoor, Truitje! En ik zal nog er eens om je denken, als ik zoo’n zwartjeshoofdman die pop in z’n vingers douw”.

„Praat me er niet van, Peter!” zuchtte het meiske. „Goeie reis, hoor, en kom me maar levend terug.”

Padde kon slecht tegen hartroerende tooneelen: een dikke traan biggelde over zijn wang en bleef aan zijn kin hangen, want Padde had beide armen vol en zag geen kans, den traan weg te vegen. „Nou naar Jansje Bezem”, zei hij met gebroken stem.

„Wéér een meisje?” vroeg Hajo.

Padde keerde zich verbaasd om. „Wou je soms van jongens kralen los krijgen?”

„Maar heb je dan nòg niet genoeg?”

„Ik begin pas!—Juist zulke kleinigheden redden je leven, Hajo! Vraag ’t maar aan Roeltje! Kralen, knoopen..... hemeltje, knoopen hebben we nog niet! Denk er om, dat je die in elk geval meekrijgt!”

Jansje Bezem woonde in de Hanekamsteeg, en dus moesten onze beide vrienden opnieuw de heele stad door.

„Had je ’t met afscheidnemen niet wat handiger in kunnen pikken?” vroeg Hajo. „We sjouwen op die manier driemaal meer dan noodig is.”

„Breng me niet in de war”, zei Padde. „Ik heb genoeg aan m’n hoofd.”

„Nou, maar ik vertik het langer. Ik moet niets van al die meisjes hebben!”

„Wat? Van Jansje Bezem niet?!”

„Van Jansje Bezem heelemáál niets.”

„Hoe is ’t mogelijk!” zei Padde. „’t Is een schat van een meisje!”

„Zoo. ’t Kan, maar ik heb er nooit wat van gemerkt. Wel, dat ze snibbig is en nooit haar mond houdt.”

„Als je eens wist, wat een ezel je bent”, zuchtte Padde. „Waarachtig, je màg Jansje Bezem niet overslaan!”

„Nu, voor mijn part dan. Maar ik wil eerst naar Doove Nelis, daar zijn we nu toch vlak in de buurt.”

Padde haalde de schouders op en volgde Hajo grommend naar het kleine huisje van Doove Nelis, een ouden zeerob, die in z’n goeie dagen met Willem Barendts op Nova Zembla had overwinterd, later doof was geworden en in Hoorn zijn laatste jaren sleet te midden van scheepjes in flesschen en duizend-en-een reisherinneringen. Hoe vaak had Hajo niet z’n tijd vergeten, als Doove Nelis aan het vertellen was?—Van Doove Nelis wilde Hajo in de eerste plaats afscheidnemen.

De ouwe baas stond juist op het punt om zijn gewone morgenwandelingetje langs de dijken en de haven te maken. Maar toen de jongens binnenkwamen, trok hij zijn jas weer uit en zei Grietje, zijn goedmoedige huisvrouw, koffie te zetten.

Hajo gebruikte de handen als spreektrompet en schreeuwde Doove Nelis zijn groote plan in het oor.

„Dat mag ik hooren!” zei Nelis, terwijl hij vergenoegd met zijn hoofd knikte. „Zoo zoo, met schipper Bontekoe! Een puik schipper!

Een beste, brave ouwe!—Varen, m’n jongens, dà’s het mooiste wat er is. Daar kè-je met landrotten niet over klesse; dat moet je voelen, hè? Als je op je schuit staat en je kijkt zoo eens schuins langs je bezaansmast en je zegt zoo losweg: Makker, zeg je, wat voor weer steekt er achter ’t zeil? of: bootsman, wat dacht-ie, wanneer zouden we weer d’r eens land voor de boeg krijgen?..... wat je dan voelt, dat weet alleen een zeeman. Varen, jongens, dat mot in je bloed zitten, dat kè-je niet leeren. Je moet het ruiken of er ergens riffen of banken liggen; je moet het ruiken of je kan uitvaren of niet. En, jongens, je moet meer van je schuit houwen as van jezelf! Als er een storm staat, dat je meer zeewater as soep binnenkrijgt, moet je niet denken: Heer in den hoogen hemel, red mij! Nee! Dan moet je denken: Genade voor m’n schuit! Dan ben je een varensgast! .. Zie je, als je zoo midden op de oceaan dobbert en je zit ’s avonds wat te kletsen over je wijf en je kinders, hè, nou, en in ’t vooronder leggen me die apen van jongens van d’r lui meissies te zingen, zie je..... dat moet je voelen. Daar ken je met landrotten niet over klesse.....”

Hajo liet z’n oogen dwalen, luisterde zwijgend: hij was al op den oceaan.

„En de zeeziekte?” riep Padde. „Wat doe je tegen zeeziekte?”

Doove Nelis gromde wat en was niet erg spraakzaam meer.

„Kom”, zei Padde daarom, „we moeten verder.”

De jongens stapten op; Hajo nam met tranen in de oogen afscheid van zijn ouden vriend. Bij de deur duwde Grietje Padde een fleschje in de hand, waarin zich een soort olie bevond. „Hier, Padde, bewaar jij het maar voor hem. Het is ’t beste middel tegen zeeziekte.”

Padde sloeg een gat in de lucht. „Groote genade, Hajo! Dat is me een pak van het hart!” En hij borg het fleschje zorgvuldig onder zijn pet.

De knapen vervolgden hun weg naar Jansje Bezem in de Hanekamsteeg. Was het gedachteloosheid van Padde, toen hij op het Groote Oost, inplaats van recht door te loopen, de Bottelsteeg insloeg naar de Appelhaven, waar hij woonde? Ze waren al twintig passen de steeg in, toen Hajo stilhield. „Waar gaan we naar toe, Padde?”

Padde trok een verwonderd gezicht. „Naar Jansje Bezem! Waar anders heen?”

„Dan maken we nu een omweg.”

„Zou je denken?”

„Ik denk het niet; ik weet het. En jij weet het net zoo goed als ik,”

„Mij best”, zuchtte Padde. En met een martelaarsgezicht maakte hij rechtsomkeert. Maar twee huizen verder hield hij weer stil en greep Hajo bij den arm. „Zeg..... eh, Hajo....! Nou we tòch eenmaal hier zijn, kunnen we eigenlijk ook wel even langs mijn huis loopen, vind je niet? ’t Is nog geen tien passen om!”

„Maar wat zouden we er moeten doen?”

„Dat vraag je nog? Natuurlijk afscheid nemen van mijn moeder!”

„Zou die er erg op gesteld zijn?”

Padde slikte iets weg. „Nou, en òf ze er op gesteld zal zijn!”

Hajo weifelde.

„Je hoeft niet”, verzekerde Padde, ietwat beleedigd. „Ik zal je niet dwingen! ’t Laat mij natuurlijk ijskoud, dat snap je wel, nietwaar? Dat kun je op je vingers natellen, hè?”

Hajo aarzelde nog even, sloeg toen de richting van de Appelhaven in.

Padde’s gelaat straalde.

Zijn moeder, een groote, bleek uitziende vrouw, was bezig de smalle gang te dweilen, die naar haar huisje en nog enkele andere krotten voerde, welke een gemeenschappelijke bleek en een groentetuintje hadden. Vóór op straat wierpen een paar zusjes en broertjes van Padde elkaar met modder.

„Blijf daar!” riep Padde’s moeder haar oudsten zoon toe, toen hij met Hajo het gangetje wilde binnengaan. „Vóór het eten kom je me niet in huis. En dan je smerige klompen uit. Begrepen?”

Padde kuchte en schoof Hajo voor zich. „Peter gaat naar Oostinje, moeder. Met de Nieuw-Hoorn! Schipper Bontekoe heeft hem dadelijk aangenomen! Hij komt afscheid nemen!”

„Wacht daar dan maar even”, zei de vrouw. En zwijgend werkte ze voort.

„Goed, moeder”, antwoordde Padde snel. „We zullen wel even..... we zullen wachten”. En tegen Hajo verklaarde hij, terwijl hij hem weer meetrok: „We hebben nu den tijd! Als ik geweten had, dat we zoo gauw ergens een koffiemolen zouden opduikelen..... En dat middeltje tegen de zeeziekte! Jansje Bezem geeft ons wel knoopen. O, heertje, zooveel we maar hebben willen! Trouwens—ze is met dat gangetje in twee tellen klaar. Geschrobd is ie al, hè, en dweilen, nou, dat is in een ommezientje bekeken. Wil ik je eens vertellen hoe dronken Roeltje aan een koffiemolen z’n leven heeft te danken?”

Hajo knikte half luisterend met het hoofd.

Maar Padde kon niet meer aan het woord komen, want z’n broertjes en zusjes hingen hem al om den hals. „Rijden!” schreeuwden de kleuters. „Hop, paard!” En Padde galoppeerde en sloeg met de achterpooten als een vurige hengst.

Toen kwam zijn moeder naar voren. Ze veegde zich de haren voor het gezicht weg, stopte Hajo een in een rooden zakdoek geknoopt bundeltje in de handen, keek hem streng aan en zei met haar zware stem: „Geef dat aan je moeder. Zeg haar ook, dat ik morgen een uurtje kom helpen, want ze zal het druk hebben met je uitrusting.”

„Morgen gaat hij al weg, moeder”, zei Padde.

„Dan kom ik vanmiddag. Nu heb ik geen tijd. Ben je door Wouter weggestuurd?”

De beide knapen schudden eenstemmig ontkennend het hoofd. „Wouter timmert zelfs nog een kist voor hem!” zei Padde. „Met ijzeren banden, en plaatjes om de hoeken!”

„Dat valt me mee van een galgebrok als jij bent”, zei de vrouw tot Hajo. „Je moeder is veel te goed voor je geweest. Op zee zullen ze je wel beter leeren!”

„Ik zal zorgen, dat ik geen slaag krijg”, antwoordde de jongen.

Padde’s moeder keek even op van de kordaatheid, waarmee dat er uitkwam. Een schaduw van een glimlach gleed langs haar stroeve mondhoeken. „We zullen zien of je woord houdt! Wees zuinig op je goed en spaar wat je verdient voor je moeder.”

Hajo beet de lippen opeen. „Zou ik tòch gedaan hebben”, zei hij.

Maar Padde’s moeder had het alweer te druk om Hajo nog te woord te kunnen staan,—nu met het herstellen van de orde onder de kleinen, tusschen wie een huil- en vechtpartij was ontstaan. Ze tilde den hoofdschuldige bij zijn ooren van den grond op en droeg hem naar het turfhok om hem op te sluiten. In het voorbijloopen knikte ze Hajo toe. „Ik hou je aan je woord!” riep ze. „Goeie reis!”

Padde trok zijn vriend ter zijde. „Laat eens kijken?” vroeg hij, op het roode bundeltje wijzend.

Hajo knoopte het los. Er zaten een broek en een paar sokken in.

Padde betastte de voorwerpen eerbiedig. „Dat is mijn nieuwe broek”, zei hij. „Zondag zou ik ’m voor het eerst aankrijgen. ’n Mooie stof, hoor! En ijzersterk. En die sokken heeft ze van den herfst gebreid.”

Hajo werd er ietwat verlegen onder. „Jouw broek?” vroeg hij.

„Ja. Net als die sokken. Die waren anders ook voor mij geweest. Maar da’s niks, hoor: ze breit wel weer nieuwe.”

„Maar moet ik die zakdoek ten minste niet.....?”

„Teruggeven? Welnee! ’t Is vaders zakdoek voor de kerk. Nou ja, daar gaat hij toch nooit naar toe, want als ie Zaterdagsavonds thuiskomt.....” Padde’s stem trilde. „Vooruit!” zei hij, „we gaan naar Jansje Bezem!”

Toen de jongens tegen den middag weer in de Bagijnesteeg aanlandden, waar moeder met het eten wachtte, bleek duidelijk, dat de Hoornsche meisjes, hoe ondeugend Hajo dan ook mocht wezen, hem toch niet door menscheneters wilden laten verslinden. Als Hajo op staanden voet een uitdragerij had begonnen, zou zijn fortuin zijn gemaakt.

Met een stralend gezicht zette hij een prachtige, sterke kist voor zijn moeder neer. „Van Wouter gekregen! ’t Is een èchte scheepskist! En dit is van Padde’s moeder, kijk eens hoe mooi! Van middag komt ze zelf om met m’n uitzet te helpen”.

Moeder knikte, terwijl ze het bundeltje losknoopte. Ze wilde nog wat antwoorden, maar kwam niet goed uit haar woorden.

’s Avonds, toen de kinderen naar bed waren gebracht, zei moeder: „Peter, je moet afscheid nemen van je broertje en je zusjes, want morgen ga je weg, vóór ze wakker zijn.” Haar stem was rustig en werkte kalmeerend op Hajo’s verwarde gedachten. Hij ging naar de achterkamer, waar Doris en Maartje en Antje sliepen, boog zich over hun bedstee en beloofde papegaaien en kokosnoten, apen, tijgers, jonge olifanten en menscheneters in een kooi te zullen meebrengen. En bij elke belofte biggelden hem heete tranen over de wangen. Hij kuste de zachte kopjes en kwam met onvaste schreden in de voorkamer terug, waar hij zijn moeder in den stoel bij den haard zag zitten. Ze lachte hem vriendelijk toe.

„Kom eens bij me zitten, Peter”, zei ze. „We zullen voor het laatst eens wat praten, hè? Heel kalm, als verstandige menschen. Want er zijn een paar dingen, die even moeten worden geregeld.—Kijk, hier is de sleutel van je kist. Aan een touwtje, zie je wel? Buk je hoofd eens, Peter, dan zal ik hem om je hals hangen. Zoo..... nu kun je hem niet verliezen. En hier is een zakje waarin ik drie guldens heb genaaid, voor het geval, dat je in verlegenheid mocht komen. Hang het onder je hemd als je straks gaat slapen. ’t Is niet zoo heel veel, Peter, maar..... maar.....”

„Moedertje”, snikte Hajo, „wat moet ik met al dat geld doen! Jij hebt het zoo noodig! Jij moet het gebruiken voor Maartje en Antje en Doris en ook voor jezelf. Ik verdien toch geld?”

„Stil!” zei moeder. „Als het schip..... als je schipbreuk mocht lijden..... dat zakje kun je niet verliezen en..... Vaders bijbeltje heb ik ook in je kist gedaan en een lokje haar van ons allemaal. Dan heb je tenminste iets wanneer je aan ons denken wilt.—Over twee jaar kom je pas terug. Je zult dan een groote, sterke jongeman zijn geworden, die héél wat meer heeft gezien dan vader of ik. Al dien tijd, Peter, zal ik..... zal ik rustig wachten en vast vertrouwen, dat alles goed gaat. En, Peter, van mij, als je ooit eens verdrietige oogenblikken hebt, zeg dan maar gerust, zeg dan altijd maar gerust: mijn moedertje denkt aan mij..... Beloof je me dat, Peter?”

„Moedertje!” kermde Hajo.

„Dan is het goed, m’n jongen. En nu moet je naar bed gaan. want het is goed, dat je morgen een flinke nachtrust achter de rug hebt.” Ze sloeg haar armen om hem heen.

En Peter Hajo, scheepsjongen op den Oostinjevaarder Nieuw-Hoorn, liet zich, tegen zijn moedertje gedrukt, als een heel klein jongetje naar bed brengen.

Hij kleedde zich uit, zonder zich bewust te zijn, dat hij het deed. Maar door de wolk van grauw, die voor zijn oogen hing, schitterde heel ver weg iets bonts en vreemds, dat zijn hart deed zwellen van opwinding en blijdschap.....!

Zijn moeder ging stil, om de kinderen niet te doen wakker schrikken, naar de voorkamer. Ze leunde tegen den haard en bleef een oogenblik staan met al de kalmte, waarover een moeder beschikt, als ze daar juist afscheid genomen heeft van haar jongen, die naar den Oost gaat.

Toen begonnen haar schouders te beven, en ze borg het hoofd in de handen.

PADDE DOET ZIJN VRIEND UITGELEIDE

Om negen uur in den morgen van den acht-en-twintigsten December 1618 zou de Friesche tjalk De Hoornsche Zon den schipper Willem IJsbrantsz Bontekoe naar den Oost-injevaarder Nieuw-Hoorn brengen, die voor Texel op gunstigen wind lag te wachten om uit te zeilen.

Ruim zeven uur dien zelfden ochtend, toen de duisternis nog om de haven hing, kwamen twee jongens bepakt en bezakt de Veermanskade afhollen in de richting van de aanlegplaats.

„Ik kan niet meer”, hijgde de dikste van de twee. „Loop jij door, Hajo, jij mag in geen geval te laat komen.”

„Maar ’t is nog veel te vroeg, Padde! ’t is nog lang geen negen uur!”

Padde wilde hem verwijten, dat hij overstuur was, maar verslikte zich.

Zoo kwamen ze bij den Hoofdtoren. „We zijn de eersten!” riep Hajo.

Padde sukkelde hijgend en blazend in een drafje voort tot hij bij de tjalk was aangeland. Daar zette hij den omvangrijken last, dien hij torste, neer, ging op de gedeukte kooi van Truitje Cannegieter zitten—tot groot ongenoegen van Gerrit, die onrustig op zijn stokje heen en weer dribbelde en verwijtend door de tralies gluurde—en veegde zich het zweet van het gelaat. „Ziezoo”, zei hij. „Nu kan die smerige tjalk zonder jou niet meer wegzeilen”.

„Laten we zoolang op en neer loopen”, stelde Hajo voor.

„Loopen?! Heb ik vanmorgen nog niet genoeg geloopen?”

„Maar je vat kou, Padde, als je daar blijft stilzitten!”

„Dan kruip ik in m’n bed. ’k Heb toch niks beters te doen, als jij er niet meer bent.” En Padde bleef zitten en keek weemoedig naar De Hoornsche Zon, die zachtjes deinde op den kalmen golfslag.

Hajo bleef nog een tijdje staan, ging toen naast Padde zitten. Hij trachtte met zijn oogen den grauwen morgennevel te doorboren. Van heel uit de verte drong het loeien van een misthoorn tot hem door. Dan werd het weer stil, op het zachte klotsen van het water na.

Die rust om hem heen deed Hajo goed: in gedachten nam hij nog eens afscheid van zijn moeder en beloofde haar, zich als een man te zullen gedragen. Hij begon nu als scheepsjongen; over een paar jaar kon hij matroos zijn en later..... wie weet of hij niet nog eens als..... ja, ’t kòn toch, nietwaar?..... als bootsman een reis ging maken! Bootsman Hajo! Wat zou zijn moeder trotsch zijn! „Heb je ’t gehoord?” zouden de menschen zeggen. „Als jongen twaalf ambachten dertien ongelukken, en nou.... wie had dat gedacht!.... bootsman Hajo!”

Hajo hoorde naast zich een licht geronk. „Padde! Slaap je?”

Eerst geen antwoord. Toen steunde Padde diep, geeuwde hartgrondig en huiverde. „Dacht je dan, dat ik vannacht een oog heb dichtgedaan?”

Daar kwam schipper Blok met zijn twee zoons aanzetten. „Jullie zijn vroeg genoeg!” riep hij onzen beiden vrienden lachend toe. En op de vogelkooi en al wat er om heen lag wijzend, vroeg hij: „Moet die rommel allemaal mee?”

„Dat is geen rommel!” voer Padde uit.

„Goed, dan is ’t geen rommel”, zei Blok gul. „Gooi het maar achter in de bak. Maar de bootsman van de Nieuw-Hoorn zal je zien aankomen! Die is lang niet mak!”

„Die bootsman zal wel beter weten wat er voor een Oostinje-reis noodig is!” verzekerde Padde.

„Nou, ’t zal me benieuwen”, zei Blok. Hij sprong in de tjalk en begon met de hulp van zijn zoons en Hajo den mast op te zetten. „Oostenwind”, zei hij. „Tot Enkhuizen is het opwerken. Dan zijn we d’r gauw.”

Kwart voor negenen kwam Rolf aanstappen met een kist onder den arm. Hajo holde hem tegemoet, en de jongens drukten elkaar de hand.

„Rolf!” zei Hajo, „’t spijt me nog, dat ik je voor pennelikker heb uitgemaakt!”

„Ja”, zei Padde, die er ook bij was gekomen. „Ik heb gezegd, dat ik je zou aframmelen als ik je weer tegenkwam, maar dat trek ik terug.”

„Knip jij altijd zoo met je oogen?” vroeg Rolf.

„Knap maar”, zei Padde. En Rolfs kist besnuffelende, vroeg hij: „Is dat alles wat je meeneemt?!”

„Het is genoeg”, meende Rolf.

„Heere m’n tijd”, zei Padde. „Je bent al net zoo overstuur als Hajo!”

Het was allengs geheel licht geworden. En eindelijk, toen negen bronzen slagen galmden uit den toren van de groote kerk, en het tegelijk in den Sint-Anthonius helder te kleppen begon, kwam een gezelschap heeren, met Bontekoe in hun midden, het havenhoofd afwandelen.

„Dezelfden als eergisteren, Padde!” fluisterde Hajo.

„Die doen mijn oom tot Texel uitgeleide”, zei Rolf. „Die lange met dat bleeke gezicht is koopman Rol; die gaat mee naar Indië. Om voor de Compagnie zaken te doen.” En evenals Hajo en Padde, welke laatste zelfs een soort buiging maakte, trok hij zich eerbiedig de muts van het hoofd.

„Goeden morgen, mannen!” wenschte Bontekoe hun met gulle zeemanshartelijkheid toe. Hij liet een monsterenden blik over zijn beide kranige scheepsjongens gaan en schonk den kleinen, dikken, buigenden Padde een welwillenden glimlach. Daarna gingen de heeren vroolijk koutend de loopplank over naar de tjalk. Rolf drukte Padde de hand en sprong aan boord. De zoons van schipper Blok gooiden de touwen los, waarmee de tjalk vastlag.

Voor Hajo en Padde was het oogenblik van afscheid gekomen. De oogen vol tranen stonden ze tegenover elkaar en zochten naar woorden.

„Hajo.....!”

„Padde.....!”

„Hajo..... beste Hajo.....!”

„Padde..... beste, goeie Padde.....!”

Hajo durfde niet langer talmen. Hij wendde zich verward, snel af en ging de loopplank over.

De plank werd ingetrokken.

Met een gelaat, waarin de wanhoop zich spiegelde, stond Padde aan den kant en zag toe, hoe de tjalk zich van den wal losmaakte. Toen, op het laatste oogenblik, zette hij met een kreet af en sprong....!

Blok ving hem op en heesch hem binnen boord. Padde was met zijn voeten in het water terechtgekomen.

„Hajo!” snikte de arme jongen, terwijl hij het water uit z’n klompen liet loopen. „’t Gáát niet.....! Ik breng je tot Texel.”

Bontekoe had met een zijdelingschen blik Padde’s acrobatentoer waargenomen. „Daar heb je me waarachtig die zelfde springer weer!” riep hij. „Wat moet er met hem gebeuren, Blok?”

Blok was de kwaaiste niet. Hij wist, dat Hajo en Padde onafscheidelijke vrienden waren. „Laat ’m maar meegaan”, antwoordde hij lachend. „Dan kan hij meteen de Nieuw-Hoorn eens zien! Die is wel ’n kijkje waard!”

Maar toen Padde zijn bezinning terug had gekregen, sloeg hem de schrik om het hart. Waar zou dat op uitdraaien, als hij weer thuiskwam?! „Heila!” riep hij een paar visschers toe, die bezig waren hun botter ijsvrij te kappen. „Zeg jullie aan m’n moeder, dat ik even ben meegegaan naar Texel?”

De visschers grinnikten. „Ze slaat je beide beenen stuk”, zei er een.

„Dan ken je m’n moeder slecht!” riep Padde spijtig, terwijl een paar dikke tranen in zijn oogen sprongen. En toen de visschers meesmuilend de schouders ophaalden, schreeuwde de de arme jongen hun woedend toe: „Bovendien! Zijn het jouw beenen?!”

De tjalk zeilde den ijsgang door en kwam in vrij water. Bontekoe stapte op Padde toe. „Wil jij later ook gaan varen?”

Padde schudde vol onverholen afschuw het hoofd. „Ik kom in de bierbrouwerij van m’n oom! Dan weet je wat je hebt.”

Bontekoe mat Padde glimlachend van het hoofd tot de voeten. „Je hebt groot gelijk, hoor. ’n Best vak!” En Bontekoe zette zich bij de heeren, die achter in de tjalk hadden plaats genomen.

„Ik voel me nou al beroerd van dat ellendige schommelen”, verklaarde Padde, toen hij bij Rolf, die voorin zat, belandde. En slechts de overtuiging, dat zijn vriend het later nòg noodiger zou hebben, weerhield hem om uit Grietjes fleschje te proeven.

„Je voeten zullen wel koud zijn”, zei Rolf.

Padde voelde het als een verwijt. „Spring jij ’ns zoo’n end!” gromde hij.

Hajo zat bij den mast en keek met nog vochtige oogen naar de flauwer wordende omtrekken van het stadje, dat zachtkens in de sluiers van den nevel wegzonk. Toen kwam suizend de boom aanscheren: het zeil werd omgegooid. Hajo bukte bliksemsnel het hoofd en voelde zich weer in de werkelijkheid verplaatst.

Tot Enkhuizen moest er gelaveerd worden; daarna verliep de vaart vlotter. Ze kregen nu den golfslag aan stuurboordzij, zoodat de tjalk geducht heen en weer zwaaide, en het Padde slecht te moede werd. Zijn oogen verfletsten; hij werd akelig bleek. „Ik wou, dat ik maar dood was”, verklaarde hij.

„Wil je wat uit Grietjes fleschje?” vroeg Hajo.

Er was een oogenblik van heftigen tweestrijd in Padde. Maar zijn goede inborst zegevierde. „Je denkt toch niet, dat ik zeeziek ben?” vroeg hij. „Dat fleschje helpt me niks. Ik ben wat beroerd, omdat ik vannacht geen oog heb dichtgedaan; dat is alles.” En om te bewijzen, dat dat „alles” was, boog hij zich snel overboord, om zich eerst na geruimen tijd nog veel bleeker om te draaien.

Het was zonnig weer. Een blauwe lucht. De Oostenwind hield staag aan.

„Als het zoo blijft, varen we nog vanmiddag uit”, zei Bontekoe tot de andere heeren. „Wat denk jij van den wind, Blok?”

„Dat ie mooi is uitgeschoten en goed vast zit, schipper!”

Een uur later kwam Texel in het zicht. De gele duinen blonken in het zonlicht; hier en daar schitterde een rood dak, en..... en.....!

„De Nieuw-Hoorn!!!” schreeuwde Hajo, terwijl hij met de hand naar voren wees. „Padde!” En hij greep zijn makker bij den arm en duidde hem opgewonden een vlekje met een paar rechtopstaande lijntjes. „Padde dan toch! Kijk, Padde!!”

„Ik zie niks”, beweerde Padde. „M’n oogen doen zeer van den slaap. Maar ik zal..... ik zal je uitrusting halen”. En Padde wankelde naar de plaats, waar Hajo’s kist en ruilmateriaal geborgen waren.

„Er ligt er nog een!” riep Rolf. „Daar, links er van!”

„D’r liggen d’r drie”, zei Blok. „Maar de middelste moeten we hebben.”

Bontekoe zag intusschen vol belangstelling toe, hoe Padde bezig was Hajo’s hebben en houwen naar voren te sleepen. „Van wie is dat alles?” vroeg hij.

„Van Hajo, schipper.”

„Wel-wel! Roep jij Peter Hajo eens even hier?”

Padde rook onraad. „’t Is om te ruilen, schipper. Tegen de wilden!”

„Als je in m’n dienst stond, zou ik je voor dat tegenspreken in het eindje touw laten bijten”, zei Bontekoe.

Toen haastte Padde zich om ’s schippers bevel op te volgen.

„Hou je taai”, fluisterde Rolf Hajo in het oor. „Hij is heelemaal niet kwaad.”

Maar Hajo voelde zich allesbehalve „taai”, toen hij voor den schipper stond.

„Is dat jouw uitrusting, Peter Hajo?” De stem klonk onheilspellend.

„Ja-jawel, schipper.”

„Wat wou je met dat alles doen??”

„Inruilen, schipper.....”

„Wou jij op eigen houtje handeldrijven en de Compagnie benadeelen?”

„Handel drijven, schipper.....?”

Padde was weer naderbij gekomen. „’t Is om z’n leven te redden, schipper.....”

Bontekoe keek verwonderd op. „Ik spreek met hem en niet met jou.”

Padde begreep er niets van. „’t Is m’n vrind, schipper.”

„Pak je weg, of je gaat overboord!” fluisterde Blok den dapperen Padde toe.

Dat werkte. Padde keerde subiet om en ging naar Rolf, al pruttelend over de tegenwerking, die Hajo ondervond.

Bontekoe liet een onderzoekenden blik over het rommeltje gaan. „Wat wou je met die kraai doen? Ook inruilen?”

„Nee, schipper. Dat is Gerrit. Die gaat..... die gaat voor de gezelligheid mee.....”

„Voor de gezelligheid. Zoo-zoo. Hoe kom je aan Gerrit?”

„Uitgehaald, schipper. Toen ie nog jong was.”

„Ka!” schreeuwde Gerrit.

De heeren konden hun vroolijkheid niet verbergen, en Hajo schepte moed. „’t Nest zat in de galmgaten van de Sint-Anthonis, schipper. De koster heeft er niets van gemerkt.”

„Hoeveel jongen zaten er in?” vroeg Bontekoe.

„Drie, schipper.”

„Drie? Gewoonlijk heeft ’n kraai er vier, hè?”

„Jawel, schipper, deze ook. Maar ik had er een uitgehaald.”

Bontekoe beet zich op de lippen. „Nu, ’t valt me tenminste mee, dat je er drie hebt laten zitten. Is ’t daar goed mee afgeloopen?”

„Jawel, schipper. Schouwen Doedes heeft er een van, en Klaas van den Hoogen Dijk had er twee, maar eentje heeft zich aan een pier verslikt. ’k Had ’m ’t nest verkocht. Maar Gerrit is de slimste, schipper! Hij verstaat alles! En wegvliegen doet-ie ook niet meer.”

„Is hij zoo tam?”

„Ja, schipper. Ik heb ’m gekortwiekt.”

De heeren begonnen te lachen. „Kijk eens, Peter Hajo”, zei Bontekoe, „als mijn bootsman Folkert Berentsz. je met zoo’n inboedel aan boord ziet stappen, gooit hij jou mèt Gerrit in de Noordzee. Daarom is het ’t beste, dat je hem zegt: de schipper vraagt of er een plekje voor vrij is.—Verstaan?”

„Jawel, schipper!” Hajo glunderde.

„Snij dan maar uit.”

Dat deed Hajo. Zijn hart woog licht als een veertje, toen hij naar voren ging.

Ook Padde was opgetogen en stak zijn vreugde over den gunstigen uitslag niet onder stoelen of banken. Maar Hajo luisterde niet naar hem, keek zijn oogen uit naar de Nieuw-Hoorn, die grooter en grooter werd. Hoe trotsch hief het schip zijn hoogen steven uit het groen-grijze water! Langzamerhand kon Hajo de gebeeldhouwde figuren van den fraaien spiegel onderscheiden, het rank uitgebouwde galjoen, de dreigende geschutpoorten met de ronde vuurmonden.....

Boem! Boem! Twee blanke wolkjes stegen aan weerszijden van het schip op, en in hetzelfde oogenblik wandelde langs een lijntje een bonte doek naar het topje van den grooten mast: de vlag der Oost-Indische Compagnie! Blok liet zich niet onbetuigd en hiesch den Hoornschen Eenhoorn. Hajo rilde van opwinding. Hij had een haast onweerstaanbaren drang om luid: Hoera! te schreeuwen en te gaan dansen op den planken vloer. Dat was nu zijn schip! Dat was het schip, dat hem door duizend gevaren en avonturen heen zou brengen naar het groote droomland..... Indië!

Een half uur later legde De Hoornsche Zon zich tegen de Nieuw-Hoorn aan. Een touwladder werd omlaag geworpen; de heeren klommen naar boven. Daarna volgde Hajo, achter hem Padde, om te helpen dragen, en ten slotte Rolf.

„Vang je me, als ik val?” riep Padde klagend omlaag. En toen, een hartverscheurenden kreet slakend: „M’n koffiemolen!!”

Een plons duidde aan, dat de koffiemolen te water was geraakt. Met bevallige schommelbewegingen zonk hij de diepte in.

„Ka!” riep Gerrit verschrikt.

En Rolf zei, bedaard als altijd: „Ik heb hem haast op mijn hoofd gekregen.”

„Terug!” jammerde Padde. „Hajo moet de koffiemolen meehebben!”

„Hij is gezonken”, antwoordde Rolf op een graftoon. „Je zult er naar moeten duiken. Vooruit, schiet op, anders val jij ook nog op m’n hoofd.”

Al jeremieerend vervolgde Padde de klimpartij. Zoo kwamen ze boven, waar een stelletje janmaats hen met hoongelach ontving. „Groentjes!” werd er geroepen. „Ik ruik landrotten!—Een kraai!”

„We zijn met z’n drieën,” zei Rolf. „Als ze een vinger uitsteken, slaan we er op.”

Hajo beet de tanden opeen.

En Padde schreeuwde: „Vooruit! Wijs ons waar we heen moeten!”

Allen begonnen te proesten. Maar een goedige kok met wit voorschoot en een blozend gelaat kwam op de jongens toe en zei: „Laat ze maar lachen. Ze meenen het zoo kwaad niet. Kom mee, ik zal jullie naar ’t vooronder brengen.”

„Dat zou ik ook denken!” mopperde Padde.

Zoo kwamen ze, na een trapje te zijn afgedaald, in de slaapplaats voor het volk. „Hier, deze matten zijn vrij,” zei de kok. „Ja, de beste plaatsen zijn natuurlijk weg; je hebt hier nogal eens kans op een zeetje. Maar dat went wel, hoor. Stop die rommel maar gauw weg, voor de bootsman ’t ziet! Maar waar moeten we met die kraai heen? Die hou je op den duur onmogelijk verborgen.”

„Ka!” bevestigde Gerrit.

„Hoeft ook niet”, zei Padde. „De schipper kent ’m.”

„Dat scheelt een duit op een stuiver”, verklaarde de kok. „Hier is een spijker, hang daar de kooi maar zoolang aan op. Ziezoo,—nou kun je het verder wel vinden. Ik heet Bolle. Ja, ik heet eigenlijk anders, maar de maats noemen me Bolle, omdat ik met Kerstmis en nieuwe jaar altijd van die lekkere bollen bak, zeggen ze. Dat treffen jullie dus net. Ja, ik zelf lust ze niet, hoor!”

„Waarom niet?” vroeg Padde.

„Omdat ik me er tegen heb gegeten. Op een kaperschip. Dat zal ik jullie weleens vertellen. En Maleisch zal ik je ook leeren. Stom-eenvoudig. Ajer is water, kapal is schip, en wat je niet weet, dat blijft zoo.” En Bolle verdween met een vriendelijken hoofdknik. „Zie maar gauw, dat je die rommel wegkrijgt! Als Berentsz. ’t ziet.....!”

De jongens bleven alleen en keken in het rond.

„Die kok moet je te vrind houden, Hajo!” raadde Padde. „Ik zou die bollen ook weleens willen proeven.”

„Om van de schrik over de koffiemolen te bekomen?” vroeg Rolf.

Padde zuchtte. „Praat me er niet van! Je zult zien, dat de reis verkeerd afloopt. Die Berentsz. schijnt ook een kwaaie te zijn!”

„Er is hier niet veel frissche lucht,” stelde Rolf vast. En hij gooide een luik open.

Padde jammerde nog wat door over zijn koffiemolen. Eindelijk werd hij er moe van, geeuwde ontzagwekkend en zuchtte: „Daar zitten we nou. Daar heb ik verkleumde voeten voor opgehaald en den heelen nacht voor wakker gelegen, om hier te zitten zonder koffiemolen! Kom, ik ga ’t schip eens bekijken. Gaan jullie mee naar boven?”

„Zoometeen”, was Rolf’s antwoord. „Peter en ik moeten eerst ons boeltje nog wat schikken, en ik voor mij eet ook even m’n boterham op.”

Op het woord „boterham” keek Padde om. „Ja-ja”, zuchtte hij en aarzelde met weggaan.

Rolf begreep. „Hier, Padde, neem jij dit.” En hij duwde hem een pakje boterhammen in de hand.

„En jij dan?” vroeg Padde, het papier openvouwend.

„Ik heb in m’n kist nog genoeg.”

Padde zette z’n tanden in het brood. „Mm! Rookvleesch! Die moeder van jou heeft het goed met je voor, zeg!”

Hij, noch Hajo merkte op, dat Rolf zich plotseling afwendde.

Padde geeuwde nog eens hartgrondig en vervolgde: „Ik zal toch maar vast naar boven gaan. De lucht is hier nog altijd even beroerd.” En hij wankelde het trapje op, stootend tegen een deurpost.....

Een kwartier later wilden Rolf en Hajo hem volgen. Maar ze hadden hun neus nog niet buiten de deur gestoken, toen een zware stem hun toebulderde: „Donder en bliksem! Loopen jullie nou al te luibuizen?! Daar staat een schrobber! Water is d’r zat, kijk maar om je heen. En jij, alsjeblief, een zwabber! Wat hij schrobt, zwabber jij. Verstaan?”

„En wat moet ik schrobben, bootsman?”

„Donder en bliksem! Wàt je schrobben moet?! Het schip moet je schrobben! Wou jij de zee schrobben? Je begint bij ’t achterste boevenet en eindigt met ’t galjoen en de boegspriet. Als ik straks nog een smerig plekje vind, word je allebei gekielhaald. Vort! Aan het werk!” En Folkert Berentsz., bootsman op den Oostinjevaarder Nieuw-Hoorn, vervolgde zijn gevreesden ommegang.

Hajo pakte den schrobber en sloeg verwoed aan het werk.

Maar Rolf mat met zijn oogen de geduchte oppervlakte van het schip en zei toen, terwijl hij Hajo meevoerde: „We zullen ons vandaag tot het achterdek bepalen. Het is onmogelijk om in één middag het heele schip te schrobben,—en dat weet donder en bliksem ook wel.”

Terwijl de beide jongens schrobden en zwabberden, dat het rondom spatte, ging schipper Bontekoe na, of alles voor de uitreis gereed was. De wind beloofde Oost te zullen blijven, en de schipper stuurde een paar booten naar den wal om versch water te halen. Rolf zag, hoe het aan boord geheschen werd. „We gaan vandaag weg,” zei hij tot Hajo. „Nog vlugger dan ik dacht.”

„Maar hoe weet je, dat we weggaan?”

„We nemen water in. Dat is altijd het laatste wat er gebeurt.”

Hajo keek rond. „Waar zou Padde zitten? Ik zie hem nergens.”

„Hij zal naar z’n koffiemolen visschen”, meende Rolf vroolijk. „Wacht, daar komt Blok aan.—Heb jij Padde soms gezien, Blok?”

„Jawel, die ligt onder in de tjalk te snurken. Ik ga zoometeen weg, maar ik zou ’m maar kalm op één oor laten. Anders gaat ie nog mee naar Oostinje!”

„Ja-ha!” lachte Rolf. „Dat zou voor de bierbrouwerij van z’n oom een schadepostje zijn.”

„En, jongens?” vroeg Blok. „Kennen jullie de bootsman al zoowat?”

„Nou!” zei Rolf. „Beter dan hij mij kent.”

Blok schudde met vroolijken spot het hoofd. „Da’s andere koek dan bij Wouter ’n beetje in ’t vuur blazen en ’s avonds appelen rapen in ’t Sinte Clarens, hè?” En lachend daalde hij weer den valreep af naar de tjalk.

De jongens zetten hun werk weer voort.

Hajo boende van heb-ik-jou-daar! Elk plekje, dat hij had geschrobd, bekeek hij met voldoening. Dat plekje kende hij, en het kende hem.

Hajo was bezig een innige vriendschap te sluiten met de Nieuw-Hoorn!

Een poos later greep Rolf zijn makker bij den arm. „Daar.... gaat de tjalk!”

Hajo staarde met groote oogen naar het wegzeilend vaartuigje, dat Rolf hem wees. Toen snelde hij naar de verschansing en zag, dat De Hoornsche Zon inderdaad was weggevaren. „Padde!” schreeuwde hij. „Dag, Padde!!!” En met den grooten, rooden zakdoek, dien Padde’s moeder hem gegeven had, wuifde hij uit alle macht, terwijl de tranen hem over de wangen biggelden. „Dag, Padde!! Padde!!!”

Hij merkte het niet, dat het op het benedendek rumoeriger werd; het heen en weer hollen der maats hoorde hij niet, noch het klapperen der ankerpallen en het verwarde stemmengeroezemoes achter en om en beneden hem. „Dag, Padde!! Padde!” riep hij. En hij wuifde, wuifde al maar door.

Toen dreunde het onder de planken vloer onder zijn voeten: donderende kanonschoten deden zijn ooren daveren; een wolk van rook omhulde het schip. Half bedwelmd wendde Hajo zich om. In het want en op de ra’s krioelde het van janmaats; de zeilen werden losgegooid en sloegen klappend uit in den wind, tot gebruinde knuisten ze hadden vastgesjord; een machtig: Hoera!!! steeg op uit twee honderd kelen.

Hajo hield zich vast aan het want; haalde diep adem.

De Nieuw-Hoorn stak in zee.

Droomend hingen Rolf en Hajo over de verschansing en tuurden naar het grijze streepje land, dat smaller en smaller werd. Zwijgend blikten ze over de wijde, groenige watervlakte, rondom het schip gemarmerd door het schuim. Een paar meeuwen dwaalden om de masten, met kalmen, geluidloozen wiekslag.

Toen..... hoorden ze achter zich een licht gedruisch. Ze wendden zich om en..... en..... zagen vanuit het gat van het vooronder het bleeke, van slaap vertrokken gelaat verschijnen van Padde, die stotterend vroeg: „Wat..... wat was dat met die kanonnen, Hajo?”

OP ZOEK NAAR DEN BOTTELIER

Aan de zware, eikenhouten tafel in de groote scheepskajuit van de Nieuw-Hoorn zaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De eerste bestudeerde ingespannen een groote zeekaart en mat met een passer enkele afstanden. De koopman liet zijn oogen gaan over lange cijferreeksen, maakte nu en dan een aanteekening en verdiepte zich in nieuwe tabellen met cijferreeksen.

Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de waardige, haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van den schipper!

Plotseling hieven beide heeren het hoofd op: voor den ingang van de kajuit was een tumult ontstaan. „Laat me er door!” schreeuwde een stem. „Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!” Op hetzelfde oogenblik werd de deur opengerukt, en een jongen van geen vijf Friesche turven hoog stormde het vertrek binnen, op den voet gevolgd door den waardigen, reeds grijzenden scheepsbarbier, in de wandeling „Vader Langjas” genaamd.

De vermetele binnendringer—wie was het anders dan Padde?—staarde met oogen, waarin de ontzetting lag uitgedrukt, in het strenge gelaat van Bontekoe. „Meneer..... de tjalk is weg!”

„Schipper! Die drommelsche aap van een jongen..... hm!” gromde de barbier verontwaardigd en naar adem happend.

„Ga jij je gang maar, Vader Langjas”, zei Bontekoe. „Ik zal met den jongeman wel even afrekenen.”

„Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelsche kwajongen... hm!” En grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich.

Padde viel voor den schipper op de knieën. „Schippertjelief, keer om! O, alsjeblief.....!”

„Sta jij eens op,” zei Bontekoe op een toon, die weinig goeds voorspelde.

Padde kroop weer overeind; zijn oogen zwommen in tranen. „Schippertje, toe.....!”

„Vertel jij mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit! En geen uitvluchten, alsjeblieft.”

„Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog dichtgedaan.....”

„Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!”

„Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zoo verschrikkelijk, en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje, toen al die kanonnen in eens.....!”

„Die kanonnen heb je dus gehoord?!”

„Jawel, schipper, maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die kanonnen! Ik dacht..... ik dacht, dat er Duinkerkers.....!” En Padde’s verwilderde oogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte piraten.

„Aap van een jongen, was toch voor den dag gekomen; dan had je nog terug gekund!”

„En nou niet meer, schipper?!” Het klonk als een noodkreet.

Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. „Hoe zit het nou eigenlijk! Sta je me hier voor ’t lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op hoe de vork in de steel zit. Wilde je met je vriend mee?”

Padde’s oogen dreigden uit de kassen te vallen. „Mee naar Oostinje??!” stamelde hij. De arme jongen greep zich in de haren. „Ik ga toch in de bierbrouwerij van m’n oom?!—O, schippertje, schippertjelief, keer om, in ’s hemelsnaam.....!” En opnieuw zonk Padde voor Bontekoe’s voeten neer en trachtte zijn handen te grijpen.

Bontekoe zag in, dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen door het vertrek en vroeg toen: „Jij heet Padde, hè?”

„Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.”

„Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord een werkje verschaffen, want ledigheid is ’s duivels oorkussen. En als je goed aanpakt, en we mochten toevallig een schip ontmoeten, dat weer naar Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.”

„Wanneer zou dat zijn, schipper?”

„Dat kan vandaag nog gebeuren, en ’t kan ook nog wel drie maanden duren.”

„Drie maanden.....” herhaalde Padde toonloos.

„Maak je geen zorgen,” troostte Bontekoe. „Je bent hier goed onderdak, en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om nog aan slaan te denken.”

Padde sprong overeind. „M’n moeder slaat me nooit, schipper!”

„Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,” was Bontekoe’s meening. „Maar we zullen eens even naar een geschikte bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?”

„Klimmen, schipper?”

„Ja. In een touw bijvoorbeeld.”

„O..... nee, schipper. In een touw niet.”

„Op een ladder wel?” vroeg Bontekoe.

„Op een ladder wel!” haastte Padde zich vol ijver te verklaren.

Bontekoe wierp den koopman een vroolijken blik toe. „Dan zullen we een botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats, of ze je de bottelier even willen wijzen, en zeg hem, dat je hem helpen moet. Begrepen?”

„Jawel, schipper.....”

„Goed zoo. De deur is achter je.”

„Jawel, schipper.....” Padde bleef staan.

„Ben je nog niet weg?”

„Schipper..... schippertje.....” Padde’s oogjes knipten smeekend, „zou je nou heusch niet even terug willen zeilen?”

Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging, die Padde aanleiding gaf, met zooveel spoed de kajuit te verlaten, dat hij buiten de deur een dikken, blozenden, vriendelijken, eenigszins scheelzienden man pardoes omver liep. „Kijk uit je oogen!” snauwde Padde.

De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind.

En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange, schrale janmaat met rood haar en groene, glazige oogen als van een visch werd het eerst door hem aangeklampt.

„Waar is de bottelier?!”

De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. „De bottelier? Drie maal ’t schip rond, de vierde hoek van ’t zeil om, en dan aan ’t vijfde touwtje trekken, dan komt ie.”

„Wil je op je ziel hebben?” vroeg Padde.

De vent begon te grinneken als een geit.

Padde snoof en brieschte en pakte een ander bij z’n jas. „Waar is de bottelier?!”

De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van zijn werk—het inleggen van een touw—op. „Wat kan ik verdienen, als ik je ’m wijs?”

„Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!” verzekerde Padde.

„Dat verandert,” zei de man. „Luister goed! De bottelier is vast op ’t schip: ik heb ’m vóór twee reizen nog gezien. Loop maar ’n eindje door, dan zul je ’m wel vinden. ’t Is zoo’n lange, magere, korte, dikke kerel.”

Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats, die over de verschansing hingen en pruimden.

„De bottelier?” vroeg de grootste, die een scheef gezicht en daarin een half dicht oog bezat. „Weet je wat je vooral niet vergeten mag, als je de bottelier zoekt?”

„Nou?” vroeg Padde weifelend.

„Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten!” zei de vent.

„Heb jij je eene oog ook vergeten?” vroeg Padde. Toen sprong hij haastig ter zijde.

Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartigen, baardigen zeerob, die aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. „Ja, ze zullen je wel leelijk voor de mal houden!” zei deze, terwijl hij zijn klare oogen medelijdend op den nieuwbakken botteliersmaat richtte. „Je moet rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je den bottelier wijzen, hoor, heb maar ’n oogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied worden. Help maar ’n handje, dan gaat het gauwer.”

„Graag!” zei Padde, blij, dat hij den trouwhartigen, vriendelijken zeerob een wederdienst kon bewijzen.

„Je bent een brave jongen”, verklaarde deze. „Hier is olie. Smeer maar raak.”

En Padde smeerde, tot de spil en hij zelf om het meest glommen.

„Goed zoo!” prees de trouwhartige zeerob. „Je zult het gauw leeren.—Ziezoo, nou deze spil ook nog maar even.”

Padde was alweer aan het werk. De lof, die de ervaren zeerob aan zijn smeer-talent had toegezwaaid, prikkelde Padde: hij smeerde nu zoo aandachtig en ijverig, dat hij niet merkte, hoe zijn kameraad er maar met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vroolijk wijsje tusschen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte.

Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige zeerob: „Ik verzeker je, dat ik het zelf niet beter had kunnen doen. Kom, nou de spil van het plecht-anker.”

Padde keek sip. „En de bottelier?” vroeg hij.

„Plicht gaat voor, jongen,” verklaarde de trouwhartige zeerob. „Eerst nog even de spil van het plecht-anker!”

„Maar ga je dàn heusch met me mee?” vroeg Padde.

„Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb.....”

„En wanneer zou dàt afgeloopen zijn?” vroeg Padde weifelend.

„Dat hangt er vanaf”, zei de trouwhartige zeerob. „Als jij me helpt, zijn we in een stevig uurtje klaar. Maar anders gaat m’n heele middag er mee heen.”

Padde’s oogen schoten vol tranen; hij wendde zich af en begon te snikken.

„Ja..... plicht gaat voor,” zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte zijn pot met smeer op en begaf zich in de richting van de plecht.

Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de heele wereld verlaten en wenschte, dat de Nieuw-Hoorn vandaag nog met met man en muis zou vergaan. Hij snikte hoe langer hoe luider, en hoe meer hij snikte, des te ontzettender vond hij zijn eigen toestand.

Maar onverwachts werd hij op den schouder getikt. Hij wendde zich om en zag in het blozende gelaat van den schelen dikzak, dien hij, uit de kajuit komende, omver geloopen had.

„Wat scheelt er aan, kereltje?” vroeg de man vriendelijk.

Maar Padde had zijn vertrouwen in de menschheid verloren. „Gaat je geen spaan aan!” gromde hij. „’k Heb niks.”

„Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?” vroeg de man.

Padde haalde de schouders op. „Jij bent zeker ook gekomen, om me voor de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet, dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!”

„De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da’s merakel: ik ben de bottelier!”

Padde kon een kreet niet onderdrukken. „Is ’t heusch?! Hou je me niet voor de gek?”

„Welneen-ik,” zei de dikkert. „Dat verzeker ik je, hoor, dat ik de bottelier ben.”

Padde vloog hem om den hals. „Ik moet je helpen! De schipper heeft het gezegd!”

„Wel, da’s merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de bottelarij......” De man stokte, deed een paar passen terug en staarde Padde aandachtig aan. „Wel, da’s een merakel”, fluisterde hij. „Da’s nou waarachtig ’n groot merakel. Je lijkt..... je lijkt op m’n jongen.”

„Is die hier ook op ’t schip?” vroeg Padde.

De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde ontkennend het hoofd.

„Waar is ie dan?” vroeg Padde.

De bottelaar kuchte, legde zijn hand op Padde’s schouder en gaf toen het zonderlinge antwoord: „D’r staan..... d’r staan nog wel twintig kruiken, die allemaal moeten worden gespoeld. Kom..... kom jij maar mee, kereltje.”

Ook Gerrit doorleefde dien eersten namiddag aan boord stoere oogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in zijn kooi zat te overpeinzen, dat hij voor een doodgewone torenkraai toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen binnenstappen.

„Alsjeblieft!” zei een van hen, een forsche kerel, die een weinig mank ging. „Daar ligt het zoodje!” En hij sleurde Hajo’s „ruilhandel” te voorschijn. „Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat staat vast: groentjes moeten gepest worden.”

„Gepest worden,” bevestigde de tweede, een kerel met een door de pokken geschonden gelaat.

„Hè-hè-hè!” grinnikte de derde, een ietwat gebogen manneke.

„Wat we kunnen doen,” zei de manke, „is: de heele rommel zoek maken.”

„Zoek maken!” riep de pokdalige.

„Hi-hi-hi!” grinnikte de kleine.

„Ka!” riep Gerrit.

De drie mannen schrokken; de kleine verslikte zich. Toen begon de manke te lachen. „Wel verduiveld!” riep hij. „Die kraai zullen we de nek omdraaien!”

„Nek omdraaien!” stelde de pokdalige voor.

De manke ging naar de kooi en trachtte den bewoner ervan te grijpen. Maar Gerrit was zoo vlug als een goed opgevoede torenkraai maar zijn kan.

„’n Aardig beessie”, verzekerde de manke.

„Pik!” zei Gerrit en hakte met z’n snavel.

„Als ik ’t mormel in m’n vingers krijg!” dreigde de kerel vloekend. En hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend-zwarten gevangene naar buiten. „Zoo, maak nou je testament maar!”

Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen. De mannen hielden zich koest.

Hajo kwam het vooronder binnen, zag met een oogopslag den rommel op den grond, en merkte, dat de manke iets verborgen hield. „Wat heb je daar!” zei hij, terwijl hij zich resoluut voor den kerel plaatste.

„Dat raakt je niet!”

„Ka!” schreeuwde Gerrit.

Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. „Laat los die kraai! Hij is niet van jou.”

„Van jou dan zeker! Laat de bootsman ’m maar niet zien!”

„Laat hem los!” dreigde Hajo.

„Ik zal ’m voor je oogen z’n nek omdraaien,” verklaarde de manke.

Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi van den wand en smakte ze in blinde drift den kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude, vermolmde bodem begaf zich, en de kooi kwam om ’s mans nek te hangen. Hij moest den luid schreeuwenden Gerrit loslaten om zich van het koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een bezetene. „Ik zal je, kleine salamander!”

En terwijl Gerrit met haastige sprongen, half fladderend een goed heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van opwinding, den aanval van den manke af te wachten.

Deze liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op den scheepsjongen af. Een verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee anderen, volgde.

En juist toen Hajo, ondanks zijn weergalooze vlugheid, dreigde te bezwijken onder het ruw geweld van den veel sterkeren janmaat, kwam Folkert Berentsz. het vooronder binnen. Zien en handelen was voor den wakkeren zeeman één. De manke voelde zich stevig in het nekvel gegrepen en liet verbouwereerd zijn tegenstander los.

„Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?!”

„’n Mooie scheepsjongen!” gromde de manke, terwijl zijn losgeraakt boezeroen weer in de broek stopte en z’n pols aflikte, die geschaafd was. „’n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m’n kop stukgeslagen!”

De gevreesde bootsman richtte z’n oogen dreigend op Hajo.

„Hij wou m’n kraai de nek omdraaien, bootsman!”

„Ka!” riep Gerrit.

„Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!!”

„De schipper kent hem”, zei Hajo.

„Kijk hier eens, bootsman!” klonk het uit den mond van den manke. „Kijk eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!”

„Donder en bliksem.....,” stotterde Berentsz.

„De schipper weet er van, bootsman, en laat vragen.....”

„De schipper, de schipper, de schipper.....!” gromde Berentsz. „’n Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was.....!!—Jij, Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in ’t schavuitengat rekenen!” snauwde hij den manke toe. „En jou, jongeman, zal ik in de gaten houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!”

Weg was de bootsman.

Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en trachtte er den bodem weer in te duwen.

De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder.

Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten, die baas Wouter hem had meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit langs de lange rij kribben.

Het geluk, het onmetelijke, verblindende geluk, waarvan de weerschijn daarstraks nog in zijn oogen schitterde, was vertroebeld. Vol weemoed dacht Hajo aan baas Wouter, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan..... „Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moedertje denkt aan mij.....”—Moeder..... Moedertje!

Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen naar buiten.

Het was allengs duister geworden.

De frissche zeelucht deed Hajo goed; met volle teugen snoof hij ze op. Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat wegscheerde langs den boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere golven. Er was geen maan; een handvol bleeke sterren lag verdwaald over het uitspansel.

Allengs kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van den wind, het klapperen van een losgewerkten hoek van een der fokzeilen, het gekreun der golven, die smartelijk scheurden onder den scheepsboeg, naar het eentonig gezang der roergangers:

„Wie heeft er nooit dat schip gezien Met zeuven zwarte masten? Zwart zijn de zeilen; zwart is het want; Aan boord staan vreemde gasten! Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.....!

Een duivel zit op het galjoen; De dood staat aan het roer; In de kombuis blaast in het vuur Een zwarte duivelsmoer! Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.....!”

„Hallo!” klonk het achter Hajo. En daar stond Rolf. „Hallo, Hajo! Ik zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?”

Hajo vertelde zijn wedervaren.

„We zijn met z’n beiden”, zei Rolf, toen Hajo had uitverteld. „Wie het een van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!”

Daar kwam Padde aansukkelen.

„Hallo, Padde!” riep Rolf uit, „zien we jou ook eindelijk? De schipper zal wel ’n hartig woordje met je hebben gesproken?”

„’k Ben botteliersmaat,” zuchtte Padde. „Hij wil niet meer terug. Hemeltje, wat zal m’n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige kanonnen!”

„Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog”, wierp Rolf in het midden.

„Was ’t maar waar,” klaagde Padde. „Ik val om van de maf”.

„Ik doe een voorstel, Padde!” zei Rolf. „We sluiten een driemanschap. We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en helpen mekaar altijd en overal. Hand er op?”

„Waarachtig!” zei Padde.

En de jongens klapten de handen stevig ineen.

Toen luidde met heldere slagen een klok.

„De etensbel!” riep Padde.

„Hoe weet je dat?”

„Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?”

„Vooruit dan maar!” zei Rolf.

En zoo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich arm in arm naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten.

IN ’T VOORONDER

Er mochten onder de bemanning van de Nieuw-Hoorn lamme kerels rondloopen, in doorsnee waren het ronde, gezellige lui, die, als het noodig was, werkten als paarden, voor den duivel niet bang waren en lachen konden, dat de wanden van het vooronder daverden.

Dien eersten middag bij het eten maakten de drie „groentjes” al een stuk of wat vrinden. Daar had je—behalve de brave, deftige Vader Langjas, die den maaltijd met een gebed opende en sloot—Zwarte Gijs en Diede Doedes en Floorke en Gerretje en Steven Duffel en de Neus en..... en Harmen! De koksmaat Harmen van Kniphuyzen, een paar jaar ouder dan Hajo en Rolf, was eigenlijk een dichter.

Als je tegen Harmen zei: „Goeie morgen!” antwoordde hij: „’k Zal d’r voor zorgen.” Als je hem vroeg: „Maak je ’t goed?” kon je er staat op maken, dat hij zijn gezicht tot een grijns vertrok en antwoordde: „Kijk maar naar m’n snoet!” Hij klom als een aap, zwom als een rat, liep als een hert, had de spieren van een vol-matroos en sneed op als....!

Die laatste eigenschap kwam ’s avonds al aan het licht, toen het volk in het vooronder ging zitten gezelsen. Mannetje naast mannetje zaten ze aan de lange tafels, tegen elkaar gedrukt als haringen in een ton. Er waren er ook, die dadelijk na het eten in hun kooi neervielen; enkelen snurkten, dat het een aard had. Hier en daar werden de speelkaarten voor den dag gehaald, of een potje bier gedronken. Rooken, dat ze deden! Een half uur na het eten kon je je overbuur nauwelijks meer in den nevel onderkennen. En de tabak was niet altijd van de beste, lang niet! Er moest er wel eens eentje de pijp uit den mond worden getrokken, omdat de „geur” voor de anderen onverdragelijk werd. De janmaat voelde zich beleedigd, smeet groote woorden in het rond, sloeg met de vuist op tafel, dat de potten bier er van rinkelden, en..... en lachte dan weer met de anderen mee.

„Speel eens wat?” riep er een uit z’n kooi. „Kniphuyzen, speel ’ns wat!”

„Ja! Spelen!” bulderden tien anderen.

En de koksmaat Harmen van Kniphuyzen haalde z’n fiedel, wipte op tafel en streek er op los. Het was er wel eens flink naast; de viool was ook geen echte Stradivarius, maar dat deed tot de gezelligheid geen afbreuk. De „oomes” (zoo noemden de scheepsjongens de boven hen gestelde matrozen) stampten met de voeten en zongen:

„Oranje boven en blauw onder! Wie ’t anders meent Dien haalt de donder!”

Gerrit dribbelde onrustig op zijn stokje heen en weer, knipte zijn oogen dicht tegen de rook.

„Ik zal jullie wat vertellen, waarvan je, sapperloot, zult opkijken!” schreeuwde „de Neus”,—een dik manneke met een fraai gekrulde snor en een neus als een bevroren aardappel.

„Als je liegt, hap ik je neus af!” dreigde Zwarte Gijs, de smid.

„Die zou, sapperloot, smaken!” verzekerde de Neus.

„Vooruit, vertellen! Vertellen!!”

„Luister!” zei de Neus. „Op m’n vorige reis hadden we een ziekentrooster aan boord: Vader Jonas! Hij was vroom, sapperloot! en als we voor anker lagen, had hij geen rust, voor hij de wilden had bekeerd.

Zoo lagen we dan weer eens met averij voor een eilandje. De zwartjes kwamen al gauw opdagen, en Vader Jonas aan ’t bekeeren! Als ’t ’m bij een gelukt was, hing hij de vent een nummer om de hals. De anderen werden zeker jaloersch op dat nummer, want in een ommezientje gaven ze zich allemaal voor de bekeering op.

Eentje was Vader Jonas’ lieveling, een botmagere wilde, die was niet van hem af te slaan. Vader Jonas had ’m Paulus gedoopt. Goed. De barbier gaat kruiden zoeken en vraagt Vader Jonas om hem een betrouwbare wilde mee te geven.

—Dan moet je Paulus nemen, zegt Vader Jonas.

Goed, Paulus en de barbier gaan aan wal. Effen later komt Paulus aanrennen en zeit met veel grimassen, dat de barbier door een krokodil is opgebikt. Groote herrie! Vader Jonas zweert bij hoog en laag, dat Paulus onschuldig als een lammetje is. Nou, bij de lijkdienst bad Paulus voor twee!”

„Wat een schurk!”

„Stil! Je weet immers nog niks!”

„Goed! De volgende dag is er een vrind van me verdwenen. We zoeken elk muizenholletje af. Niks te vinden.

—Sapperloot, wat wordt me die Paulus dik! zeg ik zoo tegen Vader Jonas.

—Neus, zegt Vader Jonas,—Paulus is ’n Christenmensch!—Over Paulus kon ie niks hooren!

Een uurtje later gaan ze samen weg.—Waar ga je naar toe, Vader Jonas? vraag ik.

—Paulus heeft me gevraagd zijn ouwe vader te willen bekeeren. De arme man kan niet meer loopen.

—Wil ik even met je meegaan? ’t Is hier zoo’n raar land!

—Paulus is bij me, Neus!

—Juist daarom,—zeg ik.

Vader Jonas werd nijdig en liep met Paulus door. Ik zag ’m nog tusschen de boomen verdwijnen. Wil je wel gelooven, dat ik die middag niks om m’n gemak was?

En jawel, hoor! Daar komt me Paulus anzeilen, zwaait met armen en beenen en maakt dezelfde grimassen als de vorige keer!

—Smeerlap! schreeuw ik en ik grijp ’m bij z’n nummer,—jij hebt Vader Jonas opgebikt!—En ik schud ’m door mekaar, dat ie overgeeft. En wat spuwt ie ’t eerst uit? Hè? De trouwring van Vader Jonas! Die had ie in de haast mee ingeslikt!”

„Ja....., gevaarlijk goed, die menscheneters!” verzekerde Harmen van Kniphuyzen. „M’n broer en ik zijn op de vorige reis ook zoowat opgepeuzeld.”

„Vertel op!”

„M’n broer is ’n kemiekeling, zie je, die kan nou van alles. Hij kan een knoop in z’n oor leggen, z’n oogen als knikkers laten ronddraaien en twee kanten tegelijk uitspuwen. Zakkenrollen kan ie! Nee maar! En van een rattenvanger heeft ie buikspreken geleerd.

Nou, we waren aan land gegaan, om de scheurbuik!—Kom er eens mee, Harmen, zegt m’n broer—dan gaan we een maatje honing halen. Die koers uit moet ergens een nest zitten, want ik zie er al maar bijen heen vliegen.

Hij was verzot op honing, m’n broer. En ik dacht: laat ’k ’m z’n zin maar geven. Maar ik was niks op m’n gemak, daar zoo met z’n beidjes alleen in de wildernis. En wel ja, in een ommezientje waren we door de menscheneters omsingeld.

Schreeuwen, dat ze deden! Ze trokken ons de kleeren uit, en m’n broer zei nog tegen me:—Harm, jij hadt eerst je enkels weleens mogen wasschen!

—Klaas, zei ik,—hoe kun je nou nog lolletjes staan verkoopen!

Nou, we werden in een bootje gezet, en toen maar de rivier op, jongens! Klaas en ik moesten ook roeien! Met zoo’n stok met platte schijven aan ’t eind!”

„Pagaaien!” werd er geroepen.

„Zal ik niet weten! ’k Was nijdig als een spin, want een van die houtskoolkoppen had m’n rooie das, die m’n vorige meisje voor me gebreid had, om z’n luizebos gebonden!—Klaas! zei ik,—als we de roeistokken er eens opnamen en ze er de kiezen mee uitsloegen?

—Ben je stapel? vroeg Klaas.—Dan zouden we er ieder acht op ons boekje moeten nemen!

Tegen donker kwamen we aan het menschenetersdorp. Nou, we werden met gejuich ontvangen! En weet je wat Klaas deed? Die lachte maar en zwaaide met z’n armen.—’k Zal je vinden, schavuitenbende! riep hij. Nou, dat verstonden ze natuurlijk niet, maar ze keken d’r wel raar van op, dat Klaas zoo in z’n nopjes was.

We werden voor de radjah gebracht! Hij had een stuk been door z’n neus, en op z’n kop een Zuid-Wester,—die had ie opgetuigd met kraaltjes en in het midden een spiegeltje. Achter ’m zaten zijn vrouwen; de jongste leek sprekend op m’n meisje van twee..... van drie jaar geleden. Nou ja, alleen d’r oogen!

Moet je hooren wat Klaas deed! Hij maakte eerst een fijne buiging voor de radjah; toen legde hij zijn ooren in de knoop en liet z’n oogen rollen. Meteen zie ik, dat ie de radjah het spiegeltje van z’n Zuid-Wester grist. Maar de radjah zelf merkte niks. Die schreeuwde wat in het Polopoeloesch of zoo, en toen kwam er een kerel met zóó’n mes aanzetten, zeker een toovenaar! En toen sjorden ze mij aan een paal!

Maar meteen viel Klaas op z’n knieën, kuste de voeten van die menscheneterkoning, en toen klonk het als uit den grond:—Peper en notenmuskaat!—Klaas was aan ’t buikspreken!

Nou, dat had je moeten zien! De kerels keken mekaar aan, of ze van lotje waren getikt. Klaas stond op, drukte op z’n buik en spuwde de radjah pardoes z’n spiegeltje in het gezicht. Toen maakte hij een geluid als van rommelende donder, trok een kromme lijn door de lucht; dat was de bliksem; en drukte zijn vinger op de mopneus van die radjah.—Ziezoo! zei Klaas,—nou zul je ’t wel gesnopen hebben!

Nou, òf ze ’t gesnapt hadden! De toovenaar sneed de touwen los, waarmee ik vast gesjord stond, en de radjah wilde er van tusschen gaan. Maar Klaas greep ’m bij z’n Zuid-Wester, pakte met de andere hand de toovenaar bij z’n kladden en duwde ze voor zich uit naar dat bootje, die..... die.....”

„Kano!” werd er geroepen.

„Natuurlijk de kano! Het heele dorp stond ons aan te gapen. De toovenaar wees op Klaas en schreeuwde wat in ’t Polopoeloesch, en toen stoven ze allemaal achteruit. De radjah stapte in de kano, de toovenaar ook, en ik en Klaas gingen keurig achterin zitten.—Ziezoo, heeren, zei Klaas,—leg maar eens in! Nou, de koning en de toovenaar pagaaiden, dat we om het half uur zweet moesten baliën! Toen we thuis waren, stak Klaas die radjah zijn voeten toe en liet ze hem kussen.—O, zoo! zei-d-ie.—En nou kunnen jullie wel weer ophoepelen. Besjoer!

En temet draait ie zich om en zegt:—Harm, zegt ie,—weet je wat we nou nog vergeten hebben?”

„De honing!” riep Padde uit.

„Krek”, zei Harmen. „We zijn omgekeerd en met de heele muts vol honing teruggekomen.”

„En de wilden hadden jullie de kleeren afgenomen?” merkte Rolf op.

„Zoo nauw moet je niet kijken!” zei Harmen beleedigd. „Anders zou je nooit er eens iets kunnen vertellen!”

„Ja, en je hebt je gezicht te houwen, als Kniphuyzen vertelt!”

„Mannen, ik heb nog wat beters!” riep een heel lange janmaat met vlasblond haar, helderblauwe oogen, groote, uitstaande ooren, en met handen..... nee maar! Hajo kon er niet naar kijken zonder aan de handschoenen van Sijtje te denken. Ze boden een ruime gelegenheid tot tatoeëring, en dat had de eigenaar ook ingezien: het eene anker prijkte naast het andere; op de polsen waren harten met een pijl aaneengesmeed, en hoogerop zeilden driemasters over wild bewogen baren. Hajo had er een drommelsch ontzag voor. Dàt was nog er eens ’n zeeman! Stil! Hij wou goed luisteren naar de wijsheid, die dit beankerde wonder zou verkondigen!

„Twee reizen geleden, ik was op De Gouden Leeuw,” begon de verteller, „waren we geland bij een rivier, die zoo vol krokodillen zat, dat je de een naast de ander kon zien liggen. Nou, ik was net als hier de eenige Fries aan boord, hè, en de maats lagen daar nog wel ereis over te mieren.—Worden in jouw koeienland de kinderen altijd zoo aan de ooren getrokken? vroegen ze dan wel, of:—Wat hebben jullie Friezen een kleine handjes! en meer van dat kinderachtige geleuter.—Vooruit dan! zei ik zoo, toen ’t me weer eens de keel uithing.—Als jullie Hollanders dan zulke kerels bent, steek dan ereis zonder boot die rivier over!

—Doe jij het eerst! zeiden de maats.

—Ik durf wel, zei ik.—Ik steek er op z’n Friesch over!—Nou, ik nam een flinke aanloop en.....”

„En??”

„Jullie weet: ik spring als de beste.—Nou, ik ben dan van de eene krokodil op de andere gesprongen! En voordat de beestjes wisten wat er aan ’t handje was, stond ik aan de overkant!”

„Verduiveld sterk!” verklaarden de maats.

„’t Is gelogen,” stelde Padde ronduit vast.

„Spuit nommer elf geeft ook water,” zei Harmen. „Luister, mannen, ik heb nog heel wat anders beleefd, en als ik je dat vertel, mag je je muts wel vastsjorren, want je haren zullen te bergen rijzen! We waren eens met z’n vijven in het oerwoud en terwijl we zoo onder een boom lagen uit te blazen, zei een van m’n vrinden:—Harm, zei-d-ie,—speel er eens ’n deuntje!

Goed, ik haal m’n viool voor den dag en speel.

—Nog ’n moppie! zei m’n vrind.

Best, ik streek er al weer op los. Maar wat zag ik me daar?! Een stuk of vijf koningstijgers, een handvol leeuwen en een slordige twintig reuzenslangen zaten me in een kringetje aan te gapen. De muziek had ze aangetrokken! M’n vrinden lagen half te maffen en merkten niks.

—Doorspelen, dacht ik.—Doorspelen, da’s het eenige!—En ik speelde en speelde....

—Komt er nooit een eind aan dat moppie? vroegen m’n vrinden.

—Hebben jullie er last van? vroeg ik nijdig.

—Daar niet van, zeiden ze. En ze draaiden zich nog eens lekker om.

Na een uur of vier spelens begon ik moe te worden en..... ja..... als een mensch moe is! Toen kwam er ook wel eens ’n valsch toontje, hè? Maar ik kon merken, dat beesten verstand van muziek hebben, hoor, want ze trokken een gezicht of ze een zeere kies hadden. Toen schoot er een lichtstraal in m’n kersepit! Dat was de uitkomst! Weet je wat ik deed? Ik begon me daar eventjes valsch te spelen, valsch.....!!

En ja hoor! Met de staart tusschen de pooten gingen de monsters er van door!

Ik was nat van ’t zweet, en m’n armen leken wel lood. Maar..... we waren gered!”

„En je vrinden, zeiden die niets toen je zoo valsch speelde?” vroeg Hajo, die na de wonderbaarlijke redding een diepen zucht had geloosd.

„Och..... ze hadden er niet zoo opgelet”, zei Harmen.

„Nou heb ik nog een verhaal!” riep Rolf. „Er was eens een schip vol matrozen! Toen kwam er een groote walvisch, die sperde zijn bek open en slikte.....”

„Een walvisch kan geen schip inslikken!”

„Nou, hij spuwde het ook gauw weer uit.”

„Omdat ’t ’m te hard was?”

„Neen. Omdat hij misselijk werd van de leugens, die z’n keel binnenspoelden.”

„Sapperloot.....!” stamelde de Neus.

En de anderen sloegen met de vuist op tafel. „Daar zul je voor boeten, mannetje!”

Maar ze meenden het niet. In hun hart hadden ze schik aan Rolfs vrijmoedigheid: van bloode jongetjes moesten ze niets hebben.

Buiten galmden vier glazen. Tien uur! De oomes stonden op, kropen in hun kooien. De olie in de lamp scheen opgebrand; de vlam werd schraal; de walm sloeg dik tegen de zoldering.

Hajo zocht den langen Fries op. „Heet jij soms Jopkins?” vroeg hij na een aarzeling. „Hilke Jopkins?”

„Dat ben ik, ja.”

„Dan moet ik je wat geven van.....”

„Van.....?” Hilke sperde zijn oogen open en greep Hajo bij den arm.

„Ja!” fluisterde Hajo. „Van Sijtje.”

„Laat kijken!” zei Hilke, diep ademhalend.

„Ga je even mee naar buiten?” vroeg Hajo. „Daar zien de anderen het niet!”

Zwijgend stond de janmaat op. En Hilke Jopkins, die als „oome” duizend mijlen boven den nieuwbakken scheepsjongen stond, volgde Hajo gedwee het trapje op naar het dek. Eerbiedig betastte hij de handschoenen, die Hajo hem daar gaf. „Verdorie,” mompelde hij. „Verdorie.....!”

„Ze zei, dat je haar eens schrijven moest, en dat je voorzichtig moest zijn, en ze wou nog wat zeggen, maar toen begon ze te huilen.”

„Verdorie.....!” Hilke schudde het hoofd. „Die handschoenen zitten me gegoten, zie je wel?”

„Ik heb ’n das van haar gekregen,” zei Hajo.

„Laat kijken?”

Hajo overreikte hem Sijtjes kleurvol geschenk.

„Verdorie.....!” prees Hilke.

„Alleen voor Zondagen!!” zei Hajo.

„Dat begrijp ik!—Zeg, Hajo.....? Wat moet je hebben voor die das?”

Hajo voelde een trilling in Hilke’s stem. „Die das is niet te koop,” zei Hajo.

„Dat snap ik! Voor een ander is ie niet te koop! Maar voor mij toch wel?”

„Daar,” zei Hajo, „daar heb je ’m voor niks.”

„Verdorie.....!” was al wat Hilke antwoordde. Hij liefkoosde de das tusschen de vingers en greep Hajo’s hand. „Kerel, als je me nog eens noodig hebt.....!”

„Zeg, Hilke?” vroeg Hajo. „Zou je..... zou je misschien.....?”

„Waarachtig! zeg op: wat is er?”

Hajo wees op Hilke’s handen. „Zou je mij soms ook een anker of een schip, of wat je maar het makkelijkst is.....?”

Hilke stroopte zijn mouw op. „Zoek maar uit! Een driemaster? Of zoo een, met die kanonnen? Ik kan alles, en je voelt er niets van. Heb je een meisje?”

„Neen,” bekende Hajo, verlegen. „Moet dat?”

„Welnee. Maar dan had ik je een paar harten geprikt. Zooals op m’n hand.”

„Dat is ook wel mooi”, weifelde Hajo.

„Ja, maar dan moet je een meisje hebben!” zei Hilke. „D’r zijn lui, die haar naam er inzetten: Geertruida of Katherina of zoo. Maar..... eh, ’t gaat er nooit meer uit, zie je? Zooals ik ’t heb, zonder naam, is het..... is het altijd goed, hè?”

Hajo begreep het maar half. „Zeg, Hilke,” vroeg hij, „wanneer kun je het doen?”

„Over een dag of wat,” beloofde Hilke. „Als de eerste drukte voorbij is.”

„Fijn!” zei Hajo. „Zeg, weet je, dat ik ook nog Friesch bloed in me heb?”

Hilke sloeg de handjes ineen. „Een Fries?! Jij?”

„Moeder is van Friesland.”

„Als ik het niet dacht! Een kerel als jij.....! ’k Zal je de knoopen ook leeren! Een boeren- en een Turksche knoop, een visscher-, trompet-, muil- en ankersteek, een ouwe wijvenknoop..... Nooit van gehoord?”

Hajo sloeg van eerbied bijna tegen den grond,—schudde ontkennend het hoofd.

„Nog nooit van een ouwe wijvenknoop gehoord??! Wacht dan!”—En Hilke haalde de das van Sijtje uit zijn broekzak, greep de beide einden.....

„Dat is zonde!” meende Hajo. „Dan leer je ’t me morgen maar.”

„Je hebt gelijk,” bekende Hilke. „Ja, dat komt: jij bent een Fries, hè, en dan.....!” Zorgvuldig streek hij de das weer glad en liefkoosde ze met de oogen. „Brave meid!” mompelde Hilke met schorre stem. Toen zei hij haastig: „Nou, ajuus, hoor! ’t Is al laat.”

„Wel te rusten!” was Hajo’s antwoord. En terwijl de scheepsjongen van de Nieuw-Hoorn nog even bleef staan, in gelukkige overpeinzingen over de naaste toekomst, spoedde de lange Fries zich met zijn schat voort. Hajo zag, hoe hij zich diep bukken moest, om het hoofd niet te stooten tegen de lage deur van het vooronder.....

Daar kwam Rolf aan. „Zullen we gaan slapen, Hajo?”

„Die..... die over die krokodillen is gesprongen, zal een anker op m’n arm prikken!” fluisterde Hajo zijn makker opgewonden toe.

„Zoo?” vroeg Rolf. „Laat het hem dan een beetje hoog doen. Op je bovenarm, of zoo.”

„Maar dan zie je er niets van!”

„Juist daarom.”

Hajo keek zijn vriend verwonderd aan. „Vind je een anker niet mooi? Wil ik liever ’n schip nemen? Hilke kan alles. Kijk maar eens naar z’n handen.”

Rolf glimlachte. „Ik heb ze gezien. Maar weet je, dat die rommel er nooit uitgaat?”

„En is dat dan erg?”

„Het kan wel eens lastig zijn. Je weet van te voren niet wat er nog uit je groeit!”

„Uit mij??”

„Ja, uit jou.”

Hajo pruttelde wat. „Nou, vooruit dan maar....,” zuchtte hij, onwillig.

„Heel verstandig,” prees Rolf. „Ga je mee?”

Hajo liet zich gezeggen. En hij riep Padde, die nog bij tafel zat, toe: „Padde! Sta op! We gaan naar kooi!”

Hé, dat klonk nog er eens: kooi inplaats van bed!

Maar Padde hoorde het niet. Met het hoofd in de handen was hij, zittend, in slaap gevallen.

OUDEJAARSAVOND

Of de jongens aan het werk werden gezet? Nee maar! Smeren, boenen, zwabberen was het wachtwoord. En wanneer de bootsman hun een enkele maal eens een oogenblikje had gelaten om uit te blazen, wisten de oomes wel „een mooi werkje voor een scheepsjongen”. Padde viel er natuurlijk buiten: die had een leventje als een volwassen bottelier. Hij sliep een gat in den dag, at met toewijding, spoelde wel eens een kruik om en babbelde urenlang met den braven bottelier. Het was van het begin af aan gewoonte geweest, dat de schele bottelier het werk deed, en Padde zijn korte beentjes liet schommelen, zittend op een leeg tonnetje als een koning op zijn troon.

„Wil ik soms even helpen, Schele?” vroeg Padde wel eens, wanneer de dikke bottelier amechtig blies van ’t lange bukken.

„Blijf jij maar zitten, m’n jongen,” was het antwoord. „’k Ben zóó klaar.”

Maar Hajo moest voor alles opdraaien. Waar hij ook zijn vriendelijk gezicht vertoonde, overal had men een werkje voor hem. Als hij den barbier tegen het lijf liep, vroeg deze: „Zeg er eens, vriendje, ben jij niet drogistenjongen geweest?”

„In De Gouden Gaper, Vader Langjas.”

„Och, help me dan even met het stampen van kruiden, wil je?”

En Hajo stampte. Maar buiten hoorde hij Zwarten Gijs al razen: „Waar zit me die blikslagersche smidsjongen! Hij moet krammetjes voor me slaan!”

Of Steven Duffel, de bakker, liet hem deeg kneden. Of Hajo moest planken zagen voor Diede Doedes, den timmerman.

Zijn loon bestond meestal uit de woorden: „Je mag me nòg ’ns helpen!” of uit een draai om z’n ooren, wanneer hij iets verkeerd had gedaan.

Om den haverklap werd hij bij z’n kraag gegrepen en door een janmaat het want ingestuurd om iets te „klaren”. En als hij dan bij het zware werk op de bovenste fokke-ra stond te balanceeren met negen kansen op de tien om omlaag te storten, riep de „oome” van beneden: „Ja, breek je nek maar: ’t is morgen toch Zondag!”

Maar wat veel goed maakte? Als Hajo, een paar emmers ijskoud water in de verkleumde vingers en een zwabber onder den arm, met een echt zeemansloopje het dek oversjouwde, of boende en schrobde, dat alles wit van ’t schuim zag, kon het zoo in eens gebeuren, dat de schipper achter hem stond en vroeg: „Valt het nogal mee, Peter?”

Dan kreeg Hajo het, ondanks de Decemberkoude, warm onder z’n doorweekt baadje; hij rukte z’n muts af en zei: „Vàst wel, schipper!”

En de groote man knikte goedkeurend.

De bescheiden grijns, die zich dan op Hajo’s gelaat vertoonde, was onbetaalbaar. Z’n oogen tintelden; hij wreef verlegen de polsen tegen z’n broek.

Werken wilde Hajo, maar daarom lustte het hem nog niet, voor alle oomes Hansje-m’n-knecht te spelen! Hij rook het op tien pas afstand, of ze hem bij de kladden wilden nemen; hoe onschuldiger een oome zich voordeed, hoe minder Hajo hem vertrouwde; de oome stak z’n vingers uit en meende Hajo bij z’n broek te hebben, maar Hajo had dit kleedingstuk juist bijtijds in veiligheid gebracht!

Rolf..... dien lieten ze wat meer met rust. Hij was altijd zoo kalm, dat hij ook den ouderen achting afdwong. Ze zeiden hem weleens: „Doe dit of dat!” maar hem, zooals Hajo, ongezouten in zijn nekvel pakken,—daar kwamen ze toch niet toe.

Bolle, de kok, gaf Hajo in het schaftuur Maleische les. Rolf zat er ook bij en schreef alles op. Want Rolf kon schrijven,—een kunst, die onder de janmaats weinig beoefend werd.

„Kijk”, zei Bolle, terwijl hij met toegeknepen oogen de dampende aardappelen omschudde. „Kijk: besie is ijzer, en toekang is..... is man. Nou, wat is nou: smid?”

„Besie toekang!” meende Hajo. „IJzer-man!”

„Nou ben je d’r krek naast!” zei Bolle. „Smid is: toekang besie!” En Bolle had schik, dat Hajo er in was gevlogen. „Verder maar weer! Orang is mensch, en orang-orang is menschen. Je hebt niks anders te doen als het woord tweemaal te zeggen. Stom-eenvoudig. Poehoen is boom! Wat is nou een bosch?”

„Oetan”, zei Rolf.

„Mmm? Drommels ja, dat is waar ook. Ja dat komt: jij schrijft alles op, en ik..... M’n boonen!” riep hij en snelde, in zijn haast een koksjongen omver loopend, naar den grooten ketel, die wat verderop te vuur stond. „Morgen wéér ’n uurtje!” riep hij zijn leerlingen toe. „Zie maar eerst, dat je dat allemaal onthoudt!”

Bolle had reden om niet al te gul te zijn met zijn wijsheid. Want, als alle wijsheid, had ook de zijne haar grenzen.

Hajo besloot reeds den eersten avond aan boord, zich op het vioolspel te werpen. Hij klampte Harmen aan, het muzikale wonder van de Nieuw-Hoorn.

Deze was door het aanzoek gevleid. „Ik zal je het leeren”, zei Harmen, „maar je moet niet denken, dat ’t in knoopslag gaat; je mag blij zijn, als je ’t in een maand behoorlijk kent.”

„Ik zal m’n best doen!” beloofde Hajo.

„Dat schéélt natuurlijk ’n paar zeilen!” gaf Harmen toe.

„Zeg Harmen,” vroeg Hajo, „moet hier geen snaar zitten?”

„Nou ja,” zei Harmen. „D’r hebben d’r drie aan gezeten. Maar die eene piepte zoo; toen heb ik ’m er maar afgetrokken.”

„En wat doe je met die zwarte houtjes?”

„Die zijn om de zaak wat an te taliën. Maar ik wurm er liever niet te veel aan, anders knappen ze me nog, de snaren. Ach, geen mensch weet natuurlijk op een prik, hoe stijf je ze moet aantrekken. Dat doet ieder op zijn manier en al naar ’t uitvalt, hè?” Met zwierig gebaar legde Harmen de viool tegen zijn borst en kraste er op los.

„Mag ik nu eens?” vroeg Hajo met van spanning onzekere stem.

„Als je d’r maar voorzichtig mee bent,” zei Harmen.

Nou, dat was Hajo wel! Hij durfde het wonderlijke doosje nauwelijks aan te vatten. Angstig waagde hij een streek.

„Je leert het vàst”, verzekerde Harmen.

„Zou je denken?”

„Natuurlijk! Als je zoo nu en dan eens een toontje niet weet, sla je dat eenvoudig over, hè? Dat doe ik ook; dat doet iedereen, en geen mensch, die er wat van merkt. Geef hier: ik zal je ’n begrafenis voorspelen.”

„Pràchtig.....!” zuchtte Hajo, toen het uit was.

Dat deed Harmen’s kunstenaarshart goed. „Nou, je gaat je gooi maar”, zei hij gul. „Maar laten de anderen ’t niet hooren, zoolang je ’t niet kent, want ze zouden m’n viool op je kop in stukken slaan, en dan heb ik nog geen nieuwe.”

Hajo koos voor zijn studies een verlaten plekje. Padde was zijn bewonderend toehoorder, en samen zaten ze den ganschen avond bij een affuit, Padde slaperig voor zich uit turend.

„Merakel.....!” zei Padde, wanneer Hajo een onzekere melodie met een gevoelvollen triller had besloten. „Zeg....., Hajo?”

„Mm?”

„M’n moeder moest ons hier eens zien zitten!”

„Ja!” zuchtte Hajo, terwijl hij de viool liet zinken. En zijn oogen dwaalden.....

Ook Rolf besteedde zijn avonden nuttig. Hij had zich met Vader Langjas bevriend en kreeg van dezen de vergunning om wat te bladeren in een paar dikke boeken, welke de barbier in z’n kooi had staan. Het was rustig in Vader Langjas’ kamertje; Rolf las met opeen geklemde lippen en gefronst voorhoofd. Binnen vier-en-twintig uur stond hij dan ook bekend als „de boekenwurm”. Maar intusschen..... ook hierdoor won Rolf aan achting.

Gerrit had een goed leventje! De maats stopten hem van alles toe, zelfs tabak, en bemoeiden zich veel meer met hem dan hij verdiende. Want Gerrit beloonde allen met hooghartige onverschilligheid en liet zich alleen door Hajo streelen.

Gerrit was niet het eenig levend beest aan boord. Lijsken Cocs, een bleek, tenger koksjongetje, met oogen waarin zoo op het eerste gezicht tien pond onschuld lag uitgewogen, had een Genueesch biggetje, een wit diertje met bruine vlekken. Het kon „een reis om de wereld” maken, die hierin bestond, dat het bij z’n meester in den hals kroop en er bij de broekspijp weer uit tuimelde. Om het die reis een weinig te vergemakkelijken, trok Lijsken zijn toch al niet erg omvangrijken buik zoo ver mogelijk in. Het diertje heette Job en had zich de gewoonte eigen gemaakt, om, vóór het z’n bakje eten kreeg, te „bidden”, de voorpootjes tegen elkaar gedrukt, de ronde oogjes gesloten, mummelend met zijn konijnensnuitje.

Job en Gerrit moesten met elkaar kennismaken; dat sprak vanzelf, en het geschiedde in de kombuis. „Ka!” schreeuwde Gerrit, toen hij Job ontwaarde.

Het marmotje zei niets, ging op z’n achterpootjes zitten, snuffelde en gluurde en dribbelde haastig rond—zonder eigenlijk veel uit te voeren.

Gerrit lei z’n kop schuin, loerde met zijn schrandere oogen, wette zijn snavel op den planken vloer, plukte zich forsch in veeren en schreeuwde, overtuigd van eigen voortreffelijkheid: „Ka!”

„Kan ie anders niks?” vroeg Lijsken. „Joppie, kom er eens bij de baas?”

Job kwam ijlings aangedribbeld, klauterde langs Lijsken’s toegestoken arm omhoog, verdween pardoes in ’s meesters kraag. Lijsken zei: „Killekillekie!”, trok zijn buik in, en Job tuimelde op den grond.

Gerrit wipte haastig op zij, uitte zijn verwondering in een vragend uitgesproken: „Ka?!”

Ook Job scheen wat beduisd en scharrelde in een nauw kringetje om Gerrit heen. Deze draaide zichzelf bijkans den hals om,—verloor den zonderlingen toerist geen seconde uit het oog. „We krijgen storm!” verzekerde Lijsken. „Als Joppie krek als een tol in ’t rond draait, gaat ’t stormen. Als ie op z’n rug gaat liggen, komt d’r windstilte.”

„Nou, ik hoop maar, dat er storm komt!” zei Hajo.

Lijsken keek hem met groote oogen aan. „Jij hebt zeker nog nooit een storm meegemaakt!”

„Jij wel?”

„Nou! Ik ben met m’n vader bij de walvischvaart geweest!”

„En waar is je vader nou?”

„Dood. Aan de scheurbuik.” Lijsken’s gelaat nam een ouwe-mannetjes-uitdrukking aan. „Ze zijn thuis nog met z’n vijven. En m’n moeder is niet sterk! ’k Heb ’n broer, maar die is nog te klein. En alles is zoo duur tegenwoordig!” Lijsken begon voor zich heen te fluiten. „Wat zul je d’r aan doen? Hier, hij”—dat was Job—„hij heeft m’n vader nog gekend. Nietwaar, Joppie?”

„Mijn vader is verdronken,” zei Hajo.

Lijsken schudde peinzend het hoofd. „Met z’n hoevelen zijn jullie?”

„M’n moeder, m’n zusjes Antje en Maartje en dan m’n broertje Doris.”

„Hoe oud?”

„Antje is twaalf, Maartje.....”

„Je broer, bedoel ik.”

„Doris is vijf.”

Lijsken floot veelbeteekenend. „Te jong, hè?”

„Te jong??”

„Om te verdienen. ’t Is lam, hoor, voor je moeder.”

Toen veranderde plotseling de uitdrukking op zijn gelaat. „Weet je wat óók beroerd is? Als je ’n puist op je zitvlak hebt, en je moet paard rijje!” En grinnekend pakte Lijsken zijn viervoetig lotgenootje op. „Kom jij maar bij de baas, Joppie!”

Op oudejaarsmorgen zeilde de Nieuw-Hoorn Pleimuiden voorbij. Padde zag het, met weemoedige gedachten vervuld, weer achter den gezichtseinder wegzinken. Hij was zoo in zijn overpeinzingen verdiept, dat hij er niets van merkte, hoe een paar janmaats naderden, op Padde wezen en tot elkaar zeiden: „Zullen we hèm nemen? Lijsken is wat te mager.”

En pats! daar hadden ze Padde bij z’n kraag.

„Laat me los!” schreeuwde de arme jongen. „Ik ben botteliersmaat!”

„Daar zullen we je niet om vermoorden,” zeiden de maats. „Kom maar eens netjes mee.”

Padde werd naar het vooronder gesleept, waar de oomes hem in een kleurige, met papieren bloemen beplakte japon heschen en hem een pruik opzetten van geel vlas, waaronder een krans vergeetmenietjes was gevlochten.

„Wat moet dat!” jammerde Padde.

„Je bent het nieuwe jaar,” zeide de oomes. „En de bootsman zal het ouwe jaar zijn. Wees maar blij toe: we krijgen spekpannekoek en warme bollen.”

Warme bollen.....! Padde begon er iets van te begrijpen.

„Loop eens ’n paar passen,” bevalen de oomes. „En kleine stappen, want je bent een meisje. We zullen je vanavond wel zeggen, als je voor den dag moet komen. En dan maar knikken en lachen,—drommels, we moeten je nog met meel insmeren! En dan strooi je maar blommetjes rond; in die mand bennen d’r zat; die moet je over je arm nemen. Ziezoo, en dan zeg je maar..... moet ie wat zeggen?—Wacht daar loopt Harmen juist.....—Harmen! Een versie voor ’t nieuwe jaar!”

„Wacht maar even,” zei Harmen. En na eenig nadenken begon hij, terwijl de oomes vol bewondering het hoofd schudden:

„Het nieuwe jaar is daar En wenscht u altegaar Een voorspoedig jaar! Het schip van Willem IJsbrantsz. Bontekoe Gaat..... gaat.....”

„Gaat naar Oostinje toe!” viel een der maats in. „Dat rijmt! Gaat naar Oostinje toe!”

„’t Rijmt wel,” zei Harmen, „maar ’t is geen nieuwtje! We weten allemaal wel, dat de Nieuw-Hoorn naar Oostinje gaat. Je moet in een versje wat zeggen, dat iedereen weet, en waar ze toch verbaasd van staan te kijken. Wacht, ik heb al wat!” En Harmen dichtte:

„Het schip van Willem Bontekoe Gaat zonder scha naar Oostinje toe! Met rijkdom, peper en geluk belaan Komen we weer in Texel aan!”

„’t Is mooi!” verklaarden de oomes. „Vooruit, zeg het na, aap van ’n jongen!”

„Ik..... ik ken er geen woord meer van”, bekende Padde.

„Luister dan, rekel! Zeg ’t hem nog eens even voor, Harmen?”

„Als ik ’t zelf nog maar zoo op ’n prik ken.....” weifelde de nieuwjaarsdichter.

„Nou, dan maak je maar weer ’n ander vers”, zeiden de oomes. „Laat de boekenwurm het opschrijven, dan staat ’t op pampier. Wee je gebeente, als je ’t vanavond niet kent! En lachen, begrepen?”

„Jawel.”

„Jawel: wàt?!”

„Jawel, meneer.....”

De oomes begonnen te grinniken.

„Je bent zoo groen als gras,” stelde Harmen vast. „Kom, trek die soepjurk maar uit, dan gaan we de boekenwurm opzoeken.”

En grimmig liet de arme Padde zich meevoeren.

Het heele schip was in rep en roer. Lampions en slingers prijkten in de kajuit en het vooronder; een vleeschpot werd met zorg van binnen en van buiten verguld: hij moest als koets dienen, wanneer het nieuwe jaar straks door vier janmaats zou worden aangesleept.

Er was verschil van meening over de vraag of er vijf dan wel tien warme bollen per man zouden worden verstrekt; de kok zweeg er over als het graf, en de koksmaats likten zich het pannekoekbeslag van de vingers.

Padde zwoer bij hoog en laag, dat hij een groote taart had gezien, zwart van de krenten! En Harmen fluisterde, dat er na het eten krieken op brandewijn en trommelkoek zouden worden rondgediend. Alsjeblief, dat was maar eventjes alles!

De bootsman vergat dien dag, het om de ooren der scheepsjongens te laten donderen en bliksemen, zóó nam de drukte hem in beslag. Kwaje tongen beweerden, dat hij wat van streek was, omdat hij ’s avonds een toespraak moest houden, en Hajo was stomverbaasd, den gevreesden bootsman „verekskuus!” te hooren stamelen, toen hij hem in de haast pal tegen den buik rende. Hij had op een draai om z’n ooren gerekend.

Het eten overtrof alle verwachtingen. Eerst boonen met spek en een kan schuimend bier, toen rijstebrei met een schep basterdsuiker er over, en ten slotte werd onder groot tumult de taart van Padde binnengedragen, met brandewijn begoten en door den bootsman aangestoken; de vlammen sloegen haast tegen de zoldering. Hajo en Padde hadden zoo iets nooit gezien; de laatste stond doodsangsten uit, dat de taart heelemaal zou opbranden, en een paar oomes morden, dat ’t zonde was, den brandewijn op die manier de wereld uit te helpen.

Maar de taart smaakte best, en toen de schipper met koopman Rol eens even in het vooronder kwam kijken, of de mannen niet teleurgesteld waren, nam het hoera-gebrul geen einde.

De avond bracht nieuwe verrassingen. Harmen van Kniphuyzen, zwart als een Moriaan, kwam binnen, gevolgd door zwartjes met groote zakken, waaruit ze oliebollen rondstrooiden. Er waren er bij met zout gevuld; dat gaf aanleiding tot spuwen, mopperen en klappen uitdeelen. En de Morianen ruimden niet zonder blauwe plekken het veld.

Toen werd voor de deur van het vooronder een kanon opgesteld, geladen en..... met een plof ging het schot af. Allen waren achter banken en kooien weggekropen, maar haastten zich nu—een enkele zelfs wat bleek om den neus!—om naar de suikerboonen te grabbelen, waarmee de kanonloop tot de monding gevuld was geweest.

Padde kreeg dien avond geen slaap. Telkens wanneer in den fok de glazen werden afgeteld, kromp hij even ineen, en toen het elf uur was, spoedde hij zich naar de plaats waar hij zich verkleeden moest.

Berentsz. stond in Oudejaarskleedij en studeerde met Harmen, die nog duidelijk sporen van z’n Moriaanschap vertoonde, zijn toespraak in. „Eindelijk!” schold de bootsman, wien het zweet van de slapen gutste. „Haal als de drommel de kerels, die m’n sleep moeten dragen!—Dus: de Hollandsche vlag zal..... zal wapperen van..... van.....”

„De transen van het nieuw verworven rijk,” zei Harmen voor.

„Wat zijn dat: transen?”

„Weet ik ook niet,” bekende Harmen. „Maar in elk behoorlijk vers komt het voor.”

„Zul je me helpen, Harmen, als ik niet verder kan?” smeekte Donder en Bliksem, deemoedig als een getemde leeuw.

„’k Sta ommers geen twee pas van je af, bootsman!”

Ja-ja, ’t was me een opwinding, dien oudejaarsavond!

Om kwart voor twaalven werden de maats op het dek gecommandeerd en aan weerszijden opgesteld, zoodat er een vrije gang in het midden bleef. Die gang voerde naar een tegen het achterhuis gebouwde verhevenheid, waarop vier met guirlandes versierde stoelen stonden. Het was lekker koud; de maats sloegen den kraag van hun „duffelsche” op, staken de polsen in de zakken weg en bliezen en trappelden om warm te blijven.

Er hingen nu brandende lampions in de ra’s, en het bontgekleurde licht danste over de gebruinde koppen en verlichtte de zeilen van onder-op, die rood, blauw en oranje getint tegen den donkeren hemel afstaken. ’t Was dekselsch mooi.

Daar kwamen de schipper, de koopman en de stuurman Jan Piet van Hoorn de kajuit uit.

„Stilte!” gebood Vader Langjas.

Ineens hoorde je niets dan het klotsen der golven en het zuchten van den wind. Rechtop stonden de kerels; tweehonderd gespierde knuisten rukten een muts omlaag.

Dat beviel Bontekoe. Terwijl de beide andere heeren met strakken ernst plaats namen, verscheen op ’s schippers gelaat een breede, jongensachtige glimlach; hij knikte even, alsof hij zeggen wilde: „Goed zoo!”

Zie je, dat ging den oomes in ’t hart. Dat was het waarom ze hun schipper zoo dekselsch graag mochten lijden! Bij dien goedkeurenden glimlach strekten de halzen zich nog meer, en de mondhoeken vertrokken zich nog forscher. Schipper Bontekoe? Een puik schipper!

Er werd onder de maats gemompeld, gelachen en „Sssst! Daar Komt-ie!” geroepen. En zie: daar verscheen achter de kombuis een eerbiedwaardig grijsaard. Een lange, witte mantel met gouden sterren hing van zijn schouders en werd door vier sleepdragers opgehouden. De grijsaard schreed met z’n gevolg tusschen de vroolijke maats door, maakte een diepe buiging voor de heeren, die van hun zetels opstonden en terugbogen, leunde moeizaam op zijn staf en begon met eenigszins onvaste stem: „Schipper..... hm!”

„Sscht! Stilte!”

„Schipper, ik ben..... hm! het oude jaar, en ik ben..... ik ben hier gekomen om..... hm! om afscheid van je te nemen, van jou en van de koopman en van de opperstuur en van al de brave jongegezellen en huisvaders, die..... hm! die het vaderland, d’rlui vrouwen en d’rlui kinders hebben vaarwel gezegd om..... hm! om de vlag van de Oostinjische Compagnie te laten..... te laten wapperen van de..... van de.....”

„Van de transen.....” vulde de voorste sleepdrager zachtjes aan.

„Van de transen van het nieuwverworven rijk! Waarmee ik maar zeggen wil, dat..... dat ik mag lije, schipper, dat jij en wij allemaal een puike reis zullen hebben; dat de Nieuw-Hoorn met..... met rijke buit belaje weer in het vaderland mag terugkeeren, schipper, bij vrouw en kinders. En dat het nieuwe jaar jou, schipper en ons allemaal en ook de koopman en ook de opperstuur, die..... die aan je zijde zitten, voorspoed mag brengen, en dat, om ’t nou maar eens voor de vuist weg te zeggen, schipper, dat we in ’t nieuwe jaar geen ouwe koeien meer uit de sloot moeten halen en niet lamenteeren over wat er dit jaar verkeerd is gebeurd; dat we wat voor mekaar over moeten hebben; dat we niet bang moeten zijn, de handen uit te steken als ’t noodig is; dat we alle herrie vergeten en vergeven moeten; dat we kerels van stavast moeten zijn, van één zin en één hart! Zie je, schipper, dat wensch ik!”

„Zoo hoor ik je graag spreken, vadertje,” zei Bontekoe. Hij kwam op den grijsaard toe en drukte hem de hand. „Mag ik je uit naam van de heele bemanning bedanken?”

„Dat mag je, schipper!” zei het Ouwejaar. „Waarachtig, dat mag je!” En hij begon te snuiven.

De schipper leidde hem op de verhevenheid en bood hem de plaats aan zijn rechterzijde aan. De vier sleepdragers verdwenen met den looppas.

„Vooruit, de kuip in!” beval Harmen Padde, die achter de kombuis in vol ornaat te wachten stond. „Wat?! Sta je te grienen?!”

„Harmen!” snikte Padde. „Ik heb alles gehoord wat..... wat de bootsman zei!” En hij begon met zijn bebloemde mouw z’n gezicht te bewerken.

„Je ziet er uit als een beest!” riep Harmen ontzet uit. „Lieve help, ben je zoo’n spons? Hier met je gezicht!” En Harmen smeerde er een vingerdik meel op. „Als we stilhouden, stap je uit en zegt m’n vers op! Vergeet het strooien niet en denk er om: lachen!”

En Padde werd vrij onzacht in de kuip geduwd.

„Kunnen we trekken?” vroegen de anderen.

„Wachten tot ze gaan schieten!” beval Harmen.

Padde werd bleek om z’n neus. „Gaan ze schieten?!”

„Alle kanonnen! Zoodra ’t twaalf uur slaat. Ter eere van ’t nieuwe jaar.”

„Ter eere van mij.....?!”

Daar sloeg het al in den fok. Een-twee-drie-vier-vijf-zes.....

Padde stopte de ooren toe.

Boem! Het schip dreunde. Boem! Boem! Boem!

„Méé!” schreeuwde Harmen. En tegen Padde: „Vooruit! Strooien en lachen!” En met z’n vieren sleepten ze de vergulde vleeschkuip, met Padde er in, tusschen de maats door, die het nieuwe jaar met hoera-gebrul begroetten.

En Padde strooide. Het lachen lukte maar half. Voor den troon, waarop de schipper, het ouwejaar en „de heeren” zaten, hield zijn zegewagen stil. Padde krabbelde uit de diepe kuip.

„Sscht!” werd er geroepen. „Hij mot een versie zeggen!”

Padde keek schuchter om; Harmen gaf hem een duwtje. „Schipper.....!” begon Padde, en zijn mond begon te trillen, „schipper.....!”

„Ik ben het nieuwe jaar!” fluisterde Harmen grimmig.

„Ik ben..... ik heb..... ik heb daareven alles gehoord wat de bootsman zei, schipper, en.....!”

Toen redde Harmen den hopeloozen toestand. Hij sprong naast Padde, greep zijn hand en begon:

„Wij zijn het nieuwe jaar! We brengen niets als voorspoed maar! We zullen je naar Oostinje leiden, De compagnie met winst verblijden! De mannen, nimmer lui of moe, Roepen.....”

Hij wendde zich tot de maats, zwaaide met den blooten onderarm, die nog pikzwart was van zijn Moriaan-schap, en uit aller mond daverde het: „Leve schipper Bontekoe!”

De oorlam werd binnengebracht. Voor de heeren en voor het Ouwejaar was er wijn; de jongens mochten zeewater drinken,—zooveel ze maar wilden.

„Mannen!” zei Bontekoe, „ik ledig dit glas op jullie aller welzijn! Ik weet, dat jullie allen hier door hetzelfde voornemen bezield bent als ik: de Nieuw-Hoorn behouden naar Oostinje en weer naar huis te brengen!”

„Ja! Leve de schipper! Leve Bontekoe! Leve de Nieuw-Hoorn!”

„Zingen!” riep het Ouwejaar.

„Ja! Zingen! Leve de bootsman!”

En zwaar en diep, alsof het opsteeg van den bodem der zee, klonk het mooie, oude Wilhelmus. De oogen der mannen glinsterden. Een groot gevoel welde uit hun harten op.

„Den Vaderlandt gethrouwe, blijf ick tot in den doet.....”

En toen verdween Bontekoe met het Ouwejaar onder luid gejuich in de kajuit, en de oomes spoedden zich naar het warme vooronder.

Hier duurde de pret nog lang na. Harmen kwam met z’n fiedel op de proppen; de oomes zongen en zwetsten en sloegen met de vuist op tafel.

„’t Zal een voorspoedige reis worden!” verzekerden ze elkaar.

Het zal een voorspoedige reis worden.....

Zoo dachten ze allemaal.

STORM

Den eersten Januari 1619 passeerde de Nieuw-Hoorn den Zuid-Westhoek van Engeland; de wind was Oost; de koers werd Zuid-West ten Zuiden gesteld.

„’t Lijkt wel of de wind draait”, zei Hajo tot Rolf, terwijl ze samen op het eindje van een ra zaten.

„Hij loopt naar ’t Zuiden”, stelde Rolf vast. „Geef dat strengetje eens?”

„Daar. Help je mij even trekken?—Zeg, ’t is ook net of de wind sterker wordt.”

„Dat lijkt zoo, omdat we hoog zitten”, meende Rolf.

Maar Hajo vergiste zich niet. De wind nam toe en flink ook. Eerst wist hij zelf niet, waar hij zich zou huisvesten, blies dan voor, dan achter; je kon er geen zeil naar stellen. Maar tegen den middag nam hij een besluit: hij nestelde zich in het Zuiden en bleef daar zitten. De Nieuw-Hoorn ging stampen als een paard, dompelde snuivend den kop in de baren. Padde werd akelig bleek.

„Ben je niet lekker?” vroeg Harmen hem meewarig. „Ja, de eerste keer ruw weer.....! Vraag de bootsman maar ’ns waar het zeeziekvrije plekkie is.”

„Het zeeziekvrije plekje??”

„Weet je dat niet? Elk schip heeft ’n zeeziekvrij plekkie! Als de bootsman niet weet waar ’t is, loop dan maar even bij de schipper aan. Die moet ’t weten, hè?”

Padde besloot te gaan zoeken. Maar voor hij den bootsman lastig viel, klampte hij eerst op goed geluk den Neus aan.

„’t Zeeziekvrije plekkie? Wel sapperloot, dan heb je niets anders te doen als hier en daar ’ns op je rug te gaan liggen. En dan kijk je naar je voeten. Gaan die op en neer, dan ben je verkeerd. Maar als ’t schip beweegt, en je voeten liggen stil, dan heb je ’t goeie plekkie te pakken.”

Padde was dankbaar voor den nieuw verworven raad, en overal waar hij zonder gevaar van uitgelachen te worden proefnemingen kon doen, strekte hij zich neer.

„Wat is dat? Ben je dood?” riep een stem.

Padde krabbelde, zoo snel zijn loodzware beenen het veroorloofden, overeind, en zag in de vriendelijke oogen van Floorke, wiens rond gelaat met sproeten was bezaaid en onder wiens muts harde, vuurroode haarstoppels te voorschijn sprongen.

„Ik zoek wat”, zei Padde onhandig.

„En ga je dan op je rug liggen??”

„Och,” was Padde’s alleronverschilligst antwoord, „ik zoek zoo voor de aardigh-h-heid eens naar het zeeziekvrije plekje.”

Er tintelde iets in Floorke’s oogen. „Als je ’t noodig hebt, loop dan maar even bij me an; dan zal ik je wel vertellen waar het zeeziekvrije plekkie is.”

„Zeg op!”

„Waarom? Je bent nou toch nog niet zeeziek?”

Padde lachte hartelijk. „St-t-tel je voor! Maar ik wil ’t toch wel w-weten.”

„Nou, als je d’r op stáát! Klim dan maar ’ns in de groote mast. De bovenste ra moet je in.”

„Dat lieg je toch?”

„Liegen??? Ga zelf nou ’ns na: waar komt de beweging vandaan? Van ’t water en de golven, nietwaar? Nou, waar heb je er dan de minste last van? Zoo ver mogelijk van ’t water af. En waar is dat? In ’t topje van de groote mast!”

Daar viel niet veel tegen in te brengen. Padde ging naar den grooten mast en zette een voet in het want. Maar toen hij voelde, hoe het schudde en trilde, en toen hij zag, hoe het winpeltje daar heel in de hoogte heen en weer zwiepte, verklaarde hij, dat Floorke de gemeenste leugenaar was, dien hij ooit had ontmoet, en dat Padde Kelemeijn er waarachtig de vent niet naar was, om zich voor het lapje te laten houden!

Verdrietig gestemd, dat hij de wereld zoo vol leugen en bedrog vond, liep hij Hajo tegen het lijf.

„’t Zal wel op storm uitdraaien!” meende deze gewichtig.

„Zeg, Hajo.....” Padde sloot even de oogen, „als ik ’ns wat uit het fleschje..... wat gaat die schuit te keer!..... uit ’t fleschje van Grietje dronk? Schaadt ’t niet, ’t baat ook niet.”

„Heb je daar trek in?” vroeg Hajo, weifelend.

„T-trek! ’t Is g-geen snoepgoed!”

„Vooruit dan maar. ’t Zit onder in m’n kist.”

„Mispoes!” zei Padde. En met een zwakke poging om zegevierend te kijken, haalde hij het fleschje uit zijn zak. „Ik dacht: je kunt nooit weten! Brrr..... wat gaat dat schip.....!” En Padde hield zich vast aan een onderzeil; zijn knieën knikten. „Maak je ’t even open, Hajo?”

Ook deze voelde iets van onpasselijkheid in zich opkomen, toen hij den olie-achtigen inhoud van het fleschje zag. Met afgewend gelaat ontkurkte hij het.

Padde scheen inderdaad weinig „trek” te hebben. Hij moest al zijn moed bijeentrommelen en neus en oogen dichtknijpen, vóór hij een klokje in zijn mond goot.

„Voel je je nou beter?” vroeg Hajo.

„Veel b-b-beter,” verzekerde Padde.

„Neem nog wat”, raadde Hajo aan.

Padde begon te kokhalzen.

Toen nam Hajo een kordaat besluit: hij slingerde het fleschje overboord.

„D-doodzonde,” jammerde Padde.

Den vierden Januari liep de wind naar het Zuid-Westen om en werd zoo hevig, dat de marszeilen moesten worden ingenomen. In den nacht bleek het noodzakelijk, ook de fok in te nemen. Het schip liep Westwaarts over, met één zeil.

Padde viel op het dek niet meer te bespeuren: de Schele had hem bij zich genomen en vertroetelde hem als een zuigeling. Hajo was ook niet vrij meer van zeeziekte. Rolf scheen er nog weinig last van te hebben. Hij steunde Hajo vaak, wanneer ze samen het want werden ingestuurd, en liep daardoor zelf honderdmaal gevaar, uit het hevig slingerende touwwerk te vallen.

Tegen den avond van den volgenden dag barstte de storm los. Job had goed gezien.

De golven ramden met donderend geweld de krakende scheepswanden; wolken kokend schuim stoven tot over de hoogste ra’s. Het woelde en bruiste in de donkere watermassa; duivelsche machten spookten op den bodem der zee en schopten de Nieuw-Hoorn heen en weer.

Met holle, wijd open oogen lagen onze vrienden dien nacht en luisterden..... luisterden.....!

De lantaren in de slaapplaats van het volk slingerde angstwekkend heen en weer en wierp grillige, levende schaduwen door het vertrek. Slechts enkele mannen konden in slaap komen; de meesten lagen wakker; sommigen kreunden in benauwde droomen.

De Nieuw-Hoorn werd hoog in de lucht geheven, sidderde in al haar voegen en tuimelde de diepte weer in.

„Bê-ja! Ga daar maar liggen!” trachtte een maat boven het oorverdoovend gekraak uit te schreeuwen.

Hajo sloot de oogen, drukte de armen stijf tegen de wanden van zijn nauwe krib. Jongens, wat zwaaide die lamp! Door zijn dichte oogleden heen zag hij het licht als razend heen en weer vliegen. Een-twee, een-twee, hopsasa!—Als de Nieuw-Hoorn eens verging?! Als de golven..... hoor ze mokeren! ’t Leek de smederij van Wouter wel!..... Als de golven het schip eens uiteenrukten en brullend..... hoor! hoor toch eens aan!..... en brullend hun buit verdeelden als jongens een zak knikkers? Hier, golf, daar heb jij een kist; weg er mee! Jij neemt die kerel voor je rekening, jij die mast, jij die scheepsjongen; golf, loop niet te nietsdoen, pak de bootsman bij z’n vodden.....!—Als ze eens met z’n tweehonderd met Gerrit en de schipper en de kist van baas Wouter werden opgenomen in de kille, zilte armen der zee en rondtolden in de zwarte diepten vol geheimen, waar zeegedrochten hen aanloerden met felle, groene oogen en dan bliksemsnel toeschoten, den afschuwelijken muil openden.....! Hoor het kraken der beenderen.....! Het water drong hem in neus en mond en..... Moeder! Moedertje! O, God.....!!

Hajo veegde zich het zweet van de slapen. Angst en opwinding maakten koortsig.

Rolf sprong overeind. „Ik ga buiten eens kijken!” riep hij zijn makker toe. Hij werd van de eene kooi naar de andere gesmeten, klemde zich aan alles vast om niet te vallen.

„Zeg de zee gedag van me!” schreeuwde Harmen hem toe. Ergens schoot er een in een lach, die onwelluidend door het rumoer heenklonk.

Rolf kwam weer terug, tot op het hemd doorweekt. Doodmoe plofte hij neer.

„Wat is ’t voor weertje?” vroeg Harmen, schreeuwend om zijn geestigheid te doen verstaan.

Een dreinende, schorre stem begon te brullen:

„En als de maat ’n schipper heeft, Een oorlam en een lief, Dan lacht de maat, dan zingt de maat, Dan kent de maat geen grief! Van troeladiee, van troeladia.....”

In eens.....! met een kreet sprongen de kerels overeind.... een donderslag.....! de deur van het vooronder werd versplinterd; door het weggeslagen paneel perste zich het water en spoot knallend tegen den voorwand van het volks-logies. Vlak er op, vóór men wist wat er aan den hand was, werd de deur geheel opengerukt; de bootsman stormde met een waggelende lantaren naar binnen, tot aan zijn knieën wadend in het water. „Alle hens aan dek!”

„Hulp! Meer hulp!” klonk een vage roep van buiten.

Toen kon men merken, dat de mannen van de Nieuw-Hoorn er wezen mochten: ze sprongen overeind, stonden schrap op hun beenen, dat er, voor den duivel, geen wrikken aan was! Ze trokken met een ruk hun broek op, haalden den riem aan, een-twee! en renden achter de zwaaiende lantaren van den bootsman aan naar buiten.

Laat komen wat komen wil! Hier staan tweehonderd mannetjesputters, niet bang voor den duivel en z’n moer!

Daarbuiten een chaos van lichamen in den zwarten nacht. Proesten en snuiven, een wild klappend zeil, zwiepende stengen, gekraak, geknars, schreeuwende stemmen door het loeien van den storm heen: „We zinken! De boegpoorten staan open!!!”

Van het achterdek naderen ijlings zwarte gestalten met een licht, dat plotseling uitdooft. Een paar worden er over het dek geveegd en tegen de verschansing gekwakt.

Ineens: schipper Bontekoe!

„Schipper!! Het ruim loopt vol! De boegpoorten zijn ingeslagen!!”

„Wat drommel, dan spijker je ze weer dicht! Berentsz!”

„Schipper!”

„Met twintig man naar het ruim!”

Weg was Berentsz, een paar dozijn mannen op de hielen.

„Schipper! Het vooronder staat vol water!”

„Haal de putsen dan op!”

Van alle kanten werden de emmers aangesleept. Maar vóór de kerels aan het baliën sloegen, vermorzelden ze met koevoeten de scheepskisten, die in het vooronder heen en weer dansten en hun de schenen stuksloegen. Toen werd een dubbele rij gevormd; de putsen gingen van man tot man. Een enkele keer sloegen de maats door het stampen en zwaaien met puts en al tegen den grond; als katten krabbelden ze weer overeind, en een half uur later was het vooronder droog. Toen kwamen de mannen, die in het ruim waren gestuurd, ook weer boven: de boegpoorten waren verzekerd. Ze hadden er dubbele deuren over gespijkerd.

Alle zeilen waren ingenomen, maar nu tolde het schip zoo, dat de heele boel aan flarden dreigde te gaan. Twintig kerels zetten, de tanden opeengeklemd, het zeil weer bij. Dat stutte het slingeren wat.

Flauw van afmatting ploften de mannen in hun vochtige kooien neer.

De storm joeg een ijskouden regen voor zich uit, die kletterend tegen het dek sloeg, de grens tusschen zee en lucht uitwischte.

Het schip koerste Westwaarts.

In het Oosten schemerde een trieste morgen door het regengordijn.

De storm woedde. Dag na dag. Met roodgezwollen neus en oogen liepen de maats rond. Al hun kleeren waren doorweekt; de regen wisselde af met scherpen hagel, die vinnig de huid striemde.

Drie dagen na de nachtelijke paniek streken groote vluchten meeuwen over het schip, worstelend tegen den storm. Bij troepen kwakten ze, ten doode vermoeid, tegen het want, tuimelden met lamgeslagen vleugels op het dek. Men vermoedde de nabijheid van land, maar kon door golven, regen en wolken schuim geen twintig ellen voor zich uit zien.

Het zeil werd omgegooid; men helde Oostwaarts over. De storm bleef in denzelfden hoek zitten, rukte woedend aan masten en zeilen. En als een bende hongerige wolven vielen de golven over het schip heen. Ze hijgden en sidderden van vernielzucht; de vlokken schuim vlogen hun van het natte lichaam; ze rolden over elkaar heen en betwistten elkaar den buit, ze beukten, kletsten, kermden en huilden.....

Vier dagen later, in den namiddag van den twaalfden Januari, behaalde de storm een overwinning. Het was een seconde lang stil geweest; toen volgde een windstoot, die als een kanonschot tegen den boeg knalde; het volk in het vooronder sprong overeind en luisterde.....! Een doordringend gekraak; weer een seconde lang stilte, en de storm raasde voort.

De maats snelden naar buiten, liepen elkaar haast omver.

„De groote mast ligt om!!!”

De breuk bevond zich op vijf vadem boven het dek. De schipper stond er bij, een schaar janmaats om hem heen, gereed elk bevel op te volgen.

„Laat de steng zakken!” riep Bontekoe.

Als eekhoorns vlogen de kerels het nu slaphangende want in, klemden zich vast met voeten en tanden, de oogen dichtgeknepen tegen den regen. Met hun verstijfde vingers werkten ze de steng los, lieten haar door het marsgat zakken. „Hou vast, mannen!”

De zware steng gleed omlaag. Zou de mast nog blijven staan?

In groote spanning zagen de mannen beneden naar het werk, dat hun makkers daarboven verrichtten in den zwiependen, draaienden, krakenden mast. Een diepe zucht: de steng zakte. „Houdt! Houdt de steng!!”

Men liet het ondereind door het dek schieten; met touwen werd de steng tegen de mastbreuk gewoeld. Voorloopig was het gevaar geweken.

„Pah!” zei de storm en rukte nijdig. Maar de mast hield stand.

Hajo was door zijn zeeziekte heen. Ook zijn angst was verdwenen. Het ging nu al zoo lang goed..... Als een echte pikbroek liep hij op het hevig slingerende schip rond; zijn beenen gingen al aardig rond staan; hij voelde zich trotsch en manlijk, omgeven door het gevaar; hij spuwde het zout uit zijn rauwe keel en snoof en niesde.

Rolf liet zich door het weer niet meer beletten zijn studies voort te zetten.

Op een goeien dag gaf de storm het op. Een paar stuiptrekkingen, een diepe, diepe zucht, en onmachtig viel hij neer. Het water kalmeerde niet zoo gauw.

Maar allengs verloren de golven toch hun vernielende kracht, en den twintigsten Januari was het mooi, stil weer. ’t Werd ook minder koud: men voelde het Zuiden al.

Een heerlijke rust daalde op de Nieuw-Hoorn neer. Zingend hingen de oomes hun natte plunje te drogen. De handen in de zakken keken ze ’ns naar de blauwe lucht en stelden vast, dat het er wel naar uitzag, of het weertje nog ’n daggie zoo blijven zou. Ze rookten, lachten en spuwden weer; hun levenskracht was niet geschokt.

In een stevig dichtgesjord houten doosje werd een lijkje aan den schoot der golven toevertrouwd. Met ongeoefende hand stond er op geschilderd:

Joppie † 19 fan Loumaant 1619 Hij het sin eige Doot voorspelt En is gestorfe as een Helt

Lijsken Cocs stond er bij te grienen.

PADDE LEERT BUIKSPREKEN

Er was werk genoeg aan den winkel! Het heele schip lag overhoop; overal zwierven stukken touw en lappen gescheurd zeil; het zout had zich ingevreten in koper- en ijzerwerk.

De maats werkten als leeuwen om alles weer op orde te brengen. Ze poetsten, olieden en schrobden, dat het een aard had, en trachtten hun stukgeslagen kisten weer fatsoen te geven. Het was een gehamer en geklop van belang. Maar alles ging vol goeden moed, en de oomes zongen er een liedeke bij.

Eerst nu leerden de jongens, wat werken was! De viool en de boeken schoten er bij in.

Men maakte van het gunstige weer gebruik om den grooten mast nog meer te versterken. De schipper leidde zelf het werk. „De mast heeft ’t koud!” zeiden de maats. „Hij heeft er zijn duffelsche bij aangetrokken!” En ze wezen op de driedubbele touwlaag, die om de mastbreuk was gewoeld. Het want werd getalied, tot het weer zat „als een muur”. De schipper liet het groote marszeil uit den mast halen en het in de plaats van het grootzeil stellen. Waar vroeger de groote steng gezeten had, zette men nu de bramsteng op en voerde er het bramzeil aan. Dank zij die maatregelen en een voorspoedigen Zuid-Oostenwind, kon de Nieuw-Hoorn weer vrij snel varen. De koers werd gesteld op de Canarische eilanden,—Zuidwest ten Zuiden.

Hajo had met Hilke voor dezen morgen een afspraak getroffen betreffende de levering van een anker op zijn bovenarm.

Want na lang weifelen was tot een anker besloten.

„Nou”, zei Hilke, toen ze het zich in het vooronder gemakkelijk hadden gemaakt, „stroop nou maar ’ns netjes je mouw op. Dan zullen we in een, twee tellen een fijn ankertje in je arm prikken! ’t Is zonde en jammer, dat je ’t op je bovenarm wil hebben. Afijn, daar ben je een Friesche dwarskop voor.” En terwijl hij aan het prikken sloeg, vroeg hij: „Weet je wel wat het beteekent?”

„Een anker? Nou, je legt er een schip mee vast.”

„Dat weet m’n neus ook. Ik zal het je maar zeggen: een anker beteekent: hoop.”

„Hoop?? Hoop op wat?”

„Nou, op wat maar. Dat je goed in Oostinje mag komen, en dat ’t schip niet vergaat.”

„En komt het uit?”

„Wat bedoel je?”

„Nou, als je nou zoo’n anker op je..... au!—nee, ’t was niks, hoor!—op je arm laat prikken, en je denkt er bij: ik hoop dit, of ik hoop dat..... komt ’t dan uit wat je hoopt?”

„De een zegt van wel, en de ander zegt van niet. Maar kwaad kan ’t nooit. En ’t staat goed, hè? De meisjes zien het graag. Ze zijn er gek op. De linker is ’t mooist, vind je niet?”

„Ja! De linker is..... au!..... is prachtig.”

„Ik zal je nog eens wat veel mooiers laten kijken”, zei Hilke. Hij trok zijn hemd open en liet een meisjeskopje zien, dat op zijn borst prijkte. Hilke’s borst was stevig behaard, maar het schilderij behoorlijk schoon geschoren. „Zie je? Da’s met twee kleuren! ’t Gezicht rood en de oogen blauw. ’t Was moeilijk, hoor! En ik moet doorloopend met ’t mes er overheen, om ’t schoon te houden. Vind je, dat het op Sijtje lijkt? De neus is ’t sprekend; zeg nou zelf!”

„Ja, de neus wel!”

„En dan te denken, dat m’n vorige meisje er heelemaal niet op leek! En ’t moest juist haar portret zijn. Hou je arm goed stil, dan zijn we in een wip Maar.”

Een uur later prijkte het hoopvolle symbool in twee kleuren op Hajo’s bovenarm. Het anker was blauw, en er kronkelde zich in helder rood een endje touw omheen.

Glimmend van trots en voldoening bezag Hajo het kunstwerk.

„Ziezoo!” zei Hilke, tevreden over zijn werk. „Zeg nou eens eerlijk: heeft het pijn gedaan?”

„’k Heb niets gevoeld, hoor! En ik dank je wel!”

„Leuter niet,” weerde Hilke af. „En tegen de tijd, dat je..... afijn, als je nog eens ’n paar harten op je arm wilt hebben..... altijd graag van dienst, hoor!”

Reeds vroeg in den volgenden morgen—de oomes lagen nog achterover in hun kooien hun sokken aan te trekken—stormde Harmen opgewonden het vooronder binnen.

„Mannen! Een zeil in ’t zicht!”

Dat sloeg in. De kerels sprongen overeind, renden op bloote voeten en in onderbroeken naar het dek. In twee tellen was het vooronder uitgestorven.

Slechts één neus stak nog ergens boven de dekens uit. Het was die van Padde. Met versufte oogen lag de arme jongen in zijn kooi. „Een zeil in ’t zicht.....! Zou hij nu naar huis kunnen gaan?!” Padde huiverde van spanning. „Naar huis.....! Zou zijn moeder boos zijn? Zou ze naar hem verlangen? Of zou ze blij zijn, dat ze hem..... hm! dat ze hem kwijt was?”—Dàt geloofde Padde niet! Hij durfde gerust teruggaan. Maar..... Hajo verlaten! Hajo aan vraatzuchtige kannibalen overleveren?—Het ging niet.

Zou Indië nog ver zijn? ’t Kon haast niet: ze waren nu al zoo lang op weg. Als hij eens meeging—tot Oostinje—en dan dadelijk terugkeerde? Als hij de heele reis meemaakte, zou hij een aardig zakduitje naar huis brengen! Dan zou zijn moeder vàst blij zijn, als ze hem terugzag. En z’n oom zou zoo’n flinke kerel graag in de brouwerij nemen! Hij zou Padde smeeken om bij hem te komen: Padde, een jongen als jij, de brouwerij kermt er om!

Ook de schipper zou hem niet graag missen, dat had Padde wel gemerkt!

Hajo kwam binnensnellen. „Padde! Kom toch kijken! Een schip!”

„Ja, dat zul jij wel lollig vinden!” zei Padde bitter.

„Ja! Da’s leuk!”

„Dus je wilt me kwijt zijn?!”

„Kwijt? Jou kwijt.....??” Hajo barstte in lachen uit—wat Padde’s onderlip nog een duim deed zakken.—„Oh, Padde! Het schip is achter ons. ’t Gaat dezelfde kant op!”

Padde loosde tegen wil en dank een zucht. Maar meteen gromde hij: „Jammer! Ik had graag teruggewild.” Hij schoot zijn broek aan, eerst verkeerd, en ging met Hajo mee.

Maar bij de deur bleef Padde staan en greep zijn makker bij den arm. „’t Zullen.....?! Zeg, Hajo! ’t Zullen toch geen Duinkerkers zijn?!”

Hajo was even verrast. „Duinkerkers! Hoe kom je daar nou bij? Maar als ’t zoo is, nou, dan zullen we ons niet als snijboonen in het vat laten stampen!”

„Je zult wat!” zei Padde, bibberend als een rijkelui’s hondje. „De slampam..... pampers zouden nog in staat zijn om te gaan sch-schieten!”

„Nou, wij hebben óók kanonnen aan boord!”

„Ik moet niets van ka-kanonnen hebben,” verklaarde Padde.

Schipper Bontekoe scheen de zaak luchthartiger te bekijken dan onze botteliersmaat. Hij liet de Nieuw-Hoorn op de lij werpen, zoodat de zeilen slap neervielen en het andere schip gelegenheid had, den Oostinjevaarder in te halen.

Het verre zeil werd grooter; bleek eveneens een driemaster te zijn. Daar dribbelde een vlag langs den grooten mast omhoog. In spanning keken de maats uit, tot de wind het bonte doek zou open slaan en de teekening te zien zou zijn.

„De Compagnies-vlag!”

„Ja!!” Allen brulden het uit. „De Compagnies-vlag!!!”

Men antwoordde. Vroolijk koutend hingen de maats over de balie. Hoelang was het geleden, dat ze voor het laatst iets anders dan lucht en water hadden gezien?

Maar Padde bleef wantrouwend. „Dat zegt niets, die vlag!” verzekerde hij. „Die smerige zeeschuimers zorgen altijd wel een fatsoenlijke vlag aan boord te hebben. En juist als je nergens meer op verdacht bent, beginnen ze in eens te schie.....”

Het laatste woord bleef hem in de keel steken. Padde werd zoo bleek als een gesteven hemd en staarde met groote oogen naar.....! Uit den zijwand van het vreemde schip buitelde een helderwit wolkje te voorschijn. „Boem!” zei het toen. En haast op hetzelfde oogenblik donderde het onder den planken vloer, waarop Padde’s voeten rustten: de Nieuw-Hoorn beantwoordde het schot. Lang voordat de rook was opgetrokken, had Padde al een goed heenkomen gezocht in het vooronder.

En de oomes, die zijn beschouwingen over zeeschuimers meesmuilend hadden aangehoord, sloegen nu bijna dubbel van het lachen.—Padde had blijkbaar nooit van saluutschoten gehoord!

Een kwartier later kon men de menschen onderscheiden. Een daverend: Hoera! steeg uit beide schepen op, en er werd met mutsen en doeken gezwaaid. Op het vreemde schip liet men de trap neer; een jol werd te water gelaten; eenige mannen stapten er in en de jol koerste in de richting van de Nieuw-Hoorn.

Het was een kalme zee, maar toch, drommels, wat ging me dat ding op en neer! Hoepla, weg was ie achter een vette golf, ingeslikt door een wallevisch. „Bah!” zei de walvisch, „ik lus je niet. Dobber jij maar voort, jol!” Kijk, daar lag ie op ’n handbreed water, krek een meeuw. Weg gleed ie weer in een wieg van twee golven. Suja, suja, popje! Je werd al katterig, als je er alleen maar naar keek.

Bontekoe liet de scheepstrap zakken; dan werd er vlug een looper gelegd van de trap naar de groote kajuit; de schipper en de koopman kwamen naar buiten en wachtten aan de verschansing.

De jol was nu vlakbij. Er waren zes roeiers in, stevige maats; op het achterbankje zaten twee heeren, die zoo op het eerste gezicht de grootste tegenstelling vormden, welke men zich maar denken kon. De een was groot, bleek en mager, had een dor gezicht en sluik, blond haar; de ander was klein, gezet, verweerd en verbrand als een oud stuk zeil, en onder zijn schipperssteek sprongen weerbarstige, bruine krulletjes te voorschijn.

Nauwelijks had de jol de scheepstrap bereikt, of de vreemde schipper was er al op gesprongen en als een eekhorentje naar boven gewipt. Statig volgde de ander.

„Welkom!” zei Bontekoe hartelijk, terwijl hij den vroolijk-uitzienden gast zijn gebruinde hand toestak. „Welkom op de Nieuw-Hoorn, heeren! Mijn naam is Bontekoe, en dit is de heer Rol.”

„Pieter Thijsz. van Amsterdam, schipper op de Nieuw-Zeeland,” stelde de ander zich voor op een toon, alsof hij met zwaar weer door een misthoren toeterde. „Ik ben verheugd, met u kennis te maken! Ik heb, sinds we eind December Vlissingen verlieten, geen zeil meer gezien! Drommels, wat een hondeweer! Hebt u averij gehad? Wij zijn er met Gods hulp goed doorgezeild!”

Ook de ander, de koopman aan boord van de Nieuw-Zeeland, stelde zich voor.

„Laat ons binnengaan, heeren,” opperde Bontekoe. „Ik heb nog ’n glas goeden wijn.”

„Dat zal de stemming niet bederven!” bulderde de kleine lachend.

Bontekoe en de vreemde schipper bleken al spoedig eensgezind: ze namen mekaar onder den arm en gingen vroolijk koutend de kajuit binnen.

Met afgemeten passen volgden de beide kooplieden, in hoffelijk, bedaard gesprek.

Toen de kajuitdeur dicht was, zetten de oomes een boom op met de mannen in de jol.

„Hoy!”

„Hoy!”

„Averij gehad?”

„Mast gekraakt.”

„Lieg je toch?”

„M’n kop zal over de balie in ’t water rollen, als ik lieg. Kom maar eens kijken!”

„Ik durf de jol niet uit. Als de ouwe in eens terugkomt.....!”

„Hè-jullie ’n goeie ouwe?”

„Gangetje! We noemen ’m de bruinvisch, hè? En als ie in de kajuit fluistert, moet je in ’t vooronder je ooren nog dichtstoppen, als je niet doof wil worden. Maar hij is gul met ’n oorlam.”

„Ja. En ook met juffer driestreng!” riep een ander uit de jol.

„Wat doe jij ook met ’n stuk in je pet op wacht te komen!” schetterde de eerste.

„Maak geen deining,” schreeuwden de oomes boven. „’t Is nog zoo vroeg op de dag!”

„Waar bemoei jullie je mee?” klonk het uit de jol.

„Wil ik je eens op je kop spuwen?”

„Kun je niets beters?”

„Jawel!” schreeuwde Harmen. „Ik zal jullie eens ’n raadsel opgeven! Kunnen jullie goed raaien? Of zijn jullie zoo stom als je d’r uitziet?”

„Hou jij je maar stil!” klonk het van beneden. „We kunnen door je neusgaten in je hersens koekeloeren! ’t Is daar een leege boel, hoor!”

„Voldoende om jullie met z’n allen te bedotten!” verzekerde Harmen. „Ik kan de wind laten draaien!”

„Hoe doe je dat?”

„Je gaat zoo staan, dat je de wind in je nek voelt, dan kijk je tusschen je beenen door, en je hebt ’m pal in je gezicht!”

„Kinderachtig!” verklaarden de zes man in de jol.

„Stil!” zei Harmen. „Ik heb nog een raadsel: Als d’r zes man in een jol zitten, wie is er dan de lolligste?”

„Weten we niet. Zeg op!”

„Wel,” verzekerde Harmen, „ik zou het waarachtig ook niet weten! Jullie zien er alle zes even flauw uit.”

„Kom er ’ns beneje!”

„Ik mag niet van m’n moeder!”

De oomes van boven hielden hun buiken vast.

Op dat oogenblik kwamen de heeren de kajuit weer uit. „Tot vanmiddag dus!” bulderde de kleine schipper van de Nieuw-Zeeland. „Ik heb nog een oude Tocayer staan. U zult merken, dat u bij een fijnproever te gast is!” Hij keek een oogenblik naar den grooten mast. „Zoo zal hij wel weer tegen een stootje kunnen!”

„Zoodra we voor anker liggen, nemen we hem nog eens wat beter onder handen,” verzekerde Bontekoe.

„Waar dacht je te landen? Op de Kaapverdische?”

„Ja, tegen dien tijd zullen we wel versch water moeten innemen.”

„Dan landen wij er ook.”

De schippers sloegen de handen ineen. En met vluggen pas daalde de „bruinvisch” de trap af, gevolgd door den langen, dorren koopman. De roeiers in de jol sprongen overeind, alsof er spelden in de banken zaten.

Bontekoe merkte het op. „Je hebt er de wind onder, vadertje!” mompelde hij. „Al zal ’t endje touw er weleens bij te pas komen!”

Toen wendde hij zich tot zijn mannen. „Kinderen, we varen in compagnie met de Nieuw-Zeeland! Het schip heeft geen averij gehad en zeilt dus makkelijker dan wij.—Wat zei jij daar, Floorke?”

Floorke vertrok zijn mond tot een grijns. „We geven ze geen duimbreed voor, schipper!”

Bontekoe glimlachte. „Zoo denk ik er ook over!—Heb je wat op je lever?” vroeg hij, toen hij zag, dat Floorke aan zijn buikriem frommelde.

Floorke haalde de schouders op, knipoogde tegen zijn makkers.

„Nou?”

„Ze zeggen, dat de bruinvisch gul is met ’n oorlam, schipper.”

Bontekoe verstond den wenk. „Vooruit dan maar!” zei hij, heimelijk pret hebbend om den bijnaam van zijn collega. „Haal dan maar een oorlam. Maar dan ook de handen uit de mouwen! Begrepen!”

Of ze het begrepen! Als hazen renden ze naar den bottelier. „Leve de schipper!”

En Floorke werd op de schouders genomen.

Glimlachend keek Bontekoe hen na. „’t Zijn kinderen”, zei hij tot den koopman, die naast hem stond, „en als kinderen moet je ze behandelen.”

Rol haalde de schouders op. „Men kan de teugel ook weleens al te vrij laten, mijn waarde!”

Bontekoe’s blik verduisterde zich. „Ik moet vrinden om mij heen hebben”, zei hij toen kortaf. „Met slaven begin ik niets.”

Er kwamen genoegelijke dagen. De wind bleef uit denzelfden hoek waaien; het weer was onveranderlijk mooi; elken dag werd het warmer. Met kunst en vliegwerk slaagde de bemanning van de Nieuw-Hoorn er in, het andere schip bij te blijven.

Den drie-en-twintigsten Januari werd er aan stuurboord-zijde nòg een zeil gezien! Bij nadering bleek het ’t schip Enkhuizen te zijn, dat haast tegelijk met de Nieuw-Hoorn was uitgezeild, met bestemming naar de kust van Coromandel. De schipper was een kalm en waardig man: Jan Jansz. van Enkhuizen.

De drie schepen voeren nu gezamelijk verder. Beurt om beurt brandden ze ’s nachts het seinlicht, waarnaar de andere twee hun koers hadden te richten. Er zat iets allergezelligst in: zoo met z’n drieën in compagnieschap te varen. De reis scheen een pleiziertocht te zullen worden. De schippers bezochten elkaar geregeld en brachten hun tijd in prettig kouten door.

Men passeerde de Canarische eilanden zonder er een in ’t zicht te krijgen.

Een school dolfijnen kwam de Nieuw-Hoorn te gemoet, begeleidde het schip dagenlang, lustig spelend om den boeg. En de zon wierp een paarsen glans op de donker-gemarmerde ruggen, die bij vieren, vijven tegelijk uit een groene golf opdoken en smeuïg weer weggleden,—met de kantige rugvin een goud-tintelend pluimpje water opscherend.

Het werd zoo warm, dat de mannen in het bloote bovenlijf gingen loopen. Niettemin gutste het zweet van hun ruggen. Padde klaagde steen en been.

„Wat scheelt er aan?” vroeg Harmen van Kniphuyzen, toen hij den armen dikzak mistroostig op zijn kooi zag zitten.

„’k Zal ’n regenwurm zijn, als ik er iets van snap”, verklaarde Padde grimmig. „’t Is nog midden in den winter en ik smelt van hitte.”

„Wat zul je dan straks wel zeggen, als we bij de menscheters zijn!” beklaagde Harmen hem. „Daar vallen de vruchten gestoofd van de boomen.”

Padde haalde zijn neus op. „’n Mooi land! Waar je moet buikspreken en de drommel zal weten wat nog meer, als je niet levend verslonden wilt worden!”

Op het woord „buikspreken” lichtte er iets in Harmen’s oogen. Hij dacht even na en zei toen: „Ja, je moet er wat voor over hebben! ’t Heeft wel ’n maand geduurd, vóór ik ’n behoorlijk mondjevol kon buikspreken.”

Padde keek op. „Kun jij buikspreken?”

„Dat heb ik je toch verteld?”

„Neen, dat was je broer.”

„Nou ja, daar heb ik ’t natuurlijk van geleerd. Weet je wat moeilijk is? Maleisch buikspreken.”

„Kun je dat ook?” vroeg Padde jaloersch.

Harmen maakte een bescheiden gebaar. „Met sommige woorden heb ik nog weleens last. Bijvoorbeeld: poerlapoetoespoerwerpedjopakapoet. ’t Zit ’m vast op al die p’s, hè?”

„Spreek ’ns buik?” vroeg Padde.

„Ik heb pas gegeten! Maar kom bij me in de kombuis, als de vaten gespoeld zijn. Dan hebben we het er rustig; ik zal het jou ook leeren, als je wilt.”

Padde bloosde van vreugde. „Zou ik het kunnen?”

„Voor iemand met jouw buik is ’t een kleinigheidje”, verzekerde Harmen.

„Harmen”, zei Padde, „ik vind ’t verduiveld aardig van je.....”

Harmen maakte een afwerend gebaar. „Als je zoo samen op een schip zit, leer je wat voor mekaar overhebben. Tot straks dus!” En hij verliet het vooronder.

Een half uur later maakte Padde zich op om naar de kombuis te gaan. Hij vond er Harmen in druk gesprek verwikkeld met Lijsken Cocs. „Da’s vroeg!” riep Harmen hem toe. Hij wees stiekum met den duim naar Lijsken en gaf Padde een veelbeteekenend knipoogje.

Padde begreep. Hij verliet de kombuis weer, slenterde wat rond. Toen hij weer in de kombuis kwam, stond Harmen al op hem te wachten. „Ziezoo”, zei Harmen, „dat papjongetje heb ik even afgepoeierd. Hij heeft met onze buiksprekerij niets te maken. We zullen hier maar gaan zitten!” En Harmen wipte behendig op een grooten, ijzeren ketel. „Wat wil je, dat ik zeg?”

„Nou, zeg maar wat.”

Harmen sloot zijn mond potdicht, draaide angstwekkend met de oogen, trapte van inspanning met zijn beenen tegen den grooten ketel, waarop hij zat. En toen klonk het dof en gedempt, alsof het geluid uit den grond opsteeg: „Ik ben koksmaat.”

Harmen slaakte een zucht van verlichting.

„Merakel”, stamelde Padde. „Zeg nog eens wat?”

„Al moest ik al de boeken van het ouwe en nieuwe achter mekaar opnoemen!” blufte Harmen. Hij rolde weer met zijn oogen, trapte van louter inspanning tegen den ketel, en somber klonk het uit de diepte: „Ik heb blond haar.”

„Merakel”, zei Padde. „Maar..... eh, je hebt toch geen blond haar?”

„Weet m’n buik dat?” vroeg Harmen verwijtend.

Padde moest toegeven, dat zijn aanmerking onredelijk was geweest. „Ik dacht, dat je je buik kon laten zeggen wat je maar wou”, excuseerde hij zich.

„Is ook zoo”, zei Harmen. „Ik zal ’m nou ’ns laten zeggen: Ik heb bruine oogen!”

„Ja, laat ’m dat eens zeggen!”

Harmen sloot den mond, trapte tegen den ketel. „Ik heb blauwe oogen!” klonk het.

„Wil je wel gelooven, dat ik m’n buik wel een opstopper zou willen geven?” vroeg Harmen op luidruchtigen toon. „Hij moet het zeggen! Ik heb bruine oogen!” En Harmen trapte verwoed tegen den ketel. In spanning wachtten de knapen op wat er komen zou. Het duurde lang. Eindelijk klonk het: „Ik zal zeggen waar ik lol in heb.”

Harmen wipte van den ketel af, schreeuwde luid: „Ik zal m’n buik straks eens inwrijven. Stevig inwrijven!—Nou, probeer jij het nou eens, Padde!”

„Zeg dan eerst hoe ik het moet aanleggen, Harmen!”

„Stom-eenvoudig, Padde. Je haalt diep adem, wacht tot je het benauwd krijgt, en dan denk je: Ik wil wat zeggen zonder m’n mond open te doen! Dan komt het vanzelf.”

Padde beproefde het. Toen hij blauw van benauwdheid was, legde Harmen zijn oor tegen Padde’s buik. „Hou vol, Padde! Ik hoor al wat smoezen!”

„Pfff!” zuchtte Padde.

„Je zult te veel gegeten hebben,” meende Harmen. „Die bruine boonen zitten natuurlijk leelijk in den weg! Je doet ’t beste, om eens een dag of wat heelemaal niet te eten. Zul je er om denken?”

Padde beloofde het, aarzelend.

„Je bent een verstandige jongen”, verklaarde Harmen. „Ga nou maar ’ns op die ketel zitten. Misschien, dat je er dan meer van terechtbrengt.”

Padde liet zich op den grond neerploffen. „Ik zit al”, zei hij.

Harmen was even verbouwereerd. „Op de ketel, heb ik gezegd.”

„Ik zit hier ook goed”, stelde Padde hem gerust.

„Wie weet het nou beter: jij of ik?” vroeg Harmen. „Ik laat je niet voor niks op die ketel zitten! Dat is voor..... voor het geluid! Net als bij ’n viool, daar zit ook ’n kastje onder,—dan klinkt ’t beter.”

Hoepla! daar zat Padde al op den ketel. „Wat moet ik zeggen, Harmen?”

„Nou, zeg maar: ik heet Lijsken Cocs.”

„Maar ik heet toch niet.....?”

„Daarom kun je ’t toch wel zeggen?!”

Padde kneep mond en oogen dicht, trapte, naar Harmens voorbeeld, met de voeten tegen den ketel. „Hatsjie!” klonk het uit de diepte.

„Dat is het begin!” riep Harmen verblijd uit.

Padde keek stomverbaasd omlaag. „Kwam dat uit m’n buik??”

„Waar anders uit?” vroeg Harmen. „Uit je Zondagsche pet?”

Padde spande zich opnieuw in. Toen hij paars in het gelaat was geworden, klonk het: „Ik schei er mee uit! Ik krijg het benauwd!”

„Je bent een geboren buikspreker!” verklaarde Harmen opgewonden. Maar tegelijk trachtte hij hem, na hem van den ketel geduwd te hebben, met zachten drang de kombuis uit te werken.

Padde stribbelde tegen. „Ik vind het verduiveld aardig van je”, zei hij, „dat je me wilt leeren buikspr.....” Toen stokte Padde en verbleekte.

Een onzichtbare, geheimzinnige kracht duwde het deksel omhoog van den ijzeren ketel, waarop Harmen en Padde hadden gezeten, en, als een duivel uit een doosje, wipte..... Lijsken Cocs er uit te voorschijn!

„Zoo, mannetje, heb je ons afgeluisterd!” snauwde Harmen. „Morgen gaan we ergens anders zitten, Padde!”

Padde knikte aarzelend.

Maar met twijfel in het gemoed kwam hij even later bij Hajo, die op het voordek bezig was met het verzolen van een paar kolossale schoenen.

„Doe je daar?” vroeg Padde.

„Lappen.”

„Voor wie?”

„Voor Jopkins.”

„Is ’t waar, wat je zegt?”

Hajo keek verwonderd op. „Waarom zou ’t niet waar zijn?”

Padde haalde de schouders op, beet zich op de lippen. Zijn kin beefde.

„Wat heb je?” vroeg Hajo.

„Niks.”

„Waarom huil je dan?”

„Ik huil niet.”

„Wel waar.”

„Nietes.....”

Even pauze.

Toen vroeg Padde met onzekere stem: „Hajo, jij bent toch m’n vrind, hè?”

„Ja, natuurlijk!”

„Jij liegt me toch niet voor, hè?”

„Dat weet je wel beter, Padde.”

Padde ging naast Hajo zitten. „Nou, dan kan me de rest ook niets bommen. Als ik maar weet, dat wij vrinden zijn!” Met vochtige oogen blikte Padde voor zich uit.

„Zeg, Padde!” zei Hajo, „Als we over een jaar of twee in Hoorn terugkomen met een zak vol guldens,—wat zullen onze moeders opkijken!”

„Hajo!”

„Padde!”

De vrinden keken elkaar in de glinsterende oogen.

Padde haalde de handen uit zijn broekzakken. „Kan ik je helpen, Peter?”

„Met die schoenen? Dat kan ik wel alleen af.”

„Nou, ik mag dat spijkertje toch wel even voor je vasthouden?”

„Goed. Hou dan maar vast.” En Hajo hief den hamer op, mikte met de zekerheid van een ervaren schoenlapper. Met een kreet trok Padde zijn vingers terug.

„Doet ’t pijn?” vroeg Hajo verschrikt.

Padde likte zich een bloeddruppel van den vinger. „’t Doet ’n verduivelde pijn! Maar ’t kan me niets schelen, hoor! Als ik maar weet, dat wij vrinden zijn!”

PADDE ZIET DOOR EEN MISTKIJKER

Op een morgen bleef Hajo verrast staan, toen hij, nog slaapdronken, het vooronder uit kwam stappen en zich buiten in een puts wilde wasschen. Om masten, touwen en zeilen hing een fijn waas. Het achterschip was nog slechts als een vage omtrek te zien. „Mist.....!” mompelde Hajo, terwijl hij de vochtige lucht opsnoof.

Nou, òf het mistte! Als je over de verschansing hing, keek je in een grijze massa zonder begin of einde: water en lucht waren één geworden. „Oei.....! Oeiiiiii.....!” Dat waren de mist-toeters van de Enkhuizen en de Nieuw-Zeeland. Bootsman Berentsz. was met twee janmaats bezig een groote, holle lantaarn in de fok te hijschen. Toen ze boven hing, leek ze net een bleeke citroen.

„Oejoejoeiiii.....!”

De oomes pruttelden. Beweerden, dat je om het uur je longen wel uit mocht baliën; dat ze liever kieuwen hadden, als de visschen, en..... dat was het ergste: dat er van een landing op de Kaapverdischen wel geen sprake zou zijn, om de eenvoudige reden, dat je met dit weer evengoed kon zoeken naar Berentsz.’ roodbaaien onderbroek, die op een vorige reis van het drooglijntje overboord was gewaaid, als naar een eiland.

De jongens moesten beurtelings op den misthoren toeteren. De oomes beweerden: daar kreeg je een mooie stem en zoenlippen van.

Harmen bleek een meester! Die toeterde heele liedjes, draaide intusschen rond, en als het liedje uit was, stond hij weer juist zoo, als toen hij begonnen was.

„Ik zie jou nog eens in een paardenspel optreden,” merkte Rolf op.

„Heb je al eens ’n misthoren op je kop gehad?” informeerde Harmen.

Rolf schudde het hoofd. „Nog nooit. Doe het eens.....?”

Harmen trok smalend zijn neus op. „’k Zal wel oppassen! ’t Neefie van de schipper, hè?”

„De schipper zal ik er niet bij halen,” zei Rolf, plotseling driftig.

„Hoei-hoe-hoei! M’n Amsterdamsche moei heit ’n varken en ’n koei!” toeterde Harmen. Toen hij den daarbij behoorenden ommedraai had volbracht, zag hij Rolf nog juist in de barbiershut verdwijnen. „Daar lóópt ie, de boekenwurm! Als het ’n ander was, had ie al lang op z’n ziel gehad.”

Daar kwam Padde aandrentelen, aangetrokken door Harmen’s mistzangen.

„Goeie morgen, Padde!” riep Harmen verblijd uit.

Maar Padde kon zoo in eens niet weer vriendelijk zijn. „Mm!” zei hij. „Is dat ’n misthoren?”

„Ja, een misthoren..... of mistkijker, zooals je wilt.”

„Mist-kijker? Kun je er dan mee door de mist kijken??”

„Als door een druppel water,” verzekerde Harmen. „Nietwaar, Lijsken?”

„Waar zou het woord: mist-kijker anders vandaan komen?” vroeg Lijsken.

Maar Padde vloog er niet in. „Houden jullie ’n ander voor de gek!” schimpte hij.

„Voor de gek houden??” vroeg Lijsken in hoogste verbazing.

Harmen tuurde aandachtig door den horen. „Daar gaat juist de Nieuw-Zeeland!” riep hij uit. „Voor de kombuis zit de kok met drie oomes te kaarten!”

„Mag ik ook eens kijken?” vroeg Lijsken.

„Alsjeblief, Lijsken.” En Harmen stond bereidwillig den horen af.

Lijsken keek in de richting, die Harmen hem aanwees. „Verdikke, wat heeft me die kok ’n klavers in z’n knuisten!” riep hij geestdriftig uit. „Klaverkoning, aas, boer en zes kleintjes!”

„Geef hier”, zei Padde.

„Zeg er eens, kun je ’t niet wat vriendelijker vragen?”

„Geef hem de kijker nou maar, Lijsken”, vergoelijkte Harmen.

Padde’s wensch werd ingewilligd. „Ik zie niks!” verklaarde de botteliersmaat.

„Snap ik niks van”, zei Harmen. „Heb je je andere oog wel dicht gedaan?”

„Moet dat?”

„Dat snapt toch een kind!”

„Had dat dan eerder gezegd!” gromde Padde. En hij bedekte met de eene hand het oog, dat niet door den toeter gluurde.

Toen werd tusschen Harmen en Lijsken een snelle blik gewisseld. De beide veelbelovende knapen zetten tegelijkertijd hun voet achter Padde’s hielen en..... een-twee-drie.....! Padde lag achterover op het dek te spartelen.

„Wat een windstoot was dat!” riep Lijsken uit.

„’k Sloeg er bijna van om!” verzekerde Harmen luidruchtig.

En toen ze Padde aankeken, begonnen ze beiden te grinniken.

Maar in de oogen van den bedrogene sluimerden wraakplannen. Hij zwaaide woedend zijn toeter en wilde overeind krabbelen.....!

Toen gebeurde er iets onverwachts! Een grauw, monsterachtig-groot gevaarte schoof rakelings langs het galjoen; boven een verward stemmengeroezemoes uit schetterde een schorre misthoren. „Het roer! Gooi het roer om!” schreeuwde iemand. Tegelijkertijd flitste een lichtschijnsel uit den mist op. Dan plotseling een zeil-omtrek, een scherp gekraak van hout—weg was alles weer.

Padde was van schrik weer achterovergetuimeld. De andere twee knapen stonden te trillen op hun beenen.

De donderstem van Folkert Berentsz. wekte hen uit hun verbijstering. „Wat hier en daar! ’t Scheelde twee el, of we waren in de Enkhuizen geloopen! Zet ik jullie daarvoor te toeteren! Donder en bliksem!” En Lijsken en Harmen kregen ieder een schop onder het zitvlak. Padde zat en bleef er daardoor vrij van. Harmen griste hem den misthoren uit de handen. „Hoe-hoe-hoei!” schetterde hij. Ditmaal zonder liedje.

De bootsman was weer weg.

„Als ie ’t de schipper vertelt, worden we gekielhaald!” verzekerde Lijsken, z’n broek wrijvend.

Maar Folkert Berentsz. was geen klikspaan. Hij hield er zonder den schipper den wind wel onder.

De bottelier hoorde hoofdschuddend het verhaal aan, dat Padde hem over het geval opdischte. „’t Is merakel! Hier, drink wat, m’n jongen. Dat spoelt de schrik weg.”

„Ik heb nog nooit wijn gedronken....”, aarzelde Padde.

„Merakel. Proef dan maar gauw eens.”

Padde nam voorzichtig een slokje.

„Nou?”

„Je wordt er lekker warm van!”

„En de schrik? Die is nou zeker weg?”

Als antwoord nam Padde nog een teug.

„Je zult nog een fijnproever worden, jij!” grinnikte de Schele. „Nou, dan ben je bij mij goed onderdak!”

„Ja-ha!” En Padde dronk dapper het heele kannetje leeg. „Geef me nog maar wat, Schele!”

De bottelier schonk hoofdschuddend het kannetje weer vol. „Pas jij maar op! Als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan!”

„Geen nood!” blufte Padde.

„La-la-la-la!” zei de Schele met vaderlijken trots. „Hoor dat eens aan!”

Maar terwijl Padde onversaagd doordronk, betrok het gelaat van den braven bottelier. „Ik heb je nooit van Gertje gesproken, hè?” vroeg hij na een diepen zucht. „Dat was m’n eenigst kind. God hebbe z’n ziel.—Met Maart zou ie nou veertien zijn geworden.” De bottelier staarde peinzend voor zich uit. „Op een avond kwam ie hoestend thuis. Dat was November van ’t jaar 17.—Hoest je, m’n jongen? vroeg ik.—Ja, vader, zei-d-ie. Ik hoor z’n stem nog.—Heb je ’t benauwd, als je hoest? vroeg ik.—Ja, vader, zei-d-ie. ’s Nachts bleef ik natuurlijk bij hem waken, hè? M’n vrouw was toen al vier jaar dood; ik was kastelein in De Lustige Landman, bij Alkmaar. Ik gaf Gertje elk uur een heete omslag. En warme kruiken en wijn: dat helpt tegen de hoest. De volgende morgen moest en zou-d-ie gaan schaatsen. Ik hield m’n hart vast.—Zou je ’t wel doen, m’n jongen? vroeg ik.—Vader, zei-d-ie, ik weet zelf ’t beste wat goed voor me is!—Hij wist wat ie wilde, zie je; dat heb ik nooit van mezelf kunnen zeggen. Ik deed altijd wat anders dan ik van plan was. Als ik Gertje afhaalde bij meester Knol..... ik liet ’m leeren, zie je?..... dan kocht ik onderweg snoepballetjes voor hem om hem te verrassen, en voor ik bij Meester Knol was, had ik ze zelf allemaal al opgekauwd. Weet jij eigenlijk wat je wilt?”

„Jawel”, zei Padde geeuwend. „Ik kom in de bierbrouwerij van m’n oom, dan weet je wat je hebt.”

„Zie je”, zei de bottelier, „zoo was Gertje nou ook. Die wist op een prik wat hij wilde, en iets anders deed hij niet. Nou..... ’s avonds was hij er erg aan toe! M’n hart zat als ’n steen in m’n lijf! En toen ik drie nachten aan z’n bed gezeten had..... toen.....” De bottelier kon niet best meer uit z’n woorden komen. Hij sloeg de hand op de knie en kuchte.

Padde zat met lodderige oogen voor zich uit te turen.

„Heb je geluisterd, Padde?”

„Jawel! Ik heb woord voor woord..... hik!”

„En wat zeg je d’rvan?”

Padde geeuwde. „M-merakel, Schele.....!”

De bottelier stond zuchtend op en zocht de frissche lucht.

Toen hij een poosje later terugkwam, vond hij Padde snurkend tegen een vaatje liggen. Hij tilde hem op en legde hem in zijn eigen kooi. Toen keek hij den jongen lang in het gezicht. „Dezelfde neus, dezelfde kin en oogen! Gertje sliep ook altijd met open mond.....”

De bottelier legde z’n dikke hand op Padde’s voorhoofd en kuste het.

ROLF

De bedoeling was om Sint-Anthoni aan te doen en daar water in te nemen. Maar door den steeds dichter wordenden mist, gepaard met een fijnen regen, kon men het eiland niet in ’t zicht krijgen. Derhalve werd de koers gesteld op Ilje del May en Ilje del Foege, die eveneens deel uitmaken van de Kaapverdische groep. De wind zwaaide luimig; men moest laveeren en verloor het verband met de andere Oostinjevaarders; de misthorens klonken nog een enkele maal, heel ver weg.

Lang en eentonig waren de dagen. Uren achtereen lagen de oomes in hun kooi te kaarten. Hajo was met Rolfs hulp bezig een brief aan zijn moeder te schrijven. Zoodra ze een schip tegenkwamen, wilden ze hem afgeven.

„Kun jij niet schrijven??” had Rolf gevraagd, toen Hajo zijn hulp inriep.

„Ik kan wel wat lezen”, haastte Hajo zich te verklaren, terwijl hem het bloed naar de wangen steeg. „Padde kan heelemáál niet lezen of schrijven.”

„Wou jij je dan met Padde vergelijken?”

„Als ik maar iemand wist, die.....”

„Ik zal het je leeren”, zei Rolf. En met zijn gewone energie pakte hij de zaak aan.

Padde zat er bij, terwijl Hajo zijn bruine knuist over het papier liet wandelen, dat er onder deze bewerking niet schooner op werd. Rolf stuurde kalm en zeker Hajo’s ganzeveer in de goede richting, en Hajo zuchtte van inspanning.

„Wat schrijf je nou allemaal?” vroeg Padde eerbiedig. Geduldig wachtte hij, tot Hajo hem twee minuten later ten antwoord gaf: „Breng me niet in de war, Padde!”

Padde zweeg. Maar per slot van rekening is een mensch geen doofpot. Toen Hajo weer met zwier een punt achter een zin had gezet, waagde Padde de schuchtere vraag: „Kun je alles schrijven wat je maar wilt?”

„Alles!” verzekerde Hajo.

Dat moest Padde even verwerken. „Kun jij nou ook schrijven, dat ’t mist..... enne, dat je op de viool leert spelen?”

„Wat dacht jij dan?”

„Nou, ik dacht..... alleen maar de groeten en zoo, en ik kom gauw terug.”

„Kijk”, zei Hajo, „dat komt nou van je geklets! Nou maak ik weer ’n vlak!”

„Ook erg.....”, meende Padde, „da’s al wel twintig maal gebeurd. Wat is dat oogje met dat streepje er aan?”

„Een p”, zei Hajo gewichtig.

„Wat is dat: een pee?”

„Nou, da’s een p, hè? Ik zal maar zeggen: P van Padde.”

„Lieg je toch?” Padde begon te grinniken. „Zeg, dit is zeker óók een pee, hè?”

„Dat is een b”, zei Hajo.

„Een d”, verbeterde Rolf.

„O, ja, een d”, bevestigde Hajo.

Padde schudde het hoofd. „Pee, bee, dee.....! Die dee is toch ook ’n oogje met ’n streepje er aan?”

„Ja, maar daar zit het aan de andere kant!”

„Da’s nou maar krek hoe je de brief houdt!” zei Padde. Hij greep Hajo’s inktslagveld, tot ontzetting der beide veldheeren, stevig beet en zei, terwijl hij het omdraaide: „Alsjeblieft, nou is het dan toch wèl ’n pee!”

Hajo verloste zijn in gevaar gebrachten brief en vroeg nijdig: „Wou jij een brief op de kop lezen?”

„Op m’n kop??”

„De kop van de brief, bedoel ik.”

„Heeft een brief dan een kop?”

„Meer dan jij”, verzekerde Rolf.

„Knap maar!” gromde Padde. En hij verdween, danig uit z’n humeur.

Toen de briefschrijvers een uur later de barbiershut verlieten, vonden ze Padde tegen den mast, met wazige oogen voor zich uitblikkend in den grauwen mist.

„Padde! Wat zit je daar?! Je zult kou vatten!”

„Hoplala-tralala!” lalde Padde met de vingers op het dek trommelend. „Ik heb ged-danst voor de oomes! Boven op de..... hik! B-boven op de tafel!”

„Hij ijlt!” zei Hajo verschrikt.

Rolf legde zijn hand op Padde’s slapen. „We zullen hem optillen en in zijn bed brengen.”

Maar daar wilde Padde niets van weten. „Blijf van me af, b-boekenwurm!”

Hajo aarzelde. Maar een blik uit Rolfs oogen was hem voldoende om Padde stevig onder den arm te nemen. Rolf greep hem met een fiksche beweging bij de beenen.

Padde worstelde uit alle macht om vrij te komen. Toen het niet lukte, klaagde hij op huilerigen toon: „Hajo, help me, die leelijke..... hik! pennelikker op z’n gezicht te komen!”

„Je bent ziek, Padde! We zullen je onder de wol stoppen!”

„Neen, ik wil d-dansen voor de oomes! Ik wil..... hik!”

Ondanks zijn verzet werd Padde naar het botteliershok gebracht en daar met behulp van den Schele in bed gelegd. „De jongen bibbert van de koorts!” jammerde de bottelier, geheel overstuur. „We zullen hem gauw wat wijn geven!”

„Ah!” mompelde Rolf. En kortaf, dreigend volgde: „Als je dat doet, vertel ik alles aan de schipper!”

De bottelier keek Rolf aarzelend in het strakke gelaat. Hij pruttelde wat, maar ging niet naar de kast om wijn te halen.

„Kom, Hajo”, zei Rolf. „Hij moet slapen, dat is alles.” En Rolf trok zijn vriend met zich mee. „Padde is dronken”, zei hij, toen hij buiten was.

„W-wat zeg je?!”

„Kom mee”, was Rolfs antwoord. „Ik wil even met je praten.”

Sprakeloos liet Hajo zich naar de barbiershut leiden. Vader Langjas was er niet.

„Vertel me eens”, begon Rolf, „is het de eerste maal, dat Padde.....?”

„Ja! Vast!”

„Dan is de bottelier er schuld aan”, zei Rolf.

„Wat een schurk!” viel Hajo uit.

„De Schele denkt niet verder dan tot op de bodem van zijn pint”, zei Rolf. „Dat is alles. Dus je hebt nooit eerder gemerkt, dat Padde.....”

„Neen! Maar..... Ik zal je iets zeggen. Maar laat je niet merken, dat je ’t weet?”

„Als ik ’t niet noodig vind, neen.”

„Zijn vader was elke avond dronken.”

Rolf fronste de wenkbrauwen. Hajo voelde op dat oogenblik weer, hoeveel rijper en verstandiger Rolf was. Een vaag vermoeden kwam in hem op, dat Rolf al veel verdriet moest hebben gehad. Zwijgend wachtte Hajo.

„Voorloopig zullen we doen of we niets hebben gemerkt”, besliste Rolf. „En zoodra ik er een goede gelegenheid voor zie, neem ik hem onder handen. Zooiets moet ineens goed gebeuren.” Beiden zwegen.

Een vraag, die Hajo vanmorgen bij het briefschrijven al had willen stellen, kwam nu, zonder dat hij zich van de aanleiding rekenschap kon geven, weer boven en brandde hem op de lippen. Eindelijk kwam het er uit: „Zeg, Rolf..... schrijf jij niet aan je moeder?”

Rolfs schouders trokken even. „Mijn moeder leeft niet meer”, zei hij kort en stroef.

Hajo was op Rolfs antwoord voorbereid. „Is ze al lang dood?” vroeg hij zacht.

„Ze is in Maart van het vorig jaar overleden.”

„En heb je nu heelemaal niemand, die.....?”

„Mijn oom”, zei Rolf.

„Ja, maar, je vader.....? Je zei toen op den Italiaanschen Zeedijk..... weet je nog?”

„Mijn vader is twaalf jaar geleden naar Oostinje gegaan”, zei Rolf. „Hij voer als schipper onder Pieter Both; in 1615 is zijn schip vergaan op de kust van Celebes. Maar het bericht kregen we het vorig jaar pas. Van de bemanning was niets bekend. Mijn moeder was toch al wat zwak. Vijf weken later stierf ze.”

„Zeg..... Rolf”, fluisterde Hajo, „is dat Selee-Seleebes erg groot? Er gebeuren toch wel meer dingen, waarover je later verbaasd staat, niet waar?”

Rolf scheen heftig met iets te kampen. Toen haalde hij de schouders op, als om het hopelooze van Hajo’s veronderstelling aan te duiden, en zei, met afgewend gelaat en in een poging om luchthartig te schijnen: „Laten we ons maar niets wijsmaken!”

Toen stond hij op, nam een boek van het medicijnkastje en ging naast Hajo, die vergeefs naar woorden van troost zocht, bij tafel zitten, de handen tegen de slapen gedrukt, de oogen star op de letters gevestigd.

„Oe-hoe-hoeiiiii.....!” gilde buiten de misthoren.

Den volgenden morgen was de mist iets minder dicht; de wereld werd weer wijder.

Padde kwam laat boven water. Hij drentelde rond en had geen behoefte om Hajo op te zoeken. In het schaftuur kwam Padde de barbiershut binnen, twintig tellen nadat de barbier ze verlaten had. Hij vond er Rolf alleen.

„Waar is Vader Langjas?” vroeg Padde.

„Gaat net naar de kajuit. Als je vlug loopt, haal je ’m nog in.”

Maar Padde bleef staan. „We krijgen gauw land, hè?”

„Ja.”

„Ben je aan het lezen?”

„Ja.”

„Wat staat er in die boeken?”

„Hoe je zieke menschen genezen kunt.”

„Staat dat ook in boeken?? Ik dacht, dat de barbier ’t vanzelf kon.”

„Dan dacht je verkeerd”, stelde Rolf vast, onverstoorbaar verder lezend.

„Is lezen moeilijk?”

„Neen.”

„Schrijven zeker wel?”

„Neen.”

Padde dacht even na. „Zeg..... eh, Rolf?—Rolf.....? Wil je voor mij..... ook een brief schrijven?”

Rolf keek op. „Aan je moeder?”

„Ja.”

Rolf had uit de tafellade een vel papier genomen. Hij sleep een ganzeveer aan, doopte die in den inktpot. „Wat moet ik schrijven?”

Padde was door Rolfs snel handelen overrompeld. Hij wipte opgewonden op het tafeltje, schommelde met zijn korte beentjes. „Ja! Wat zal ik nou schrijven?”

„Zeg maar eerst wat er boven moet staan. Lieve moeder? Of.....?”

„Neen.....”, weifelde Padde. „Schrijf maar: waarde moeder. Dat staat beter.”

Rolfs pen vloog over het papier met een snelheid, die Padde’s mond van verbazing deed openvallen. „Staat het er al?? Nou, schrijf dan maar..... dat ’t mijn schuld niet is, dat ik ben meegegaan.”

„Dat schrijf ik niet. Want dat is een leugen. ’t Is wèl jouw schuld!”

„Hè?? Ik ben toch in slaap gevallen?”

„Juist. En dat is jouw schuld. Jij had niet in slaap mogen vallen.”

Dat ging Padde boven de pet. „Schrijf dan maar, dat ik er spijt van heb. En dat ik hoopen geld zal meebrengen.”

Rolf keek verbaasd op.

„Wat kijk je? Ik verdien toch zeker evenveel als Hajo en jij? Of is dat soms niet veel! M’n moeder zal niet weten wat ze ziet!”

Rolf keek droomerig voor zich uit. „Hou je veel van je moeder, Padde?”

„Nou en of! Nou! En zij van mij ook, hoor! Als de lui zeggen..... daar moet je geen woord van gelooven van wat de lui zeggen; dat doe ik ook nooit. Zeg, schrijf maar, dat Oostinje niet zoo ver is! En: ik kom gauw terug. Zeg maar, dat ze Louwtje en Margje en Annetje en Nelis en Heintje en Jan en Gijs..... Hoeveel zijn dat er? Zeven? Dat klopt. Moeder, ik en vader zijn er drie. Samen tien.”

„Zijn jullie met z’n tienen thuis?”

„Neen, dertien. Maar drie zijn gestorven. Aan de koorts, begrijp je?”

„Wat moet er onder staan?”

„Nou: Padde natuurlijk.”

Rolf weifelde. „Zou je niet liever schrijven: „een innige kus, of.....” Rolf bloosde en vervolgde haastig: „en dan heb je je vader vergeten te groeten.”

Padde schudde het hoofd. „Doe ik niet”, zei hij. En na lang en diep nadenken: „Schrijf er maar onder: je trouwe zoon Padde Kelemeyn!”

Rolf glimlachte. „Zullen we dat: Kelemeyn er maar niet af laten? Je moeder weet wel, dat je Kelemeyn heet!”

„Ze weet ook wel, dat ik Padde heet! Afijn, laat het er maar af.”

Rolf was met den brief klaar. „Wil ik je hem nu eens voorlezen?”

Padde begon te grinniken. „Da’s me nog nooit gebeurd!” En niet zonder zelfingenomenheid zette hij zich in postuur om te luisteren.

„Waarde moeder”, las Rolf, „het spijt me, dat ik, zonder het te willen, met Hajo mee naar Oostinje ben gegaan en jou verlaten heb. Ik zal het geld, dat ik als botteliersmaat van de Nieuw-Hoorn verdien, sparen en aan jou afgeven. Oostinje kan zoo ver niet weg zijn, moeder, dat ik jou vergeet. Groet Louwtje, Gijs, Annetje, Nelis, Margje, Heintje en Jan van me.

Je trouwe zoon Padde.”

Padde had de tranen in de oogen. „Merakel”, fluisterde hij. „Zou m’n moeder er dat nou ook allemaal zoo uit kunnen halen? Lezen kan ze natuurlijk niet, hè? Maar ze zal er mee naar de meester gaan.”

„Nou, dan leest die haar alles wel voor.”

„Rolf”, zei Padde aangedaan, „’t Spijt me dat ik je altijd.... —Wil je er nog even onderschrijven: groeten aan..... aan Jansje Bezem?”

Rolf keek Padde glimlachend aan, en deze werd vuurrood.

„’t Staat er”, zei Rolf. En toen keek hij Padde diep in de oogen. „Nu schiet me te binnen, dat je nòg iets vergeten hebt, Padde. Je hadt er bij moeten schrijven: Lieve moeder, ik ga tegenwoordig dezelfde kant op als vader. Gisteren was ik dronken.”

Padde begon te beven als een riet. „Niet doen, Rolf! Dat niet schrijven.....!!”

„Maar ’t is toch zoo?”

„Ik zal nooit meer drinken, Rolf! Geen druppeltje!” En Padde begon te schreien.

„Dat is dus afgesproken”, zei Rolf. „Hier is je brief, Padde.”

Padde greep Rolfs hand. „Beste, beste Rolf.....!”

En met zijn brief in de vuist wankelde hij de hut uit.

Toen Rolf alleen was, nam hij, als in gedachten verzonken, een vodje papier, dat op het tafeltje lag, en krabbelde er spelenderwijze een woord op. Hij keek er mijmerend naar. Plotseling trilde er iets om zijn lippen; hij sprong met een ruk overeind en snelde naar buiten.

Toen Vader Langjas een oogenblik later terugkeerde en, ordelijk als hij was, het vodje in de prullenmand wilde werpen, scheen hij door iets getroffen te worden. Hij mompelde wat, keek naar de open deur, legde daarna het stukje papier weer zorgvuldig neer op de plek, waar hij het gevonden had.

Wat kon Vader Langjas, het toonbeeld van orde, ertoe bewogen hebben, dat stukje papier niet de plaats toe te wijzen waar het behoorde: in de prullenmand?

Er stonden maar zes fijngeteekende lettertjes op. Samen vormden ze het woordje:

MANESCHIJN

„Land! Land in ’t zicht!!”

Uit alle hoeken en gaten kwamen de oomes naar buiten. Speelkaarten, dominosteenen en pijpen in de hand, leunden ze over de verschansing en tuurden naar den blauwgrijzen omtrek aan stuurboordzij.

Bontekoe stond met Rol en den opperstuurman op het middendek. „’t Zal Ilje del Foege zijn”, meende de laatste.

„Dunkt mij ook”, zei Bontekoe. „We zullen een ankerplaats zoeken en morgen ververschingen opdoen. De zee moet op deze hoogte ook nogal vischrijk zijn. Daar zullen we gebruik van maken!”

Er werd gepeild. Het lood raakte, na geheel gevierd te zijn, nog geen grond. Van het anker uitwerpen kon geen sprake zijn. Bontekoe besloot de kust af te zeilen, tot er een baai gevonden werd.

Geleidelijk waren de vochtige plooien van den grijzen mistsluier teruggeweken; de zon brak door, begon de naakte ruggen der oomes weer te schroeien. Het was de laatste week nog heeter geworden.

Bij het spinnen der schemering vond men een baai. Twee zware steenruggen schoven een mijl in zee, beloofden beschutting. Het water was diepblauw en haast rimpelloos. Maar men wierp opnieuw tevergeefs het dieplood uit,—het raakte geen grond. Bontekoe besloot het er op te wagen, den nacht drijvende door te brengen. Men borg alle zeilen.

Er kwam een avond om niet weer te vergeten. De mist was nu geheel gevlucht; de maan, koningin van den nacht, troonde te midden van haar ganschen hofstoet van veelkleurige sterren en zond haar vorstelijk licht in milden overvloed uit over de grillig gevormde rotsen. Hoog boven de rotsen uit, die nietig werden bij zijn Grootheid, stond, als een eenzaam priester, verstard in eeuwig gebed, één enkele berg.

Meeuwen wierpen zich krijschend van de rotsen op en cirkelden in wijde kringen om de Nieuw-Hoorn. Doch allengs verdwenen ze weer uit de lucht, en op het eentonig geruisch der golven na, die nimmer slapen, werd het stil.

Dien avond kwam Harmen er toe, z’n fiedel weer eens voor den dag te halen. En de oomes zongen:

„Dat meissie vroom, waarvan ik droom, Dat meissie van Enkhuizen, Dat lacht zoo lief, dat kent geen grief, Dat meissie van Enkhuizen!”

En Bolle sloeg van louter leut z’n witte knuisten op z’n witten broek, dat het meel er af stoof. En de Neus klopte z’n pijpje in de vlakke hand uit, en Hilke Jopkins keek naar de sterren.

Hajo leunde zwijgend over de verschansing.

Rolf zat in de barbiershut, gebogen over een kaart van de Kaapverdische eilanden.

Padde had een lijntje met spek door een geschutpoort gegooid en wachtte, of er een visch in wou bijten.

Als een groote wieg deinde de Nieuw-Hoorn op het water. Je kon er een slaapliedje bij zingen.

In de baai dobberde een groote, gouden vlek.

De spiegeling der maan.

PADDE HEEFT BEET

Of de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje!

’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van een Nieuw-Hoorn eens opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en wat visch zien machtig te worden.

„Wie er mee wou?”

Allemaal wel!

„Ja, maar het eiland is Spaansch!”

„Laat de Spekken maar komen!”

„Er mag niet gevochten worden.”

„En als zullie beginnen?”

„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem.

Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad, toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.

Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de jol lagen musketten en vischtuig.

„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?”

„Wàt, Hein?”

„Je neus weerom te brengen!”

„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde.

„Kannibalen?”

De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee.

„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen, gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker hebben.”

„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!”

„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz. aan.

Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen!

„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar Indië had gemaakt.

Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap, maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.”

Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.

„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!”

„Haal maar eens op!” zei Berentsz.

Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.

„Trekkèèèè!”

In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een groote zeeschildpad in het net.

„Wat ’n raar beessie!”

„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je zult hem niet bezeeren.”

„Zou-d-ie niet bijten?”

„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van koken! Hoepla!”

De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten.

„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, bootsman?”

„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat is dat!”

Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets in het water.

„De Spekken!! Ze smijten met boonen!”

Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een vlieg z’n voorpoot af!”

Weer een knal en een plons.

„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in m’n stopgaren!”

„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg vroeg.

Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd.

Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed. Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok bijkans met musket en al de jol uit.

Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een haastig heenkomen achter een boschje.

„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak voor de branding!”

Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!”

„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt.

De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen kapot geschoten!”

„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien, jongens! Een-twee; een-twee.....”

Spoedig was men buiten schot.

„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?”

„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?”

Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!”

Floorke begon te ginnegappen.

„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?”

„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat in zitten!”

Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende, spartelende visch bleek te zitten.

Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet geslagen.

De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die varensgasten uit de zeventiende eeuw.

Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had gehoord.

In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had, weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu mocht de storm weer blazen.

Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in. Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.

Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp! Hulp!!”

Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En Padde trok aan dezen kant.

„Ik..... pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen..... pf! niet binnen krijgen!”

De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin zat, had ie jou al lang buiten gekregen!”

Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay! Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen uit de geschutpoort. Er kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd en alles trok mee.

„Zou ’t een zeevarken wezen?”

„Trekkèèèèè.....”

Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde.

„’n Haai!!!”

Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen spelletje meer!

„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!”

„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek.

„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!”

Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van armen en beenen dooreen.

Beneden in het water plonsde het. En met een hartgrondige verwensching keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden.

Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren! Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten gaan.....”

Toen moesten de oomes weer lachen.

De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen; Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af.

„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!”

„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch nat?”

„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet branden wou?”

„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n pijp buiten boord uitklopt!”

De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje kon net zulke grapjes maken.....”

Dien avond koos de Nieuw-Hoorn weer zee. De koers werd recht op de evennachtslijn gesteld.

Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande zon, de berg en de rotsen diepblauw.

Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het eiland aan een graf deed denken.

Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen.

WINDSTILTE

Nauwelijks had Bolle den volgenden morgen vroeg-kost geschaft, of Diede Doedes kwam vertellen, dat hij achter in de lij twee zeilen zag. De maats brandden zich de lippen in hun haast om hun kommetje gloeiende koffie leeg te slurpen.

De marszeilen werden bijgezet en de koers gesteld op de beide schepen. Bij nadering bleken het de Nieuw-Zeeland en de Enkhuizen te zijn. Dat was een verrassing! Men groette drie maal met de vlag, en ook aan boord van de andere schepen scheen men opgetogen over het weerzien.

Bontekoe beval de jol te water te laten. De opperstuurman en hij daalden de ladder af; de maats wierpen de riemen uit en roeiden naar de Nieuw-Zeeland.

„Zijn jullie ook aan land geweest?” schreeuwden ze naar boven, toen „de heeren” in de kajuit waren.

„Ja! We wouden op Ilje del May water innemen. Maar de Spekken hebben geschoten! Twee van ons zijn er an gegaan. Lange Harm en IJsbrants Dircksz. met de sproeten.....!”

De schepen koersten gezamelijk weer Zuidwaarts. Maar op een kwaden morgen vielen de zeilen slap neer; stillekes dobberden ze op het rimpellooze water; de hitte deed het pek in de dekspleten smelten.

De maats wisten van verveling geen raad. Overal was het even broeierig; het hout brandde onder je voeten. In de kombuis liepen de koksmaats met gloeiende koppen heen en weer. Geen pijp smaakte je meer. Drinken,—dat was het eenige, wat nog een oogenblik verkwikking gaf.

De schipper liet allerlei spelen houden; de prijzen bestonden uit appels en peren, die nog in het ruim lagen opgestapeld. Verjoppie, daarvoor wilden de kerels nog wel een paar keer het dek op en neer rennen, of turfrapen, of den kruiwagen duwen! Een oome laadde onder groot gejuich den Schele op zijn wagen.....

Den halven dag lagen ze in den Atlantischen Oceaan te spartelen, de oomes; ze sprongen van de boegspriet het water in, doken onder het schip door, plasten en ploeterden en klommen dan langs de touwladder weer omhoog. Maar vijf minuten later waren ze weer even verhit als te voren. Ze vervelden om het hardst. Den oome, die bij Ilje del Foege een teen had verloren, werd door een of ander geheimzinnig zeemonster een tweede teen afgebeten. Er werd lang over geredekaveld, of het een haai, of iets anders zou zijn geweest. De gebeten oome zei, dat de duvel er achter stak: twee teenen achter mekaar!

Om verdere ongelukken te voorkomen, liet Bontekoe het grootzeil tusschen de onderste ra van de fok en den grooten mast binden. Het werd met water gevuld en leverde een gezellig zwembad. Nu was het zeil ten minste ergens goed voor. Natuurlijk waren er weer van die grapjassen, die, als je rustig in ’t bad je pijpje lag te rooken, van onderen met spelden door het zeil prikten.....!

De jongens werden beziggehouden. Terwijl de oomes geen hand uitstaken, moesten zij poetsen; poetsen en poetsen. Zwabberen en schrobben hoorde er ook bij. Als de zon al niet zoo beroerd glom, had Berentsz. ze ook die vast nog laten oppoetsen.

„’k Mag lijen, dat de zon niet valt”, verzuchtte Floorke.

„En waarom niet?” was het loome antwoord.

„’k Leg er pal onder”, zei Floorke. De oomes waren te lui om te grinniken.

Op een morgen ving Harmen aan een lijntje met spek een grooten kabeljauw. Toen werden allen door hengel-koorts aangetast. Achter elke geschutspoort lagen een paar oomes te koekeloeren. Voor den pechvogel, die geen lijntje had weten machtig te worden, bleef niets over dan langs de ijverige hengelaars te loopen en te vragen: „Al beetgehad?”

„Neen”, was dan het grimmige antwoord.

„En jij?”

„Wat?”

„Al beetgehad?”

„Neen.”

„En jij, Smirtjens? Al beetgehad?”

„Bijna.”

„Ga eens wat dieper liggen.”

„Heb ik al gedaan.”

„Wat hooger dan.”

„Heb ik ook al gedaan.”

„Wat doe je daar de heele dag te zitten, als je toch niks vangt?”

„Jij zou ook wel een lijntje willen hebben, hè?”

„Ik? Ik zal wel oppassen!”

„Ja. Opkrassen. Doe dat maar.”

Toen de bootsman het moe werd om den heelen dag achter de poetsende jongens aan te zitten, brak ook voor deze arme verschoppelingen een tijd van onbeperkte vrijheid aan.

Rolf maakte er een dankbaar gebruik van door bij Vader Langjas, die goed Maleisch sprak, voort te bouwen op de fundamenten, door Bolle gelegd. De barbier kreeg steeds meer schik aan zijn ijverigen leerling; hij stond versteld over de kennis, die Rolf in zoo korten tijd uit de boeken over heelkunde had geput, bracht hem wat op de hoogte met den stand en het wezen van sterren en planeten; leerde hem een gradenboog maken. Rolf nam op als een spons, ja, bracht den deftigen barbier soms leelijk in het nauw door meer te willen weten dan Vader Langjas hem vertellen kon.

„Ja, jongen”, zei deze dan, „voorloopig kan ik nog niet dieper met je op de zaak ingaan!” Maar terwijl hij de logische, eenvoudig gestelde vragen trachtte te omzeilen, voelde hij drommels goed, dat de heldere oogen van zijn leerling doordrongen tot in de engste hoekjes van zijn weten. Dan voelde Vader Langjas zich overwonnen. Hij zuchtte en zei met een zalvend gezicht: „Het gebied der wetenschap is oneindig, Rolf. Wij, menschen”—de nadruk op het woordje: wij—„zijn maar stofjes in het heelal. Wij kunnen de goddelijke wonderen der natuur aanschouwen, doch bevatten kunnen wij ze niet, Rolf.” Maar tegelijkertijd moest hij zichzelf bekennen, dat hij dat alles weleens graag vergat: Vader Langjas was gewend voor een alwetend man door te gaan!

Hajo speelde viool, en het ging Harmen als Vader Langjas: zijn leerling groeide hem boven het hoofd. „Kun je er de wind niet mee lokken, Hajo?” vroeg Rolf in het voorbijgaan. „Je leert het al uitstekend, hoor!”

Hajo hield op met fiedelen. „Vind je?” Een goedkeuring uit Rolfs mond was hem meer waard dan de overdreven loftuitingen van tien volwassen oomes.

Padde was het ditmaal bij uitzondering met Rolf eens. Vooral als Hajo erg langzaam en met trillers speelde, knikte hij ontroerd. „Ja-ja”, zei hij dan. Verder verklaarde hij onomwonden, dat een schip een nutteloos ding is, wanneer er geen wind staat.

Niemand sprak hem tegen.

„Foeiiiiit.....!” Een windstoot! Heerlijk verfrisschend. De oomes liepen joelend heen en weer, gooiden het water uit het grootzeil, spanden het op en hoopten twintig knoopen in het uur te maken. Floep! weg was de wind weer.

De oomes gaven den moed nog niet op! „Wacht maar!” troostten ze elkaar. „Dat was het begin! Straks komt er wel meer.”

Maar er kwam niet meer. Een enkele maal, na uren van volkomen windstilte, deed een enkel tochtje het water rimpelen. Na zoo’n korte verfrissching drukte de hitte nog meer dan te voren. Het grootzeil werd weer zwembad. Oef.....!

Drie dagen later kwam uit het Oosten een groote, donkere wolk aandrijven. Ze wierp een zwarte schaduw voor zich uit over het water, verduisterde binnen een uur den ganschen hemel. Doodsche stilte.

Spanning bij de schepelingen. „Een windhoos!” werd er gefluisterd. Ondanks het halfduister broeide er een hitte, die den adem benam.

In eens..... een windstoot.....! Nog een! Nog een! De zeilen rukten aan de touwen, vielen klapperend weer neer, rukten opnieuw, dat de ra’s er van piepten, vielen luimig weer neer.....—Daar kletterde een regen, zoo hevig, dat allen doornat waren, vóór ze het wisten. De waterstralen daverden op het hout, dat ’t hooren je verging; er waren honderd trommelaars in de weer.

De maats gierden van de pret. In bakken, zeilen en pannen werd het water opgevangen. Je hadt maar iets op te houden en ’t was al vol. De oomes trokken hun broeken uit en liepen als Adams rond, stoeiend, gillend. „Fijn is-t-ie, hè?”

Rrrrrt! Met een krachtigen roffel besloot de regen. Ineens. Geen druppeltje viel er meer. De zon drong weer te voorschijn. Wat even te voren gedropen had van het water, was in enkele oogenblikken kurkdroog.

Stilte. Volslagen stilte. Brandende zonnestralen vielen loodrecht op het schip.

In den namiddag herhaalde zich de grap.

Den volgenden dag driemaal. Maar bij dat al schoot men geen vadem op.

Eindelijk begon het weliswaar gestadig te waaien, maar de wind tolde in het rond, of hij dronken was. Men was zonder ophouden in de weer met het omgooien van de zeilen.

Wonderlijk waren de nachten. Dan scheen de wereld een tot berstens toe gevulde schatkist. Het goud der sterren droop in het water, dat zelf als vloeiend goud was. Het schuim, dat opspatte voor den boeg, was louter zilver; milliarden edelsteenen stoven alle zijden uit. Sterren werden van links naar rechts gekegeld,—lieten een gloeiend spoor na.

De maan scheen het wonderlijk geheim van dit alles doorgrond te hebben: rustig glansde zij tusschen al het bont gedwarrel.

Hajo kon er ’s avonds niet toe komen om naar bed te gaan; het spel der sterren nam hem geheel in beslag; hij voelde zich in een sprookjeswereld verplaatst, in een doolhof van wonderlijke gebeurtenissen, waaruit geen ontkomen meer mogelijk was. Daar, in het Noorden, moest Holland liggen en Hoorn en de Bagijnesteeg..... Was het mogelijk?

Drie, zes, acht sterren tuimelden dooreen. Weer een! En daarginds..... vier tegelijk!

Rolf en Padde stonden mijmerend naast hem.

„Hajo.....” vroeg Padde, „hoe zou de evennachtslijn er uitzien?”

„Misschien wel een lijn van vuur..... of zoo iets”, zei Hajo.

„’t Is hier allemaal vuur!”

Hajo keek peinzend voor zich uit. „Zeg, Rolf, hoe komt dat..... kijk eens! wat een sterren daar vallen!..... hoe komt dat..... met die vallende sterren?”

„Die vallen eigenlijk niet. Die veranderen alleen maar van plaats en.....”

„Dat kun je ook zeggen, als je een dakpan op je kop krijgt, dat ie van plaats veranderd is!”, meende Padde. „Kijk daar eens! Daar vallen er zes tegelijk!”

De knapen zwegen en tuurden voor zich uit.

Na een uur verbrak Padde het zwijgen. „Dat alles moest m’n moeder nou eens kunnen zien! En m’n zusjes en broertjes!”

Hajo voelde een prop in z’n keel.

En Rolf stelde voor, om te gaan slapen.

ALBATROSSEN

Na drie eindelooze weken van onophoudelijk laveeren kwam de dag, dat men de linie zou passeeren. De oomes, die de reis al vaker hadden gemaakt—dat waren verreweg de meesten!—deden geheimzinnig. Om twaalf uur in den middag verwachtte men een voornamen gast: Neptunus in eigen persoon zou uit zee opduiken en de Nieuw-Hoorn een bezoek brengen. Een half uur lang zou hij het bevel over het schip in handen nemen, onder zijn genadig toezicht de nieuwelingen laten doopen en dan, met zijn gevolg, weer in het zilte nat onderduiken.

Het middendek werd versierd met de guirlandes, die reeds op Oudejaarsavond zulke goede diensten hadden verricht. Tegen den grooten mast timmerde men een troon voor den machtigen zeegod en plaatste er een groote kuip water voor. Waartoe die diende, mochten de „groentjes” voorloopig nog niet weten. Daarom maakten eenige janmaats zich op om hen in het vooronder op te sluiten. Harmen nam Padde voor zijn rekening. Terwijl hij hem gevankelijk wegvoerde, schilderde hij hem in sombere kleuren zijn naaste toekomst voor. Padde jammerde hemel en aarde bijeen; de anderen lieten zich lachend opsluiten. Maar bij de meesten was het de vroolijkheid van dien bekenden boer, die kiespijn had.

„Kom, Padde, schreeuw niet zoo! ’t Zal wel meevallen!”

„Meevallen?! Als je driemaal gekielhaald en een uur met je hoofd onder water wordt gehouden?”

Het sloeg acht glazen. De deur van het vooronder werd ontsloten.

Buiten wachtte den groentjes een dubbele rij oomes, die hen met papieren klappers naar de verhooging dreven, waar de oude grijze Neptunus reeds zat, omgeven door zijn ganschen hofstoet. De schipper en de opperstuurman zaten aan zijn zijde. Neptunus droeg een waardigen, met papieren visschen beplakten mantel, en in zijn hand klemde hij een vervaarlijken drietand, waaraan een stokvisch was gespietst. Zijn dienaren hadden een mombakkes voor met spitsen, langen neus en groote, groene vissche-oogen. In hun roode haren was nog zeewier verward. Een van hen wachtte met een groote schaar bij de ton water, om de groentjes kaal te knippen. Hij droeg de roodbaaien onderbroek van Harmen van Kniphuyzen. De anderen stonden met volle putsen gereed om te „doopen”.

Er werd niet getalmd. Zonder erbarmen pakten Neptunus’ dienaren de groentjes in hun nekvel, duwden ze stuk voor stuk in de ton, verfrischten ze ten overvloede nog met een puts water. Toen werden ze door den roodgebaaiden lakei van vorst Neptunus van hun haardos bevrijd. De vlokken stoven in het rond; pijnlijke kreten der slachtoffers deden vermoeden, dat de schaar weleens uitglipte. Toen alle groentjes behoorlijk kaal waren en het water hun uit de kleeren droop, verhief Neptunus zich met koninklijk gebaar van zijn zetel en sprak: „Haal me de bottelier er eens op!”

Daar kwam de Schele al aan, nog rood van het tappen. „Wat is er van je bevelen, Majesteit?”

„Dat je de kerels een oorlam schenken moet, bottelier!”

„Leve koning Neptunus!” brulden de oomes.

„De groentjes ook, Majesteit?” vroeg de Schele.

„Donder en bliksem!” sprak Zijne Majesteit, „er bennen geen groentjes meer, Schele!”

„Tot je orders, Majesteit!” En de Schele verdween, voortgedreven door een stelletje ijverige oomes.

„Zou jij de bottelier niet er eens ’n handje helpen?” vroeg Koning Neptunus aan Padde, die niet ophield met jammeren over de mishandeling, die hij had ondergaan.

„Helpen?! Om die beroerde kerels een oorlam te bezorgen?! ’k Zou nog liever!” schreide Padde.

„Zeg er eens, manneke!”—het was Bontekoe, die sprak—„Durf jij tegen Koning Neptunus op te staan?!”

„Koning Neptunus! Dat donder en bliksemen heeft ie dan toch van de bootsman!”

„Donder en bliksem.....!” stamelde Neptunus.

De oomes lachten. En Padde trok er grimmig tusschen uit.

Daar kwam de Schele met zijn helpers terug, een paar vaatjes bier voor zich uit schoppend. Met hoera-gebrul werden ze (de vaatjes)! ontvangen en geopend. En toen hieven de maats de kroezen op, dronken op de gezondheid van Neptunus, den schipper, den bootsman, op de linie, op Holland en op Java, op de Nieuw-Hoorn, de behouden thuiskomst, gunstigen wind en verder op alles, waar maar op gedronken kon worden. Neptunus bleek, na in den loop der eeuwen dagelijks zeewater te hebben moeten slikken, ook niet wars van een hartversterking: hij doopte bedachtzaam zijn grauwe snor in een kroes.

De vaatjes raakten leeg. De oomes keken sip. Maar tot troost werd er afgekondigd, dat allen in de kombuis twee appelflappen mochten halen.

Die smaakten!

En toen kwam het afscheid. Neptunus drukte den schipper de hand, gaf hem het gezag over de Nieuw-Hoorn weer plechtig over en liet zich in triumf uitgeleide doen naar de valreep. Hij wenschte allen voor de laatste maal goede reis en dook met zijn dienaren weg in het water.

Een kwartier later kwam de bootsman Folkert Berentsz. met natte haren, juist als had ook hij een linie-doop ondergaan, het dek opstuiven. „Donder en bliksem!” voer hij uit. „Wat heeft die rommel daar te beteekenen?! Weg er mee! Waar zitten me die apen van jongens? Vooruit! Zwabberen!!”

De wind was Zuid-Oost. De koers werd gesteld boven de Abriolhos, een groep lage, rotsachtige eilanden op de kust van Brazilië. Bij de Abriolhos komende, stilde de wind echter, zoodat men vreesde, de eilanden niet te zullen kunnen omzeilen: de stroom zou de drie schepen, wanneer de wind geheel ging liggen, recht op de eilanden doen stooten, en ze zouden er vast zitten, tot het den wind geliefde te gaan blazen. Neen, als ze de eilanden niet omzeilden, zag het er slecht uit, want op de Abriolhos zou niets te halen zijn en men verlangde naar versch voedsel. Te lang gepekeld vleesch eten leverde gevaar op: de Oostinje-vaarders hadden veel met scheurbuik te kampen.

Maar in den nacht werd de wind weer sterker, en op het kantje af lukte het, de eilanden te omzeilen: men streek er zoo dicht langs, dat men met het bloote oog de rotsen in het maanlicht zag verrijzen. Het volk werd vergast op een flap-kanne Spaanschen wijn voor iedere tafel van acht man.

Nu werd de steven gericht naar een groep kleine eilandjes: Tristan d’Acunhe. Maar men kreeg ze niet te zien. De wind sloeg om naar het Noord-Westen. Toen stelde men de koers op Kaap de Goede Hoop, ten einde daar te ververschen. Het was nog wel een geducht eind, maar de wind zwol gedurig aan en zat mooi achter in ’t zeil. Als dolfijnen schoten de boegen door het water; de oomes waren vol goeden moed.

Toen onze vrienden op een middag bijeenzaten, wees Hajo eensklaps met de hand naar boven. „Kijk eens, wat een groote meeuwen!” Daar kwamen, heel hoog in de lucht, uit het Zuiden een aantal witte vogels aanzweven. Hun vlucht moest verbazend snel zijn, want ze namen zienderoogen in grootte toe. Maar zonderling: de lange, smalle vleugels schenen zich nauwelijks te bewegen. „Albatrossen!” riep Rolf uit. „Dan zijn we dicht bij de Kaap!” Op het voordek begonnen een paar oomes te schreeuwen: „Albatrossen! We naderen de Kaap!!” Al het volk liep te zamen, schreeuwde opgewonden dooreen.

Het waren machtige dieren. Er zweefden nu al een dozijn hoog om de Nieuw-Hoorn, en uit het Zuiden kwamen er nog steeds. Ze schenen niet te vliegen, ze dreven op hun enorme vleugels, waaraan nauwelijks eenige beweging te bespeuren viel.

Terwijl onze knapen vol spanning toekeken hoe majestueus de albatrossen kwamen aanzeilen door de wolken, hoe snel en sierlijk zij zich lieten vallen, wanneer ze in het water een prooi ontdekten; hoe ze, ondanks hun grootte, vol gratie en zonder de geringste inspanning weer opstegen van het watervlak, hun prooi vast omsloten in de sterke klauwen,—was op het achterdek een ander drietal met een zonderling werkje in de weer. De Manke, die op den dag van de uitvaart Gerrit den hals had willen omdraaien, sneed een stukje hout van een handbreed te lang, overtrok het met reuzel, bond het houtje aan een lange lijn en wierp die toen overboord.

„Nou zullen we eens afwachten!” zei de manke.

„Afwachten”, bevestigde zijn pokdalige kameraad.

„Of ze fijnproevers zijn! Hehehe!” grinnikte de kleine, Schieltjens Blauw.

Met drieën, vieren tegelijk schoten de vogels uit groote hoogte op het lokaas af. De behendigste hapte toe..... en was gevangen. De mannen vloekten van genoegen. Met z’n drieën trokken ze de lijn binnen. Dat viel niet mee! Het dier klapte met de vleugels, vloog van het water op en wilde de wolken weer in. Maar de overmacht was te groot: met uitgerekten hals, den bloedenden bek wijd open, werd het omlaag getrokken. Hulpeloos tuimelde het op het dek, sloeg wild met de reusachtige vleugels.

„Kom er eens hier! Kom eens kijken!” brulde de pokdalige.

Van alle kanten kwamen de oomes aanzetten. „Wat een prachtig beest!”

Boutjens (zoo heette de manke) was door de algemeene belangstelling gestreeld. „Wacht nou maar eens even! Dan zul je wat zien!” Hij trok zijn mes, plaatste zich achter den vogel, die, als vermoedde hij het nieuwe gevaar, met een smartelijken roep schuw ineendook. Toen liet Boutjens zich plotseling met de knieën op de beide gespreide vleugels vallen en sneed het dier met een snelle beweging den strot door. „Had je niet gedacht, hè?” grinnikte hij, terwijl hij weer overeind sprong en zijn bebloede handen en polsen aan zijn broek afveegde.

Grootsch en tragisch was het, te zien hoe het prachtige dier zich de smetteloos blanke veeren rood verfde in zijn wilde worsteling met den dood. Boutjens sprong, met de anderen, haastig ter zijde om een slag van den machtigen vleugel te ontloopen.

„Kun je het vleesch eten?” vroeg Hajo, wien het moeite kostte, den manke niet te lijf te vliegen. Boutjens keek gemelijk op, toen hij Hajo’s stem herkende. Hij spuwde op het dek en keerde den jongen zonder antwoord te geven den rug toe.

„Eten?” zei een der oomes. „Wel neen. Het vleesch smaakt sterk.”

„We vangen ze zoo maar. Voor de aardigheid”, blufte de pokdalige.

„Zoo”, zei Hajo. „Maar als je nu het hart hebt er nog een te vangen.....” Hajo’s vuisten balden zich.

De manke stootte een ruwen lach uit; men voelde er zijn haat doorheen.

Hajo werd bij den arm gegrepen. Het was Rolf. „Ga met mij mee, Hajo. Wees niet onverstandig. We zullen hun plannen op een andere manier verhinderen.” En hij trok Hajo met zich mee naar de groote kajuit.

Boutjens keek hen met donkeren blik na. „Ze gaan naar de schipper! Ik zou ze graag de nek omdraaien, maar je moet nog voorzichtig zijn, dat je je vingers niet brandt!”

„Kom, Boutjens”, zei Schieltjens Blauw. „Laten we nog er eens ingooien!”

Toen stond Padde voor hen. „Als jullie het doet, krijg je van mij op je ziel!”

Boutjens was verbluft. „Wat zeg je?! Rakker!”

„Ik zeg, dat, als je het hart hebt nog een van die mooie beesten te vermoorden, je dan van mij op je falie krijgt! Versta je dat, dierenbeul?” Dikke tranen schoten pardoes uit Padde’s knippende oogjes; zijn stem beefde van aandoening.

„Daar staat er een te grienen om ’n beetje bloed!” hoonde Boutjens. „Wat ’n papjoggie!”

Maar meteen had hij van het papjoggie een klap op z’n wang te pakken, die lang niet voor de poes was. „Dat is één!” riep Padde. „En dat is er nog een!”

Vloekend en razend kwam Boutjens op Padde af. En, gelukkig voor den botteliersmaat, namen de oomes hem in bescherming. Zelf wilde Padde zijn voordeel daarbij niet inzien. „Laat me los! Hij zal op z’n ziel hebben!”

„Ja, laat hem los!” siste Boutjens. „Hij vraagt er toch zelf om?” Maar toen de maats niet op zijn voorstel ingingen, wendde hij zich tot zijn twee getrouwen. „We zullen er maar geen woord aan vuil maken. Hier met de reuzel! We zullen nog eens ingooien.”

„Schei er mee uit, Manke!” raadden de oomes.

„En waarom?” vroeg Boutjens. „Vorige reis heb ik er wel ’n dozijn gevangen! ’t Zijn mooie beessies!”

„Laat me los!” jammerde Padde. „Ik wil de schurk.....!”

Daar kwam Hilke Jopkins aanstevenen. Zonder een woord te zeggen, rukte hij Boutjens het tuig uit de handen en stak het in den broekzak. „Bevel van den schipper: er mogen geen albatrossen gevangen worden.”

„O, is ie gaan klikken!” zei de manke met verbeten woede. „’k Zal hem!”

Maar toen legde de lange Fries een van z’n handjes op Boutjens’ schouder. „In gemoede”, zei hij, terwijl de manke onder zijn greep ineenkromp, „je blijft van hem af!”

Met een verwensching verdween Boutjens in het vooronder.

Den volgenden morgen vond hij een groote klomp zout in zijn koffie. Met een kreet van afschuw spuwde hij het zwarte vocht weer uit.

Harmen van Kniphuyzen had medelijden met hem. „’n Ongelukje”, zei hij. „Kom maar eens hier, dan zal ik je betere inschenken. ’k Heb hier nog een keteltje vol staan, eigenlijk voor de schipper!” En welwillend glimlachend goot hij Boutjens’ kom weer vol. Maar de duvel speelde er mee: de tweede kop was zoo mogelijk nog zouter dan de eerste! En Boutjens spuwde en foeterde, dat het een aard had.

Dien middag kreeg men de Kaap in ’t zicht. Maar de vreugde hierover was niet zoo groot, als ze had kunnen zijn. Want de wind woei zoo stijf uit het Westen, dat men onmogelijk aan land kon gaan. De zee werd steeds woeliger; de schepen dansten geducht.

Er werd scheepsraad gehouden op de Nieuw-Zeeland. Na lang mikken en meten besloot men door te zeilen. Al het volk was nog gezond; er heerschte voorloopig ook nog geen watergebrek. Den twaalfden Mei—dus vier-en-een-halve maand na het vertrek uit Holland—omzeilde men de Kaap, boog daarna om naar het Noord-Oosten. Tot Terre de Natal toe hield men het land in ’t zicht. Het was mooi weer; men onderscheidde duidelijk de talrijke rotsplateau’s en de hooge kegels van het Drakengebergte, welks toppen vaak tot in de wolken reikten.

De Enkhuizen was bestemd om naar de kust van Coromandel te gaan. Daarom leek het den schipper het best, het kanaal van Mozambique te doorzeilen, ten einde te ververschen op de Comorische eilanden, westelijk van Madagascar’s noordpunt. Bontekoe en Pieter Thijsz. van de Nieuw-Zeeland namen afscheid van den gezagvoerder van de Enkhuizen; de heeren dronken een glas wijn op de behouden aankomst van alle drie schepen. Een uur later zond de Enkhuizen drie saluutschoten over het water, die prompt beantwoord werden, en week van de twee andere Oostinje-vaarders af. De zeilen werden kleiner en blanker. Toen viel de schemering in en onttrok ze aan het oog.

Droomerig keek Hajo het licht-grijze schimmetje na. Naar de kust van Koromandel..... was dat nog weer iets anders dan Oostinje? Het scheen even ver en geheimzinnig. Hoe wijd moest de wereld zijn! In Hajo kwam een stille bewondering voor den schipper, die midden in onbekende zeeën zijn collega’s vaarwel zei en dapper, in vertrouwen op God en op zijn kompas, met z’n paar honderd kerels en z’n mooi getuigd schip naar het verre, vreemde land toog, waar wellicht geen blank gezicht hem zou verwelkomen. „Goeie reis.....!” zei Hajo zacht.

Bontekoe en Pieter Thijsz. stelden hun koers Zuidelijk om Madagascar.

Op een middag hing de vlag van de Nieuw-Zeeland halfstoks.

„’n Dooie”, zeiden de maats van de Nieuw-Hoorn tot elkaar, terwijl ze over de verschansing er naar hingen te kijken. Tegen den avond hoopte zich op het middendek van de Nieuw-Zeeland wat volk bij mekaar. Er werd een psalm gezongen. Plechtig klonk het geluid van die vele diepe mannenstemmen over het water. Toen werd een plank met een overdekt lichaam er op over de verschansing geschoven. Het lichaam gleed in het water, zonk onmiddellijk weg in de diepte. Twee kanonschoten,—en de vlag schoot weer de hoogte in.

Maar twee dagen later..... hing ze opnieuw halfstoks! Toen begrepen de mannen van de Nieuw-Hoorn, dat men aan boord van de Nieuw-Zeeland kampte met een meedoogenloozen vijand: de scheurbuik!

Den dag daarop bracht Pieter Thijsz. een bezoek bij Bontekoe. De Bruinvisch was geërgerd en prikkelbaar door den slechten toestand op zijn schip en werd zeer heftig, toen hem bleek, dat Bontekoe zijn koers twee streken Noordelijker dacht te stellen, dan hem, Pieter Thijsz., goed scheen. Rood van drift stevende hij de kajuit uit, baande zich hardhandig een weg door een groepje verblufte maats, die al ’n tijdje naar zijn gebulder hadden staan luisteren. „Vaar waarheen je wilt!” schreeuwde hij. „Voor mijn part naar de hel!”

Bontekoe was kalm, zooals zijn mannen dat van hem gewend waren. „Ieder zijn overtuiging, makker! Ik wensch je goede reis.”

„Het zal me verwonderen, hoelang ik op de reede van Bantam moet wachten, voor de Nieuw-Hoorn binnenzeilt!” donderde Pieter Thijsz. hem toe.

„Ik zal je het wachten aangenaam maken, door je, dadelijk bij je aankomst, met de jol een vaatje Tocayer te laten brengen!” was Bontekoe’s vriendelijk antwoord.

De oomes stootten mekaar aan. „Die zit”, mummelde Floorke.

„Goeie reis!” snauwde de Bruinvisch. Toen vloog hij als een kat de valreep af.

De mannen in de jol beneden sprongen nog sneller overeind dan anders. Ze stootten af en roeiden, als was hun leven er mee gemoeid. Maar Pieter Thijsz. ging het nog niet vlug genoeg: hij greep een der riemen, duwde den maat, die er aan zat, zonder veel praatjes op zij en roeide, dat de spaan knarste.

De oomes van de Nieuw-Hoorn grinnikten. „Wat een rare!”

Bontekoe kon evenmin een glimlach onderdrukken. „Tòch een kranig schipper, mannen!” zei hij.

De oomes waren vereerd door Bontekoe’s vertrouwelijkheid. En Floorke, die vond, dat hij bij Bontekoe wel een potje breken kon, zei, terwijl hij zich achter zijn oor in de roode haarstoppels krabde: „Maar je moet geen ruzie met ’m krijgen, schipper: juffer Driestreng ligt altijd klaar! Nee..... ik heb jou liever, hoor!” En toen hij vermoedde, dat hij nu wellicht wat al te vrijmoedig was geweest, keerde hij zich om naar zijn makkers en zei: „Nou? Wat jullie, jongens?”

De oomes keken lachend naar het gelaat van Bontekoe, dat hen uitdagend aanzag.

„Nou?” vroeg Floorke. „Nou?!”

„Leve Bontekoe! Leve de schipper!” brulde de heele troep.

De kerels in de jol daarginds hielden van verbazing de riemen stil. Toen plaste Pieter Thijsz. den zijnen nijdig weer in het water. De maats schrikten op, trokken met een ruk de riemen weer aan, zwijgend glurend naar de Nieuw-Hoorn.

In Bontekoe’s oogen fonkelde iets; zijn gelaat werd een weinig rood. Maar een glimlach om zijn mond verraadde, dat de onverwachte hulde hem niet onaangenaam had getroffen. „Vooruit!” riep hij. „Haal de bottelier dan maar op! Want daarom is het jullie toch te doen.”

Nieuw gebrul. Van het voordek kwamen ook maats aanhollen. Ze roken, dat er wat aan ’t handje was. Floorke was de man! Verdraaid, die wist overàl een oorlam uit te slaan!

Maar na het eten maakte de vreugde plaats voor een algemeene gedruktheid. Uit gewoonte ging het volk ook dien avond weer op het dek, onder den lichtenden sterrenhemel gezelsen, maar het gesprek vlotte niet. Zwijgend luisterden ze naar het ruischen van het boegwater.

Er waren dien namiddag drie man ziek geworden.

DE GEVREESDE VIJAND

In enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn, zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch voedsel.

Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie..... wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij pijn leed.

„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.

Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen....”

Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn meer voelen zou.

Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder en zou het haar geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.

De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen. Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.

„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo maar de poorten uit.

In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om de Nieuw-Hoorn te bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl de Nieuw-Hoorn voor de kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en evenveel geladen musketten weg.

Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen, om beter te kunnen zien.

Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe er eens even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar de kapal voor anker kan gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”

De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke geen spier van verstond, wees toen op de Nieuw-Hoorn en toen weer naar het Zuiden.

„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.

„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water weer in, stortte zich in de branding.

„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.

„In ’t Zuiden..... pf! kunnen we landen..... pf! En m’n broek..... pff! ben ik kwijt.”

„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”

„Best, schipper. Ik versta alle talen.”

„En hoe zagen ze er uit?”

„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een met mijn broek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.

Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”

„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.

Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf schold op de „nikkers”, die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden. Het aantal zieken klom tot boven de veertig.

Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf waren nog gezond.

Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.

In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts, wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af, wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke, schorre stem: „Waarom..... waarom doe je dat?”

„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.

„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je....!” En Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met me gedaan is. Onder in m’n kist..... ik bedoel natuurlijk m’n scheepskist.....” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast! Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de gaten krijgt, want da’s een schurk.”

Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid. Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en murmelde: „Wie z’n zonden berouwt..... is geen schurk.”

Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.

Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.....

Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor de arme meisjes ter zijde te leggen.

Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan..... wat hun misschien allen te wachten stond.

Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin besloot Bontekoe het anker te laten vallen.

Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan land te worden gezet.

Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon de Nieuw-Hoorn licht afdrijven, en dan zou men van de helft van het volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”

Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon Bontekoe gebaarde, het niet met hem eens te zijn, moest hij zichzelf bekennen, dat Rol gelijk had.

Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote, blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in een zacht: roekoe.....! verwondering uit over de onbekende twee-voeters daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.

De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met den koopman, of hij het wagen mocht.

Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt gezet!” verzekerde hij.

Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van mijn maats kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de Oost maken!”

Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, dat ik me verzet heb.”

„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je aan land laten zetten.”

„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”

Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.

Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen, toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half gezond, schippertje!”

De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor alle zekerheid een wacht uitgezet.

Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de wereld nog zoo onherbergzaam niet.

Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een ankerplaats te zoeken.

Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”

„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”

„Wij slapen toch niet, oom, zoolang de Nieuw-Hoorn nog geen kooi heeft!”

„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.

„Mag ik u bedanken, oom?”

Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”

„Jawel, oom!”

„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden Maleisch ken je?”

„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”

„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”

„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”

„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”

„Kan ik niet, oom.”

„En waarom niet, domoor?”

„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”

„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”

„Weet ik niet, oom. U wel?”

„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”

Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”

„Ja, kras maar op!”

Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”

„Ja zeker.”

„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.

EEN NACHTELIJKE ROEITOCHT

Slechts het regelmatig plassen der riemen en het milde ruischen der branding, die nauwelijks een branding was, vulden de nachtstilte. Geen veegje wind; van zeilen kon geen sprake zijn. De kust werd moerassig; slechts hier en daar blonk tusschen laag gewas en rottende plantenslingers een stuk zand. Zonder klotsen schoof het deinende water tegen het land op. Even geruischloos zonk het weer terug.

Een enkele maal school de maan achter wat wolken. Dan schenen de steltboomen daar verder op den oever donkere rotsmassa’s, die dreigend overhelden, of ze kropen als monsterachtige, veelpootige larven over het zand, en de grillig gevormde wortels, die zich in groezelig wirwar voortkronkelden tot aan den boord van het water, werden venijnige slangen, dreigden elk wezen, dat zich in hun bereik waagde, te zullen omstrikken en wurgen.

Men kwam aan een klein riviertje. Vergeefs trachtten de maats het op te roeien: een wirwar van waterplanten spande zich voor den boeg en schoof de boot weer achteruit. Aan de oevers massale, vreemdsoortige boomen; de takken omstrengelden elkaar over het water heen. Zoo dicht was het loof, dat men er geen duimbreed van den hemel door kon zien; de rivier scheen als uit een donkere bergkloof te stroomen. Hier en daar dwarrelden vuurvliegjes rond; enkele maats meenden in de boomen een paar lichtende oogen te zien. Een luipaard? Bontekoe liet er op goed geluk een schot op lossen. De uitwerking er van was verbijsterend: het klonk als duizend musketschoten; het bosch weergalmde van doordringend gekrijsch, vleugelgeklapper, brekende takken..... en naast de boot dook een gekartelde staart uit het water op, glinsterend in het maanlicht, en sloeg zwiepend weer neer, dat het water alle zijden uit spatte.

„Een kaaiman”, zei de schipper en leunde over den bootrand.

De maats waren kletsnat. „Verduiveld, ik dacht.....!”—„Ja, dat dacht ik ook!” En de humor zegevierde alweer. „’k Had ’m best bij z’n staart kunnen pakken!” roept de lolligste.

„Nou, en dan?”

„In ’t hondenhok leggen tegen de landloopers!”

„Komaan, mannen, weer verder!” maant de schipper.

Zwijgend roeien de maats weer door. Verduiveld, ’t is broeierig! Het zweet druppelt van borst en schouders. Een-twee, een-twee.....! plassen de riemen. Een groote vogel glijdt als een schim over het water, stoot in het voorbijvliegen een klagenden roep uit.

Allengs komen de ruwe varensgezellen onder den indruk van de wonderen-zwangere stemming van den tropennacht. Ze zingen niet, ze praten niet, ze luisteren beklemd naar den heet-hijgenden adem der stilte.

„Ssst!” fluistert Hilke Jopkins, die voorin zit. „Hou eens even in!” En als de maats de riemen laten zinken, wijst hij op iets donkers, dat in het water drijft.

„’n Boomstam”, meenen de maats.

„’k Zal eens kittelen, die boomstam!” zegt Hilke. „Dan zul je een boomstam eens beenen zien maken. Haal de boot eens een slag om? Maar kalm aan! Mag ’t, schipper?”

Bontekoe knikt; de maats halen de boot om en sturen haar geruischloos naar den „stam.” Hilke gaat op de plecht staan, heft in zijn lange armen een spaan op en.....! Gekraak, hoog opspattend water, in het rond vliegende stukken hout. Hilke klemt in zijn knuisten het laatste eindje van een versplinterde roeispaan. De stam drijft nog,—is een heusche stam.

„Verdorie.....!” stamelt Hilke. „Ik dacht, dat ’t een krokodil was!”

„Had ’t hem even gevraagd!” honen de maats. En Floorke meent: „Misschien is het een slapende krokodil! Die beestjes hebben een huid.....! Je kunt er vijf zagen op verknoeien, voor ze wat voelen! Waar, schipper?”

Bontekoe glimlacht. „Verder, mannen!”

De oomes hebben schik en roeien nu, alsof het een wedstrijd gold.

„Een oorlam voor jullie allemaal, als je dat drie uur volhoudt!” lacht Bontekoe.

„Makkelijk te verdienen, schipper!—Kijk, Hilke, daar drijft weer wat! Zou je niet.....?”

Hilke moppert wat. Zwijgend trekt men de riemen door het water.

Ineens aarzelen de maats. In de verte gromt het. Dof. Geheimzinnig. Dan is het weer stil.

„Wat was dat?”

„Sssst!” Opnieuw rommelt het. Een windvlaag koelt de bezweete ruggen der oomes zoo snel af, dat ze onwillekeurig huiveren. „Onweer!”

Niemand heeft bij het ingespannen roeien opgemerkt, dat de lucht aan een zijde geheel met roet overtrokken is. Daar schuift juist een dikke wolk voor de maan.

„Wat zullen we doen, schipper?”

„Aan je oorlam denken!”

Pats! zeggen de riemen alweer. Een paar vogels fladderen met veel misbaar uit de waterplanten aan den oever op.

Het wordt steeds donkerder. Korte windvlagen snellen voorbij, doen de bladeren der boomen geheimzinnig ruischen. „Hoe-hoe.....!” zucht de eene windvlaag. „Hi-hai!” spot de andere. Geesten dwalen door de lucht. Daar, onder die wortelnetten, hokken ze; ze fluisteren met elkaar als de jol voorbijglijdt. Duister wordt het, angstwekkend duister. De maats wachten, gejaagd roeiend, in innerlijke onrust op wat komen gaat.

Flits!

Hemel en aarde vliegen in brand. De zwarte wolken van daareven zijn nu oogenverblindend goud, de stammen der boomen glanzende saffieren. In hetzelfde oogenblik ratelt een slag, die de boot doet trillen; ’t water schijnt zich te splijten; de maats grijpen zich aan de banken vast en zien elkaar in de verschrikte, wijdgeopende oogen. Dan vlucht de donder, gromt heel in de verte grimmig na. En als een vonnis slaat een regen neer, die een zondvloed is. In lange, dikke pijpen schiet het water omlaag.

De maats schreeuwen dooreen; niemand, die een ander verstaat. Hoeft ook niet. Allen weten, dat in korten tijd de boot zal zijn volgeregend. „Naar de wal!” Dat is de gedachte, die hen beheerscht. Ze roeien als dollemannen; dan, als wortels en planten het onmogelijk maken, duwen ze met de riemen heftig af in den ondiepen grond. Ze springen aan wal, trekken de jol half op het land.

Dan hollen de kerels naar een reusachtigen boom en schuilen, nog wat beteuterd, onder het bladerdak bijeen. Boven hun hoofden dreunt het oorverdoovend concert van den fel neerslaanden regen. En ze staan er nog geen vijf tellen onder, of het water heeft zich al een doortocht gebaand, stroomt in goten en gootjes langs den machtigen stam omlaag, vormt watervalletjes van blad op blad en stroomversnellingen langs de schuine, harige takken. Wat zou het voor een boom zijn? De bladeren zijn taai als leer en dik genoeg om er schoenzolen van te snijden.

De maats krijgen schik in al dat dreunen, daveren, trommelen, spetten, knarsen en piepen in duizend tonen; de kitteling van de dikke, vallende druppen brengt hen in een roes. Ze trekken de kleeren uit, laten het heerlijk verfrisschende water op de bloote huid kletsen en maken van louter plezier malle sprongen en rondedansen. De regen schenkt levenskracht aan boomen en planten; waarom dan niet aan een Hollandschen janmaat?

Rrrrèng!!! Verblindend licht, een slag, bestemd om de aarde te splijten. De grond siddert onder de zweepstrieming; door het regengeweld mengt zich het kermen van scheurend hout. Takken worden links en rechts weggeslingerd, en uit een zwaren loofboom, twintig passen van den boom waaronder de schipper nog met den bootsman staat, ontvouwt zich..... is de duivel in het spel?..... een zwarte sluiergedaante. Eén gedaante? Het zijn duizend, honderdduizend dooreenkrioelende gedaanten, die zich, al tuimelend, schreeuwend van elkaar losmaken en alle richtingen uitfladderen. Ze hebben den vorm van vleermuizen, maar hun vlerken zijn zoo lang als Hilke’s armen. „Kalongs!” schreeuwen de maats, die in Indië zijn geweest, hun bibberende makkers toe. „Vliegende honden!”

De boom, die nu blijkt geheel kaalgevreten te zijn, is van top tot stam gespleten. De witte scheur lekt als een schrale, bleeke vlam den inkt-zwarten hemel in. Groote stukken bast liggen overal in het rond. En op den grond wemelt een zwarte hoop krijschende dieren dooreen, vergeefs trachtend op te vliegen; wanneer er zich een, vlerkenklappend, uit den hoop tracht los te maken, grijpen tien anderen hem met de tanden beet. Floorke pakt er een achter den kop en houdt hem zegevierend omhoog. Woedend spert het beest den bek open, slaat met de vlerken.

Intusschen rommelt het nog slechts in de verte. In het Westen teekenen zich grillig gekartelde bliksemflitsen scherp af tegen de donkere lucht, gloeien een oogenblik na als vuurpijlen en verbleeken dan ineens.

Plots houdt de regen op. Geen druppeltje valt er meer; slechts onder de boomen spettert het nog. De maats kennen dat spelletje der tropen nu langzamerhand.—Aandachtig bezien ze Floorke’s buit. „Laat eens vliegen, Floorke?”

Floorke werpt het dier de lucht in. Onzeker fladdert het weg, dreigt aanhoudend over bakboord te zullen slaan: waarschijnlijk is een der vlerken gewond. Het fladdert het strand nog over, tuimelt dan in het water, krijscht en slaat hulpeloos met de vlerken. Een donkere gedaante schiet toe, spert een afschuwelijken muil vol scherpe tanden open en sleurt den kalong de diepte in. „Een verschrikkelijk land!” is de verzuchting der maats.

De dieren onder den boom zijn voor het meerendeel dood of gewond. Hajo vindt er een, die met uitgestrekte, halfverschroeide vlerken op den rug ligt; het heeft op de borst een jong zitten, dat zoo stevig zijn nageltjes in moeders vacht gegraven heft, dat het Hajo niet lukt, het beestje los te maken. Hij roept Rolf bij dit zonderlinge geval.

„Dat doen onze gewone vleermuizen ook, Hajo! Ze dragen hun jongen met zich mee.”

Hajo krabt zich achter de ooren. „Nu begrijp ik eindelijk, waarom ik nooit.....!”

„Heb je soms naar de eieren gezocht?” vraagt Rolf.

„Jawel!” zegt Hajo. „En gevonden ook. Maar toen ik ze door een kip liet uitbroeden, kwamen er jonge eenden van!”

Rolf lacht en Hajo ook.—„We moeten verder, mannen!” klinkt Bontekoe’s stem.

De boot wordt gekeerd en weer in zee geduwd. Verfrischt en uitgerust springen de maats er in, stooten van den wal en heffen de riemen op. Hoe harder men roeit, hoe vlugger de kletsnatte pakken zullen drogen! De hemel wordt weer helderder; hier en daar gluren gele en witte sterren tusschen de wolken door.

Onder vroolijk gekout roeit men een uur achtereen. De zandstrook langs de kust wordt allengs breeder.—In het Oosten begint de lucht zich te verven. Oranje, karmijn, violet, alle kleuren druipen dooreen. Een groote wolk slaat in brand; de vlammen lekken langs den onderkant. Op het land laten vogelstemmen zich hooren. Krijschen, gillen, fluiten kondigt den morgen aan. En ineens barst het zonnegoud te voorschijn; de stralenbundels schieten alle kanten uit, kaatsen verblindend tegen de wolken. De dauw, die over het water hing, trekt weg; het rumoer op het land zwelt aan tot een oorverdoovend geschetter. Grijze, blauwe, roode, zwarte, groene vogels fladderen om en in de boomtoppen.

Het zal niet zoo drukkend heet worden als de vorige dagen: het onweer heeft de lucht gezuiverd. De kerels worden hoe langer hoe opgewekter en zingen een liedeke met het steeds weerkeerende refrein:

„Slaet den Speck op sienen neck! „Slaet op den trom! Riekeldebom!”

De feestelijke morgen drupt als balsem in de ziel der mannen en doet alle leed vergeten.

En in eens, na een begroeide bocht te zijn omgeroeid, komt men in een prachtige zandbaai! Het lood vliegt overboord. Allen vreezen, dat hier voor de Nieuw-Hoorn geen water genoeg zal staan..... maar de lijn schiet al maar door en..... verduiveld! vijf-en-dertig vadem is het hier nog diep! Men roeit de baai met forsche slagen binnen, een baai zoo goddelijk mooi, dat het hart der oomes licht als een veertje wordt. Hier zal de schuit veilig liggen! „Wat zeggen jullie van die baai, jongens?”

„Om in je zak mee naar huis te nemen, schipper!”

De maats roeien naar den oever, slepen de jol een eind het strand op en tijgen op weg, in vreugdevolle afwachting van de duizend-en-een wonderen, die ze te zien zullen krijgen.

De eerste vondst is een groot binnenwater, tien scheepslengten verder het strand op. Het is geheel doorschijnend; de zon doet den helderen bodem blinken. „Wedden, dat ’t zoet water is?” vraagt Floorke. Hij bukt zich, drinkt en spuwt vol afkeer alles weer uit.

„Zeker brak, hè?” informeeren de anderen.

„Hoe kom je er bij?” zegt Floorke „’t Water smaakt fijn. Proef maar eens.”

„Neen, als het zoo lekker is, willen we het jou niet afhalen,” verzekeren de oomes.

Wat verderop beginnen er een paar te schreeuwen. „Gommenikkie, wat een visch! Wel honderd!”

Allen hollen er heen. „Waar zijn ze nou?”

„Weg natuurlijk!” is het spijtige antwoord. „Als jullie ook zoo stampen.....!”

„Hoe zagen ze er uit, Gevert?” vraagt de schipper.

„Bruin, schipper! Met lange streepies. En van onderen wit, waar, Rooie?”

„Ze bennen wel een el lang!” verzekert „Rooie”.

„Daar gaat er weer een!” Met snelle, sierlijke wendingen schiet een visch voorbij, die vrij juist aan Geverts en Rooie’s gezamelijke omschrijving beantwoordt. De rug heeft een mooien staalglans, en nu het dier zich even op zij werpt, flitst een zilveren buik. Floorke stapt voorzichtig het water in, gaat voetje voor voetje op een visch toe, die iets verderop in het water staat, roerloos als een snoek..... Floep! Weg is onze waterbewoner.

„Je hadt ’m zout op z’n staart moeten leggen!” grinniken de oomes.

„Praat me niet van zout!” gromt Floorke, terwijl hij nog eens spuwt. „Wat was het voor een visch, schipper?”

„Het leek me een harder toe”, zegt Bontekoe. „We zullen straks, als de Nieuw-Hoorn geborgen is, eens een net door het water halen!”

Men loopt het binnenwater om. Het is wel een kwartier lang gaans.

„Heila! Kijk daar eens!” Verbluft staan de kerels stil. Uit de boschjes aan den overkant komt deftig, met afgemeten schreden, een roze-roode vogel stappen. Hij staat bijna een el hoog op de pooten, torst op een langen, dunnen, hoekig gebogen hals een zwaren, krommen snavel. Nog twee komen te voorschijn, dan wel een dozijn, half fladderend, met groote, luchtige schreden. Alle blijven onverwachts staan, wenden de koppen in de richting der schepelingen en stooten in een schorren kreet verwondering uit, waarop de zonderlinge, roze steltgangers bij tientallen tegelijk de boschjes uitkomen en, als ze Bontekoe en zijn mannen ontdekt hebben, al even verbaasd zijn. Maar lang duurt bij de meeste de verwondering niet. Ze plukken zich ijverig de veeren, waarbij ze hun hals in allerzonderlingste bochten wringen, schrijden waardig het strand over en, bij het brakke binnenwater gekomen, steken ze er even onversaagd hun kop in als Floorke daarstraks. Maar in het visschen zijn ze gelukkiger: hier en daar heeft er al een iets spartelends in den snavel.

„Flamingo’s!” zegt Bontekoe.

De vogels doen nauwelijks een poging tot vluchten als de mannen—na de bocht geheel omgeloopen te hebben—naderen. Ze loopen kalmpjes, met statig poot-opheffen, een eindje het water in, gunnen zich daarbij den tijd om onderweg een vischje te pikken en het, met opgerichten snavel, door den langen hals te doen glijden. Hajo besluit er een mee te nemen, voor Doris. Maar wat zou hij het beest te eten moeten geven?

„Vischjes, garnalen, krabbetjes.....”, meent Rolf.

„Nou”, zegt Hajo, „we gaan er mee naar de haven, dan kan hij zelf vangen, wat hij wil. Wat zullen de jongens opkijken! Ze zullen denken, dat ik hem zelf heb rood geverfd!”

Men verlaat het strand. Ook hier liggen aan den boschrand, in de schaduw der boomen, tallooze groote schildpadden. „Er wonen hier vast geen menschen”, meent Hilke. „Anders zouden de dieren wel schuwer zijn!”

Zonder veel moeite baant men zich een weg door het lage hout. Orchideeën hangen aan de stammen; heur sierlijke bloemen glanzen in het halflicht onder het loof wonderlijk mooi tegen het donkere hout. De meest zonderlinge gewassen groeien dooreen: er zijn sterk behaarde struiken met groote, saprijke bessen; lage boompjes, die, in plaats van op een stam, op wel vijftig stelten staan; de vruchten zitten als druivetrossen bijeen. En overal tusschen de boomen schieten hooge varens op, die hun bladeren, als groote handen met lange, spitse vingers, den oomes beschermend boven het hoofd houden. Duizenden kleine, bontgekleurde vogeltjes hangen schommelend aan de vruchtentrossen, wippen fladderend en duikelend van twijg op twijg, zonder hun keeltje ook maar een oogenblik rust te gunnen. Er zijn er met heel lange, sierlijke staarten; er zijn andere, die een dikken bef om den hals dragen als deftige raadsheeren; er zijn er met dunne, spitse snavels, wel zoo lang als het heele lichaampje, en weer andere met een zwierigen kuif op den kop, echte minstreels en verbazend met zichzelf ingenomen.

Heel dit kleine volkje legt een haast en een ijver aan den dag, alsof er in de wereld niet anders te doen valt dan honing snoepen! En niet één laat zich in z’n hoogst gewichtigen arbeid ook maar in het geringst door de komst der oomes storen. De papegaaien met hun vlam-roode staarten draaien nieuwsgierig den kop en krijschen hartverscheurend. Soms vliegt er in eens een vlucht schetterend op en pakt met heidensch kabaal de biezen.

Men komt aan een smal, snel vlietend stroompje, dat van de bergen Zuidwaarts in zee uitloopt. Het water is helder en smaakt heerlijk. De mannen loopen den oever een eindje langs en zien dikke palingen over den bodem kruipen! En plots slaan allen van verrassing de handen ineen, als een koppel vette ganzen, die van plan zijn een bad te nemen, giegegaggelend uit de struiken komt zetten. „We gaan hier nooit weer weg, schipper!” roepen de maats opgewonden.

De Neus heeft een gans beet gepakt en het schreeuwende dier zonder veel omslag den nek omgedraaid. Voor de kombuis! Maar dan moet hij vlug maken, dat hij wegkomt, want de makkers van het blank gepluimde slachtoffer komen sissend, waggelend, met kleppende vlerken en wijd opengesperden bek op hem af.

Ook de andere maats springen bedachtzaam ter zijde. „Mannen!” zegt Bontekoe, „we zullen nu terugkeeren en het schip in de baai brengen. Het zal hier zoo ongeveer vijf mijl vandaan liggen; we kunnen vanmiddag hier dus weer terug zijn en nog voor een goed maal zorgen.”

En zoo keeren de maats weer om naar het strand, waar de flamingo’s, wier getal intusschen tot honderden is aangegroeid, hen schreeuwend welkom heeten.

„Nou zul je eens wat zien!” voorspelt Floorke. Hij schreeuwt, klapt in de handen en rent zoo op de vogels af, die thans verschrikt de vleugels openen. En de oomes krijgen zoo iets wonderlijk moois te zien, dat hun monden ervan openvallen. Het is een veld vol pioenrozen in knop, dat eensklaps al zijn roze-roode kelken opent en als een heerlijke bloemenweelde ten hemel stijgt.

„Heb ik te veel gezegd?” bluft Floorke.

Maar de maats antwoorden niet, staren sprakeloos naar boven, tot de halzen hun pijn doen. Dan springen ze in de boot en roeien weg.

Naar de zon te oordeelen, kan het een uur of acht in den ochtend zijn. Er is wat wind gekomen; tot groote vreugde van allen kan het zeil geheschen worden. Het blanke doek bolt danig; men hijscht uit louter plezier de vlag, die in het achterkastje ligt opgeborgen. In de allergemakkelijkste houdingen, die ze maar bedenken kunnen, liggen de oomes door mekaar, brullen telkens van pret, wanneer de boom over hun hoofden scheert, laten hun vingers door het frissche, stralend blauwe water slieren, spreken opgewonden over hun avonturen van den verloopen nacht en over wat straks komen gaat. En ze jammeren in koor hun gansche, uitgebreide répertoire scheepsliedjes uit—het eene nog treuriger dan het andere.

Want vroolijk zingen doet een Hollandsche janmaat, wanneer hij wat verzetten moet. Gaat alles voor den wind, zooals op dien heerlijken morgen, dan is geen wijsje hem treurig genoeg.

Zeven uren later lag de Nieuw-Hoorn aan beide ankers veilig gemeerd in de baai, die zwijgend, maar met algemeene stemmen: de Flamingo-baai was gedoopt.

De zon brandde.

DE HOREN DES OVERVLOEDS

Dat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken, en je hadt wildbraad zooveel je maar wilde, jongens! Zes man gingen er met den zegen op uit en trokken dien door het brakke binnenwater. In een ommezien hadden ze het net vol.

Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje, waarin het van vette paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen, maar de dieren glipten hem tusschen de vingers door.

„Ik weet beter!” zei Harmen. „We trekken onze hemden door het water!” Hij trok z’n hemd uit, legde er een stevigen knoop in.

„Je mag er nog wel een paar knoopen in leggen”, meende Rolf.

„Vanwege die paar scheurtjes?” vroeg Harmen geringschattend en stekelig. „Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we er dat overheen!”

Bereidwillig stond Hajo zijn hemd af. Toen was er geen doorgang meer voor het kleinste palinkje. En met veel succes werd het „net” door het beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om z’n kuiten dichtgebonden, ten einde dit nuttige kleedingsstuk als bewaarplaats voor de palingen te kunnen aanwenden. „Ze bijten niet!” stelde hij zijn makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren weg liet glijden. Eindelijk spande de broek aan alle zijden en deinde geheimzinnig op en neer. „’n Rot gevoel!” bekende Harmen.

Andere maats waren ter duivenvangst getogen. De mooie, grijsblauwe vogels werden zonder de geringste moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het was hartroerend te zien, hoe de makkers der arme gevangenen hun leven waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen dapper voor hun soortgenooten op, vlogen krijschend om de hoofden der mannen heen, die een kromsnavel hadden weten te bemachtigen. Een enkele oome werd dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze konden zoo gemeen bijten!

Padde was te opgewonden om zich tot een enkel ding te kunnen bepalen. Hij verscheen overal ten tooneele waar zijn hulp niet verlangd werd, liep boos weg, wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en bepaalde zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden. Intusschen bleef hij voorzichtig als een ekster, steeds gereed in een boom te springen, wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elken stam, waarachter zich een menscheneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld,

„Wat doen jullie daar?” vroeg hij aan de maats, die de opdracht hadden om de leege watertonnen uit het riviertje te vullen.

„Water innemen! Om de tanden te poesse! Help maar ’n handje!”

„Nemen jullie nou al water in?? We gaan toch nog lang niet weg!”

„De bootsman heeft ’t gezegd. Voor de rest hebben wij d’r niks mee te maken.”

„De bootsman is stapelgek”, verzekerde Padde.

De oomes keken bij die vermetele woorden uit den mond van dat botteliersmaatje, dat nauwelijks droog achter de ooren was, verbaasd op. Padde stak de borst vooruit om te laten zien, dat hij er de vent niet naar was, een eens gesproken woord terug te nemen.

„Zeg dat eens waar de bootsman bij staat? Ik heb je nog nooit zien aframmelen.”

„Je hebt de bootsman zeker óók nog nooit zien aframmelen?” vroeg Padde. Toen draaide hij zich hooghartig om. Met open mond keken de oomes hem na.

Padde toog naar het strand, waar een stelletje maats bezig was met het vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden, er zich toe bepaalden kop en pooten in de hoornen vesting onder te brengen. Men keerde ze met stokken om en sleepte ze weg naar de plaats waar Bolle de kombuis had opgeslagen.

Padde besloot om op z’n eentje aan het werk te tijgen. Maar terwijl hij het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, trachtte om te wentelen, ontdekte Padde onder den schildpad een gat in het zand, en in dat gat lagen tallooze kogelronde eitjes, zoo groot als die van een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken. „Kom eens hier! Kom eens kijken!!”

De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje, een oome met een langen hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal, had al tweemaal Bantam en Sumatra gezien, griste zonder veel omhaal van woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts.

„Geef hier!” riep Padde. „Die eieren zijn van mij!”

„Blijf er nog maar wat bij wachten,” ried Gerretje hem aan. „Hij legt er nog wel net zooveel bij!” Gerretje’s bewering klonk wat kras, en ze was het ook.

Padde geloofde er geen duit van. En om dat te bewijzen gaf hij Gerretje, die zich juist grinnikend boog over het laatste handje-vol eieren, een fermen slag op de volle muts. Toen spoedde hij zich haastig voort, terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruis uit nek, ooren en oogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was Padde. Hij nam zich voor, bij den schipper zijn beklag te doen.

Maar terwijl de arme jongen nog overal naar Bontekoe zocht en op behoorlijke zeemansmanier door de oomes van het kastje naar den muur werd gestuurd, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren kerven in den stam aangebracht en daaruit droop een dik, wit vocht omlaag, juist in den pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook eerst eens, doopte toen vol vertrouwen duim en wijsvinger in den pot en likte ze af. Het vertrouwen werd beloond: Padde stelde vast, dat de witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in den pot en, al likkende en slikkende, groeide in hem onwrikbaar het plan, om niet te rusten, vóór de bodem van den pot aan het daglicht onthuld was.

Maar onverwachts regende het harde noten op zijn hoofd en schouders, en uit de hoogte, van onder de lange, gevederde bladeren van den gekerfden suikerpalm, schreeuwde de Neus: „Beroerde kerel, dat je bent!”

Padde blikte, star van schrik, omhoog. Eerst toen hij zeker wist, dat het slechts de Neus en geen menscheneter was, die zich daar onder het bladerdak verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. „D’r is voor geen duit smaak aan!” verklaarde hij.

„Blijf er dan af met je gap-jatten!”

„Als je nog een woord zegt, trap ik de heele boel om!” verzekerde Padde. En om te bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak Padde pardoes zijn heele vuist in den pot.

„Wel sapperloot.....!” was al wat de Neus er nog kon uitbrengen.

Padde ging, al likkend, zijns weegs. Ja, zoozeer was hij in dien zoeten arbeid verdiept, dat hij niet eens merkte, hoe een groote wesp, eveneens aangetrokken door den geur van het palmvocht, zich onder tegen zijn hand zette. Maar plotseling voelde Padde een hevigen steek; hij slingerde het gevleugelde monster van zich af, schreeuwde, of hij vermoord werd, en stak bijkans zijn hand in den mond om de pijn weg te zuigen. Maar het gekwetste lichaamsdeel zwol op als een varkensblaasje.

Padde’s stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging toen op zijn rug drijven en speelde walvisch door zijn vingers op de lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij wilde ook duiken, sprong van een overhangenden tak het water in, maar kwam onzacht neer op zijn maag. Daarom gaf hij het zwemmen op.

Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje er aan, waarin letters waren gegrift. „Lees dat eens, Vader Langjas!” zei hij, terwijl hij den barbier, die kruiden aan het zoeken was, het bordje onder den neus duwde.

De barbier zette, verrast, zijn bril op. „Ick, Adriaen Maertsz. Block, commandeur van.....!—Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom je er aan, Padde?”

„Gevonden!” zei Padde. „Ik dacht wel, dat het letters waren; daar heb je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?”

„Wel, vrindje, hier staat.....”—en Vader Langjas zette zijn bril recht—„hier staat, dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heeren 1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op de kust eenige manschappen verloren, doordat een paar sloepen in de branding zijn stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz. Block gehoord?”

„Jawel”, zei Padde. „De schipper van de Hoornsche Zon heet Blok.”

„Zoo.....” weifelde Vader Langjas. „’t Is een admiraal, weet je? Op de Afrikaansche kust heeft hij met dezelfde dertien schepen, waarvan hij hier spreekt, een Spaansche vloot verslagen.”

„Merakel!” verklaarde Padde. „En dan te bedenken, dat hij nou met z’n smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!”

Men hield dien middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan het spit gebraden en daarbij met schildpadvet bedropen, zoodat ze glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf een flamingo, waarvan hij alleen de dikke vleezige tong, die den ganschen ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolle’s gezicht en zijn genoegelijk smakken en vinger aflikken te oordeelen, moest een flamingo-tong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich voor, om den volgenden dag ook eens zoo’n rood gepluimden gast bij den staart te pakken. Palingen en andere visschen zwommen eerst in sissend, pruttelend vet en daarna in de hongerige magen der avonturiers. Een berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om er den maaltijd mee te besluiten, en bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt van meel, met schijfjes ananas, kokosmelk en bessensaus.

Tijdens den maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de schemering in. Het licht der lustig dansende vlammen der spitvuren werd als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze aansnorren, en ze zoemden zoo lang boven de vlammen, tot ze er met verschroeide vlerkjes in tuimelden.

Men sloeg tenten op voor den nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen ook een stuk zeildoek weten te veroveren, spreidden dekens uit op den grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en voelden zich in een paleis.

De oomes, die hun tent klaarhadden, staken een pijpje op en keken naar de sterren. Harmen haalde zijn „fiool” en speelde om beurten met Hajo, en de oomes wisten haast niet, wie mooier speelde.

Zoo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen, hoorden niets meer dan het tsjirpen van tallooze krekels, het snorren van een nachtvlinder, een enkel krijsch-geluid daar ver weg in het bosch, verstervend in duizend echo’s.....

Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes, die hij in den loop van den middag voor dat doel gevangen had.

Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd gesteund, de oogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen.

„Hajo?” vroeg Padde zacht. „Hoelang zijn we nou al uit Hoorn weg?”

„Hoelang? Een..... een half jaar zoowat.”

„’n Half jaar.....!” zuchtte Padde. „Ik zie me nog op Gerrits kooi op den steiger zitten! Waar is Gerrit nou?”

„Daar, vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom gezet.—Gerrit!”

„Ka!” schreeuwde Gerrit verschrikt en slaapdronken. Hij maakte even een beweging, als wilde hij van den tak fladderen, waarop hij zat, bedacht zich toen wijselijk, keek zijn meester weemoedig aan, slikte iets weg en borg resoluut zijn zwarten kop weer tusschen de veeren.

„Wel te rusten”, zei Hajo.

Padde staarde afwezig voor zich uit. „Ik zie me nog op Gerrits kooi zitten”, herhaalde hij. „’t Was zoowat bij de twintigste paal van de hoofdtoren af.—Zeg, Hajo, zou jij de weg nog op een prik kennen, als we terugkomen?”

„Stel je voor! In ’t pikkedonker nog wel! Padde.....! Willen we eens een wandeling..... door Hoorn maken? Hè?”

Padde begon te grinniken. „Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven uit?”

„Neen, we zijn in de Bagijnesteeg! ’t Is avond; we hebben al gegeten en jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, toen over het kippenhok en door het hofje naar buiten.”

„Wat gaan we doen?” vroeg Padde opgewonden. „Appels rapen? In ’t Sinte-Clarens?”

„Ja! We gaan eerst het Gerritsland af!”

„Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!” zei Padde. „Daar spelen de anderen nu mooi weer mee! De knikkertijd is net begonnen.”

„Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.”

„Natuurlijk!” zei Padde. „Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens willen doen.”

„Ja. Tollen is leuk”, gaf Hajo toe.—„Nou, we loopen om de Groote Kerk. Zouden de steigers er nog staan?”

„Vast! De Groote Kerk, da’s net als met de toren van Babel,—die komt nooit af.”

„Nou, zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats van naar ’t Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!”

„’k Heb juist zoo’n trek in appels!” zei Padde, die een afkeer van klimmen had.

„Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje Majoorske nog bij de kerk staan?”

Hajo bootste een krijschende vrouwenstem na: „’n Duit ’n oliekoek, jongens! Geert heit ze zelf gebakken!”

„Hè-hè-hè!” grinnikte Padde, terwijl hij z’n dik buikje vasthield. „Hè-hè-hè!”

„Ach, ’t is toch ’n arm, zwak menschje”, zei Hajo. „Ik had vaak met haar te doen!”

„Dat dacht je maar, dat ze niet sterk is!” meende Padde. „Vraag Geert maar eens; die loopt altijd met builen!” Padde trok z’n beenen in, sloeg er de handen omheen en zei: „Vrouwen zijn tangen.”

„Wat een onzin!”

„Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!”

„Goed”, moest Hajo toegeven. „Maar als je nou weer m’n moeder neemt.....!”

„De goeien niet te na gesproken!” zei Padde. „Mijn moeder is ook een beste, hoor!”

„Nou juist! En mijn zusjes zeker niet! Antje! En Maartje! En Truitje! En Sijtje!”

„Meisjes zijn altijd lief”, verzekerde Padde. „Maar later worden ze tangen. Ik ken d’r maar eentje, die haar leven lang ’n beste meid zal blijven!”

„Wie dan? Truitje Cannegieter?”

„Die?! Die wordt een helleveeg.”

„Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje Scheelzwam?”

„Praat me dáár niet van”, zei Padde. „Als die eenmaal getrouwd is, kun je ze met een tang in het vuur houden, onder water stoppen, weer uitwringen en op de bleek over een lijntje te drogen hangen, en dan zal ze nog haar groote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch niet, wie ik bedoel.”

Maar Hajo gaf het niet op. „Jansje Bezem dan soms? Uit de Hanekamsteeg?”

Padde werd vuurrood. „Laten we maar weer doorloopen!” stotterde hij. „We moeten nou de Botermarkt over!”

„Ik heb je in de gaten”, meende Hajo.

Padde blies als een kalkoensche haan. „Gaan we nou, nee of ja!”

„Goed”, zei Hajo lachend. „En dan de Gouw en de Turfhaven langs.—Nou, dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens, of er een nachtwacht in de buurt is?”

„Wel neen! Je hoort Joris op een kwartier afstands al aankomen. Hij zal wel ergens maffen!”

„Nou, ga dan maar op m’n rug staan! Kun je?”

„Ik zit al”, zei Padde. „Ziezoo, nou zit ik op het muurtje en spring de tuin in. Verdikte, wat zijn de appels dit jaar groot! En vol, dat de boomen zitten!”

„Ik ben al bij je, Padde! Ziezoo, nou maar voorzichtig-aan.”

„Mmm! Wat zijn ze lekker!” Padde smakte met de lippen.

„Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?”

„Mijn zakken zijn al stampvol.”

„De mijne ook! Ga maar weer op m’n rug staan, dan piepen we ’m!”

„Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale Dries aan!”

„Verjoppie! Zoo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Loopen, Padde! Loopen!” En de beide jongens stampten met de voeten op den grond, om aan te duiden hoe hard ze vluchtten. „Loopen! Ze krijgen ons nooit! Hoor je Kale Dries razen en schelden?—Ziezoo, nou geven ze het op.”

„Was me dat sjouwen.....” zuchtte Padde. „Wat doe je nou met je appels, Hajo?”

„Ik bewaar er een paar voor Doris en m’n zusjes.”

„Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. ’t Moeilijke is voor mij om de appels in huis te smokkelen zonder dat m’n moeder het merkt! Ze zit natuurlijk nog te naaien, hè?”

„Ja”, zei Hajo in nadenken. „Zeg, Padde..... wat breng jij voor je moeder mee?”

„Ikke? Een kleedje voor Zondags op tafel; het onze is op de hoeken zoo gesleten,—je zult het ook wel gezien hebben. En een koperen test wil ik koopen, zoo een als we vroeger in de stoof hadden vóór vader ’m.....! Denk je, dat ik voor m’n vader wat meebreng? Nog geen knoop voor z’n broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben, en m’n moeder ook, want ze heeft vreeselijk het land aan die gestopte Rommel. ’k Zal zien of ik er een met ’n randje kan krijgen, net als vrouw Schimmel uit De Gouden Gaper draagt. Nou, en een voetenzak heeft m’n moeder ook noodig, als ze ’s winters zit te naaien. Ze zal er voor zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk omhad, verloren. ’t Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijden! Nou, en dan zijn de gordijnen zoo gerafeld, weet je, ’t is een schande voor de buren, en in de mooie kast zitten wormen. Zou je ze niet, de sallemanders?—Wat koop jij voor je moeder?”

„’t Mooiste, wat ik zie! Misschien wel een nikkelen olifant om aan de lamp te hangen! Of een glazen bol met een landschap of een zeegezicht er in. Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!”

„Nutteloos goed”, meende Padde. „Weet je wat je moeder hoognoodig heeft? ’n Doordeweeksche rok!”

„Natuurlijk”, haastte Hajo zich te verklaren, „’n rok neem ik ook mee. Liefst een met zilverdraad bestikt, zooals die dame, weet je wel, uit dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m’n olifantje voor de lamp en m’n apen en m’n flamingo! Ik ga regelrecht naar huis! En jij?”

„Ik zeker niet?!” En Padde zuchtte diep.

Er heerschte lang stilzwijgen. Plotseling viel het Hajo op, dat Rolf gedurende hun heele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe. „Laat eens kijken je torretjes, Rolf?”

Rolf knikte zwijgend. Maar plotseling keek hij met verschrikte oogen naar de insecten, die hij vóór zich op zijn helder witten zakdoek had neergezet, en bedekte ze snel met de handen.

Te laat: Hajo had reeds gezien. Op den zakdoek lagen niets dan uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje rondkruipende lichaams-stompjes. „Waarom heb je dat gedaan, Rolf?” vroeg Hajo zacht en verbaasd.

Rolf was bloedrood geworden. „Ik heb het..... gedachteloos gedaan.....” stotterde hij. „Ik heb naar jullie geluisterd en.....” Rolf keek met opeengeperste lippen een anderen kant uit; een groote traan blonk in zijn oogen.

Toen bekroop Hajo een warm gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het smartelijk eenzaamheidsgevoel te bevrijden, waaronder hij leed.

Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien.

„Neen maar!” zei hij verontwaardigd. „Die arme beestjes de vleugels uit te trekken! Ze moesten jou eens zoo te grazen nemen!”

„Laat me!” siste Rolf. Hij duwde Padde heftig en ruw ter zijde, sprong op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met groote schreden tusschen de boomen.

Padde vond zijn spraak terug, na Rolf even verbouwereerd te hebben nagekeken. „Leelijke dierenbeul!” schold hij. En toen tot Hajo: „Eerst die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! ’n Mooie vrind heb jij! Kom, laten we maar gaan slapen!”

„Ga jij maar”, zei Hajo. „Ik blijf nog even op.”

„Wou je soms nog op ’m wachten ook?!”

„Ga nou maar, Padde.”

Padde werd nijdig als een spin. „Besjoer!” zei hij vinnig. En hij verdween in de tent.

Hajo wachtte. Duizend dingen spookten hem door het hoofd. Nu, in dezen geheimzinnigen tropennacht vol sterrenglans en krekelzang, geloofde Hajo voor het eerst in zijn leven den vollen omvang van zijn geluk te beseffen. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te berokkenen. En voor Rolf wilde hij altijd een goed kameraad zijn.

Toen een tak kraakte, schrikte hij uit zijn overpeinzingen op. Hij zag tot zijn verwondering, dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te voorschijn, wilde zich met gebukt hoofd naar de tent begeven.

„Rolf!” riep Hajo zachtkens en sprong overeind.

Rolf hield zijn schreden in, zag Hajo met groote, verbaasde oogen aan. „Ben je nog niet gaan slapen?”

„Ik heb op jou gewacht.”

Rolf bleef roerloos staan. Zijn in het maanlicht toch al bleek glanzend gelaat scheen nog bleeker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem zwijgend de hand.

„Kom”, zei hij toen. „’t Is al laat.”

VREEMDE BEESTEN

De volgende dag bracht tal van avonturen.

’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad. Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop, als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg.

En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een half jaar zijn we er”, schatte Hajo.

„Over drie maanden”, meende Rolf.

Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij.

„’n Wat??”

„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me bewoog!”

„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.”

„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig zwijgen. „Ik denk.....” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats: het zand spleet, brokkelde en..... een klein, vaalzwart kopje kwam om een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten het zand verder op zij en daarna vertoonde zich.....

„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf.

Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot, en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge, kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere, leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje afschroeven.

Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar, het krioelde van die beestjes!

„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo.

„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!”

„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een woord van gelooft!”

„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen maar wat geholpen.”

Padde keek verbaasd op. „De zon?!”

„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet de rest maar doen!”

„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken.

„’n Zwaan!” meende Padde.

„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.”

„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op.

„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf.

Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het bijkans den heelen snavel kon terugtrekken. [1]

„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!) werd de zware vogel opgetild en vervoerd.

„’n Dodo”, zei Vader Langjas.

En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht: „Tot welke familie zou hij behooren?”

„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!” [2]

Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig gesternte deelde hem bij de eerste familie in.

Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.

De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende water.

Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort.

De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur van duizenden orchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel, nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke, booze prinsessen.....

Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust, geen rust..... Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme, goede boomen, die gedoemd bent om te sterven, waar je bent ontstaan, och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie, reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier, heel ver.....”

Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem.

Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse bergen.

De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een grooten vijver, waarboven een dichte damp hing.

„’n Heete bron!” riep Rolf uit.

„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!”

„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend.

„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de overkant voert de vijver tòch water af.”

„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water zoo heet.”

„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?”

„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou stuiten.”

Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier..... boven de hel!!”

„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.”

„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende.

„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde.

„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier genoeg zijn.”

In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe.

De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes, die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden.

Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten.

„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven. „Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!”

Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig, hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit, waren geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar, rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels.

Doodstil zat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog.

„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!”

En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande gemaakt.

Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van, hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden. Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek..... Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit als die van het kameleon.....!—Het was al geschied. Een tong, haast half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat; toen een korte beweging van de kaak..... Spoorloos verdwenen was de geel-zwarte bloemenvriend.

Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar al weer rond, belust op nieuwen buit.

Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken.

Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop van het kameleon, vliegt terstond weer op, bedenkt zich, gaat weer elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer rond.

Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon. Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd. Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich..... Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche, stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden, schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open..... Hoepla! Het torretje besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits! Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van wel. En dus..... In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje, over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg.

Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht te geven, blijft de groene roofridder zitten. Aha! Daar kiemt nieuwe hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben!

Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het kameleon maakte zijn aanstalten.....

Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze verbazing..... veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel!

Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten. „Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met tak en al moeten meenemen!”

Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af.

„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?”

„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we hem in!”

„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!”

„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten zien”, zei Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een soort!”

„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde.

Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?”

„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?”

„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken. In de heete bron!”

„Ja!”

Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange, smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht, liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten.

In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij, onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn; daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg.

Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet, waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel; hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!”

De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel. „Zou hij al voedsel nemen?”

„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier, ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen.

„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo.

„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde.

Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar smaakten best. Alleen het zout ontbrak.

Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg, plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken.

„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf.

„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein, kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat hemd?”

„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt ie geel van sagrijn!”

„Laat kijken?”

„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.”

Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes. Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde, beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf geprobeerd!” klaagde Vader Langjas, verdrietig onder het weinige vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden het fleschje maar leeg.

„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor spinnen?”

„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde.

„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?”

„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde.

„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?”

„De eene papegaai is groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!” verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes, en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?”

„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe.

Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij.

„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde.

„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.”

„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken. Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote, hoor! Denk er om!”

„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde.

„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden!

Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige wesp!”

„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!”

Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig dit lichaamsdeel in zijn mond.

„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een zalfje op smeren.”

„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend alle wetten van tucht.

„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was? Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag.

Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?”

„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me gelapt!”

De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had. „Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten” lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield.

„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.”

„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de familie.....”

„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel er eens vinden! Denk er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte.

„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas.

Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen, Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf knoopte behoedzaam het hemd los.

De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!”

De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!”

RUILHANDEL

Padde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren ze op staanden voet verder.

Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen. Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde, frissche lucht in de Nieuw-Hoorn te krijgen. Terwijl een groot deel der bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen lagen. [3]

Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het dek bevuilden.

Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn meester hem tot gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag, dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield.

Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen. En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat onze vriend een fermen beet opliep.

„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi, ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem vergift te willen toedienen.

„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er gauw een pisang in!”

„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet, breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem Joppie noemen. Net als..... weet je wel?”

Harmen knikte. „Of ik ’t weet.....!”

In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n „papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar..... ook Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde, haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde. Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit. Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer eens, hakte onvermoeid. En eindelijk..... Ka! riep Gerrit. De jongens, die al in hun tent lagen, hoorden het.

„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde.

Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug, opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerrit voert hem!”

De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!”

„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf.

Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!”

„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf.

„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde.

Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde door het gat en begon er aan te knagen. En op een goeden morgen vonden de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje, net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette Hajo de kooi open.

Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles, en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden al wat eetbaar was: bananen, bessen..... Alleen voor wurmen toonde Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam den wurm alleen voor zijn rekening.

Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen.

Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde de Nieuw-Hoorn de baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood eskadron flamingo’s.

Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen.

De wind was gunstig.

Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote, onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het eilandje Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de toekomst tegemoet.

Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen, om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen.

Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de zakken vol ruilmateriaal.

Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts door het water trokken.

Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij, „hebben jullie eten? Makan? Nassi? Klappa? Pisang?”

„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen omhoog.

„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend omkeek.

Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal zoo’n sinjeur naar boven.”

Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich, na twee schreeuwende makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te hebben.

Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je ons makan geven!” En Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s voorbeeld. „Maar dan moet ik makan hebben!” En ook Padde sloeg aan het kauwen.

De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoering geëindigd had, diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg opscheerde.

De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende, witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: eerst betalen!

„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op. „Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan.

„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels, opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol meloenen.....

Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon, viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers.

De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord, stootten mekaar aan en schenen alles wat ze zagen, vrij bespottelijk te vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel, waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen neerzetten. Dat zouden ze wel lusten!

Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal, duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en slurpend.

„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten.

Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de tranen hun over de wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden.

Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven, kleurige vruchten.....

Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop: hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en twee dozijn fazanten.

De Nieuw-Hoorn beloofde een tweede arke Noachs te zullen worden.

De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om het middel droeg.

„Lamba”, zeide man aarzelend.

„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan Rolf af. Met een vragend gezicht nam de inlander den riem aan, wreef den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de oomes schudden van den lach.

Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn wenkbrauwen..... En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai.

Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn overtuiging, wonderen mee hebben verricht.

Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een kaal, onvruchtbaar bergplateau over.

Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden, ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en keften woedend tegen de oomes, daarbij echter een afstand bewarend, die een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op, alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn beenen hem dragen konden.

Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten.

„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.”

„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij nog op de proppen kwam.

Daar kwam Harmen terug..... met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig, heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen, schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere kinderen op de wereld, de poedelnaakte dreumesen met hun slanke ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat men er een vuist in stoppen kon.

Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes toe, „dan doen de meissies het vanzelf!”

De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes, die ingesloten waren, vóór ze het wisten, en toen hosten de janmaats zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze:

„Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen? Wij zullen u geven een ei!”

Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes, die Hajo nu aan het instrument ontlokte.

Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee, tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje.....

DE NEUS SCHIET EEN MUSKET AF

Er werd besloten, dat de groote boot onder leiding van den schipper zelf naar Madagascar zou oversteken, ten einde eens te onderzoeken, of daar nog geen goede voorraad vruchten zou zijn op te slaan, want alles bij mekaar had men toch nog geen versch voedsel genoeg aan boord om den grooten overtocht te mogen wagen. Daar de tweede stuurman eveneens zou meegaan, en de opperstuurman met koorts te kooi lag, was het aan Folkert Berentsz. om gedurende ’s schippers afwezigheid het bewind te voeren op de Nieuw-Hoorn. Dat zag er niet malsch uit voor de jongens! Want er was dagenlang niet gepoetst, en de bootsman zou stellig bij Bontekoe’s terugkeer de Nieuw-Hoorn blinkend gepoetst en geschrobd willen afleveren.

„Jongens”, zei Harmen, „we moeten er ons zien uit te draaien, anders loopt het mis.”

„Hoe: mis?” vroeg Padde.

„Wel, de bootsman wil van de schuit een porselein-kastje maken. Door ’t lange liggen is er mos aan de kiel gekomen; dat mogen wij er met een pennemesje weer afkrabben, en de poorten uitpulken en de ankers poetsen, tot ze glimmen als vischhaken! En weet je, wat ie jou wil laten doen?”

„Nou?” vroeg Padde.

„Zal je niet meevallen!” verzekerde Harmen. „Op het topje van de groote mast ligt stof, wel een vinger dik, dat moet jij er met je tong aflikken! En je moet met een lantarentje het grootzeil afzoeken of er motten in zitten, en als je er een vindt, moet je hem levend vangen en aan de bootsman geven, dan kan die hem laten kielhalen.”

„Jawel!” schimpte Padde. „Ik zal me door de bootsman laten negeren! Ik sta vlak onder de bottelier!”

„Ja, veel plezier!” dichtte Harmen. „En de bottelier staat vlak onder de bootsman. En als de bootsman diksi zegt, kun jij stof aflikken en motten vangen. Neen, we moeten zien klaar te spelen, dat de schipper ons meeneemt in de boot!—Nou, afijn, kom maar eens mee, jongens, ik zal wel zoo kletsen, dat ie toegeeft!”

Zoo togen de vier kameraden in optocht naar de groote kajuit. Bontekoe was er alleen. Dat trof! Want geen der veelbelovende knapen had het erg op den koopman begrepen.

„Wat komen jullie doen?”

„Schipper”, begon Harmen met een ernstig gelaat, „we hebben er eens over nagedacht en..... hm! we hebben hier morgen aan boord tòch niets te doen..... eh, geloof ik, en daarom..... hm!”

Er tintelde iets in Bontekoe’s oogen. „Moeten jullie alle vier mee?”

„Alle vier!” haastte Padde zich te verklaren.

Harmen geloofde, dat hij zijn zaak gewonnen had. „Weet je, waarom Padde mee moet, schipper? Omdat we wel eens op menscheneters zouden kunnen stuiten!”

Padde verbleekte.

„En als dat dan eens gebeurde?” vroeg Bontekoe met innerlijke pret.

„Wel, schipper, wie van ons zouden ze er uitpikken? Padde natuurlijk! En wij loopen allemaal vrij!”

„Wá-blief?” stamelde Padde.

„Nou, gráág of niet!” zei Harmen. „Als jij liever wilt poetsen.....?”

„Vooruit dan maar!” zei Bontekoe. „Dus morgen vroeg alle vier klaar bij de jol!”

„Ik ga niet mee!” zei Padde vastbesloten.

Harmen gaf hem een stomp. „Ben je stapel?! Bevel van de schipper!” fluisterde hij, grinnikend.

„Ik zal wel poetsen!” jammerde Padde.

Den volgenden dag bij zonsopgang vertrok de jol, en de jongens gingen mee!

Het was een morgen uit duizend: een droge, milde Oostenwind maakte het mogelijk het zeil te voeren. Zachtjes wiegend op een kalmen golfslag, koerste de jol in Westelijke richting. De oomes pruimden, rookten, gaven mekaar raadsels op, hakten op over hun hachelijke avonturen. Heerlijk was de morgenlucht. Harmen zette geurige koffie; slurpend, smakkend, met verzuchtingen van zaligheid werden de kommetjes geledigd.

In den middag kwam Madagascar in het zicht, een blauwgroen streepje aan den Westelijken gezichtseinder; later breidde de streep zich uit, onafzienbaar wijd. Grijze gevaarten, die men tot nu toe voor wolken had gehouden, bleken bergen te zijn. Een gele strook in de branding duidde op een rivier, die in zee uitkwam. Daarop werd de koers gesteld, en in den avond had men de branding doorworsteld en de jol gemeerd.

Men nam de wapens mee en zocht in de vallende duisternis een half uur ver den omtrek af. Geen spoor van menschen.

Vlak tegen het strand begon het woud. Een net van lianen, steltwortels en doornstruiken met stekels, groot en scherp als de nagels uit een tijgerklauw, ontzegde den toegang. Ineens, zonder overgang, de ontzagwekkende, meedoogenlooze, stomme strijd van het tropische oerwoud: boomkolos naast boomkolos. Worstelend om licht, trachten elke boom en plant in hun schaduw te verstikken wat zich rondom bevindt. Woudreuzen staan kruin aan kruin, als onoverwinlijke heerschers. Hier, in dit rijk van den sterkere, is zwakte een schuld, waarop de doodstraf staat, en kracht is recht.

Maar ook sluwheid weet er zich te handhaven. Sluw zijn de woekerplanten, die, wel bewust, dat eigen grootheid hen niet dragen kan, zich hechten aan de sterke reuzen en, listig kronkelend, zich voedend met het krachtige bloed dier reuzen, hun wegen vinden naar het licht, daarboven.

Raven zitten in de boomen; ze cirkelen met dreigend en naargeestig krassen om de toppen, of hokken in lange rijen zwijgend bijeen, als trieste, zwartgerokte gasten in een doodenhuis. Onder de takken door fladderen vleermuizen; zij kennen de verborgen gangen in het donkere woud, ze duiken weg en komen weer te voorschijn, onverwachts, met luimig vlerkenspel, als duiveltjes uit een heksengraf.

De maan breekt door. Over het water komen de avondnevelen: ijle, wonderlijke gestalten in lange, bleeke, wuivende gewaden. Zij voeren bij het harpspel der golven een sluipenden, geheimzinnigen dans uit.

Zwijgend, eenigszins beklemd, drentelen de oomes weer naar de jol. Dan worden haastig, zonder veel spreken, een paar tenten opgeslagen voor den nacht.

In het Oosten licht iets rossigs tegen de wolken,—dat is de weerschijn van het vuur, dat de bij de Nieuw-Hoorn achtergebleven maats hebben ontstoken, in geval de lui van de jol nog denzelfden nacht mochten willen terugkomen. Het is ganschelijk overbodig, dat de oomes hier als antwoord óók een vuur ontsteken; maar ze kunnen het toch niet laten; het doet zoo goed, te weten, dat daarginds nog meer vrienden zijn en dat daar hun bovenste-beste schuit ligt, die toegetakelde kast, die met haar opgelapten grooten mast voor den drommel bij goeien wind nog twee knoopen méér maakte dan elke andere kast, en die hen allemaal, jongens van de compagnie, zou terugvoeren naar dat beroerde kikkerland, waar het toch zoo deksels gezellig kon zijn, waar je, in plaats van oerwouden, geraniums in een potje, hè-hè-hè! voor je venster had staan,—naar dat half ondergeloopen lapje grond, waar je met hard malen en ferme baggerlaarzen nog net doorheen kon modderen; naar dat boter-en-kaaslandje, waar je moei en je meissie kousen voor je breiden, je zoenden en een fijn bakkie koffie voorzetten uit den ouwen gebarsten koffiepot, die boven het vuur zoo lekker knussies roezemoezen kon.

Zuchtend sliepen de oomes in.

Maar den volgenden morgen waren ze herboren! Even een bad, dan een gloeiend bakkie op je nuchtere maag, een beetje stoeien, de tenten ingepakt, een stuk rogge achter je kiezen, en zingend en kauwend tegelijk roeiden ze de jol de rivier op. De monding was breed, wel tweehonderd ellen, en in het midden liep een diepe vaargeul. Maar allengs werd de rivier smaller, en groote, verspreid liggende steenen bemoeilijkten de vaart. De oever begon te stijgen, werd rotsachtig. De zware, donkere loofboomen begonnen langzamerhand geheel te overheerschen, drongen het lichtgroen, wuivend gebladerte der palmen terug.

Tusschen steile steenen wanden gleed nu de jol stroomopwaarts. Hoog in de lucht omstrengelden elkaar de boomen van beide oevers. Aan vooruitstekende steenpunten hadden zich planten gehecht, welker bloemrijke stelen in sierlijken val omlaaghingen. Zwaluwen scheerden rusteloos heen en weer door de kloof, luid, doordringend tsiep-tsiep! roepend, waarschijnlijk uit bezorgdheid voor hun nestjes, waarvan de plaats door een streep vuil makkelijk te raden viel, al waren de hangmatachtige, grijze vogelhuisjes zelf ook handig aan het oog onttrokken. Hagedissen schoten in zig-zaglijnen tegen de loodrechte wanden omhoog. Hier en daar hing aan een rotspunt een geelgrijs bijennest, aan den onderkant omzoemd door een dichten zwerm.

Pats! Een paar steenen of noten—wat waren het?—plasten in het water. De maats keken op. Waar kwamen die dingen vandaan? Wie had ze geworpen? Pats! Een nieuwe laag. Twee kletterden in de boot neer,—het waren noten. Wat bewoog zich daarboven, heel hoog, in de takken? „Apen!” meenden de maats. „Ze willen ons meppen!”

Pats! Een nieuwe laag. Padde kreeg een noot op zijn gezicht, juist toen hij angstig omhoog keek. ’n Ferme bloedneus,—dat was gelukkig alles. Gerretje laadde een musket met ganzeschroot, mikte en knapte af. Het schot dreunde oorverdoovend in die nauwe kloof. Uit hoeken en gaten tuimelden vleermuizen, tolden piepend van den eenen wand tegen den anderen. Steentjes, door den plotselingen luchtdruk losgeraakt, kletsten het water in. Maar het schot had doel getroffen. Den kop naar beneden, een langen, geringden pluimstaart als een vlag omhooggestoken, suisde een aapje omlaag, viel tien ellen voor de boot in het water. Een roze sneeuwval van teere bloesems dwarrelde neer en dekte aapjes graf. De maats grepen het diertje, toen de stroom het aan de jol voorbijvoerde. Drie, vier gaten in het lichte, zachte borstje toonden, hoe bitter goed het schot was aangekomen. Het kopje was zilver-wit van kleur; een zwarte vlek lag om de nu gesloten oogjes.

In de boomen daarboven waren intusschen de andere notenwerpers van hun ontsteltenis over het schot bekomen: het regende weer noten. De Neus, die een noot tegen zijn wang gekregen had, waarbij zijn oor leelijk gekwetst was, pakte op zijn beurt grimmig een musket.

„Laat dat, Neus! Hoe meer je schiet, hoe beroerder we er aan toe zijn!”

Maar de Neus wilde niets hooren. Hij laadde het musket, drukte af..... Boem!

Toen gebeurde iets ontzettends. De steenen wand van den linker oever vertoonde in eens over de geheele hoogte een scheur; er kwam beweging in; een scherp gekraak,—toen zakte de wand voorover, kwam tegen den anderen wand te staan, brak doormidden en stortte donderend, vlak achter de jol, in de rivier. De boot kwam na in schuine richting omhoog te te zijn geslingerd, een eind verder weer neer en werd in hetzelfde oogenblik bedolven onder het loof van een zwaren boom, die door de vallende steenlaag was neergerukt. Wonder boven wonder werd het vaartuigje in zijn tuimeling niet verpletterd.

Lijkwit, tot op het hemd doorweekt, zaten de maats in de jol, de beide handen om het boord geklemd. „Daar hadden we slechter kunnen afkomen”, meende Bontekoe lakoniek.

Een paar maats vonden hun spraak terug en begonnen den Neus de huid vol te schelden. Deze zat rondom in het dichte gebladerte, een bloesemkroon om de slapen, die hem een feestelijk aanzien verleende. Maar zijn stemming was volstrekt niet feestelijk; wezenloos, met de ontzetting nog in de oogen, staarde hij naar zijn makkers.

„Het is een losse wand geweest”, stamelde Rolf.

„Laten we onder de boom zien weg te komen”, raadde Bontekoe. „Zoometeen gaan we hier kopje-onder!”

Zoo was het. Door de plotselinge stremming wies het water zienderoogen. En daar de boot onder den boom gekneld zat, moest ze wel volloopen!

Alle handen aan het werk! De maats kapten met bijlen en messen een uitweg voor de jol, die na veel gewurm vrijkwam.

Binnen weinige minuten zou het water over den rotswand een geduchten val vormen.

„Hoe straks terug te komen?!”

„We zitten als ratten in een val”, stotterde Floorke.

„Doorroeien!” beval Bontekoe. „Misschien vinden we hoogerop een zijrivier, die ook in zee uitloopt.”

Verdraaid, dat was zoo mal nog niet! Als ze een zijrivier vonden, waren ze klaar! Pats! de riemen scheerden alweer over het water. Eén voordeel: nu het water was opgeloopen, roeide het vrij wat lichter. En de apen waren ze kwijt! De kwelgeesten schenen den schrik te pakken te hebben.

Wanneer zou er eens een eind komen aan die hooge, beklemmende wanden, die slechts op een musketschot schenen te wachten om voorover te vallen en een stel arme janmaats te laten verongelukken? Bij elke bocht hoopten ze het einde van de kloof te zien. En ten slotte..... daar daalden de oevers, en onmiddellijk verbreedde zich het waterbed. De oomes ademden diep op.

In de kloof was het koel geweest, maar hier voelden de mannen de hitte weer geducht. De jol werd naar den kant, onder de schaduw der ontzaglijke boomen geroeid, en puffend zetten de maats zich neer op een groote rotssteenbank. De Neus wilde zijn zonde van daarstraks weer goedmaken, ging aan den oever wat hout sprokkelen. In een oogwenk had hij wat licht brandbare takken bijeen, en nu werd op de bank, met behulp van een paar kleine steenen, een oventje gebouwd, waarop Harmen zijn koffieketel plaatste. Rolf en Gerretje sleepten een net een eindweegs langs den oever, waarbij ze een aardig partijtje visch vergaarden, die gebakken werd in kokosolie. Toen de hongerige magen gestild waren, zette men den tocht weer voort.

Aanvankelijk hield men het midden van den stroom, maar spoedig dwong de brandende zon de mannen de schaduw op te zoeken, al had men daar ook meer last van steenen. Merkwaardig stil was het woud. Soms krijschten papegaaien, of verscheurde een onbekende dierenroep de stilte. Maar de stilte sloot zich weer, vlak na het geluid, en van den weeromstuit werd er in de jol ook gezwegen.

Allengs werd de rivier nauwer; men kon thans in het midden varen: de boomen van beide oevers sloten hun kruinen over het water aaneen.

Een paar kleine herten stoven verschrikt weg, het gewei achter in den nek. Steeds zwaarder welfden de bladerenmassa’s zich over de nauwe rivier. Hier hing schemerlicht; de zon kon nergens doordringen. De jol schoof onder een boom door, waarvan de takken door het water sleepten; aan de twijgen bengelden groote, groene vruchten; de onderste waren door de visschen beknaagd.

Harmen proefde er een. Ze was saprijk en heerlijk zoet. Toen plukten de maats wat er maar te plukken viel.

Toen de jol onder den vruchtboom uitschoof, lichtte den maats op eens weer de volle zon tegen; in breeden val sloeg het goud door een opening van het bladerendak neer. En zie: badend in dat hemelsche licht stond een boom, zoo zielsverrukkend mooi, dat de oomes geen woorden vonden om hun bewondering te uiten. Hij was met sneeuwwitten bloesem overdekt en ademde een bedwelmend zoeten geur uit. Koesterend gleed het warme licht over het blanke bloemkleed, en tooverachtig dwarrelden vlinders en bonte, glanzende kevertjes in het goud.

De bewonderende uitroepen gingen echter spoedig in verwenschingen over, toen bleek, dat die prachtige boom een haast onoverkomelijken hinderpaal vormde in den waterweg. Nergens was een doorgang te vinden. Er met den bijl een hakken? Dat zou weer een half uur ophouden.

Hajo werd door Bontekoe uitgezonden om de rivier hoogerop eens te gaan verkennen. Na zich met zijn lenig jongenslichaam door de nieuwe hindernis heengedrongen te hebben, zag hij, dat de rivier verderop steeds meer dichtgroeide.

Men hield krijgsraad. Er zat niets anders op dan maar weer terug te roeien en—hoe, dat wist niemand nog!—de jol heen te helpen over den waterval, die door den gevallen rotswand ontstaan was.

Ook iets anders baarde zorg. In het Westen begon de lucht te betrekken. Vooraan kwamen een paar donkere wolken, als ruiters op verkenning; daarna een zwarte drom, staag aanrukkend.

„Een regenboog!” riep een oome. Daar stond hij, fel en valsch tegen het zwart. Maar meteen schoof een loodkleurige wolk voor de zon; verschrikt schoten de gouden stralen ter zijde uit, boorden in het groezelig grauw, verfletsten, en ook de regenboog bleekte weg.

Nu werd alles in schemer gehuld. Men voelde de hitte toenemen, een broeierige hitte, die het ademen moeilijk maakte. De maats spanden, in afwachting van den komenden regen, een zeil over de jol. Het zweet droop hun van de schouders.

Kom, bleef het onweer nu nog lang uit? De spanning prikkelde; de heele natuur verlangde naar den eersten, bevrijdenden donderslag. Daar kwam hij! Vlak op het weerlicht, dat alles in ’t vaalgroen zette. Papegaaien krijschten.

Daar ratelde de tweede slag; als kon het geluid niet meer sterven, zoo lang weerklonk het in het woud en rommelde het in de verte na. Flits! Boem! Driemaal achtereen. Hoor de demonen razen! Ze zitten elkaar na, daar in die zwarte wolkenwereld; ze klauteren op hun duivelsrossen en slingeren bliksemstralen rond. Hoor het razen van de trommen, het schelle bonzen der strijdbekkens! Daar komen ze, nieuwe, zwarte drommen; ze stuiven voorwaarts, botsen opeen. Valt aan! Hu, rossen, valt aan!! Rondom grauwen en grommen en grimmig geweld!

Dan..... de bevrijding! Daar klettert hij neer, de forsche, ruischende regen, bevruchtend en heilbrengend. Jubelend davert hij in de bladeren, lachend spet hij in het water en roert het, tot de bruine modder naar boven wentelt.

Voorbij..... Met een diepen zucht kruipen de maats onder het zeil weg, rekken de verstijfde leden en ademen uit volle borstkas. Vol nieuwen moed pakken ze de riemen op en vangen den terugtocht aan.

Verwonderlijk snel ging het nu, met den stroom mee; om vier uur was men weer bij de kloof. Hier werd de jol gemeerd. Langs beide oevers zou een dozijn maats de boot volgen met een stuk of wat stevige touwen, en zoo, van boven uit, hoopte men de jol over de hindernis te kunnen tillen. De schipper zou met Floorke en nog een handvol fiksche maats aan boord blijven.

Men nam afscheid. De oomes aan de beide oevers klauterden langs de rotsen omhoog, en de jol schoot met z’n kleine, dappere bemanning de kloof binnen. De stroom versnelde zich nu weer verbazend; er moest heel wat stuurmanskunst worden aangewend om een ongeluk te voorkomen. En bij de plaats des onheils gekomen, scheelde het maar een haartje, of alles was nog misgeloopen. Had men voor enkele uren nog stroomopwaarts geroeid, nu zou daar geen denken meer aan zijn; zoo had de regen het stroompje doen zwellen. Met groote snelheid dreef de jol in de richting, waar donderend watergeweld den val aankondigde; men trachtte de vaart te stutten door de riemen als boomen te gebruiken..... vergeefs! De haren rezen den kerels te berge.

Floorke, handig als de drommel zelf, zette zich in het dansende vaartuigje schrap, sloeg fiks een lus in een touw, wierp het als een lasso om een vooruitstekende rotspunt, wikkelde toen met een bliksemsnellen slag het einde van het touw om de roerpin. Een knoop er op, waar geen landrot wat van snapte, en de jol bleef met een ruk liggen. Een zware zucht steeg op uit aller borst. Met Floorke kon je uit visschen gaan. Er werd nog een touw om de rots geslagen, voor het geval de eerste zou afbreken. Daarna wachtte men zwijgend—het geraas van den waterval maakte elk onderhoud onmogelijk—op de komst der anderen.

Dezen hadden vrij wat meer tijd noodig om vooruit te komen en zeker niet minder moeilijkheden te overwinnen. Het was een eindeloos klauteren, een staag voortworstelen door struikgewas en boomstammen, en nu en dan moest men zelfs van den eenen boom in den anderen overklimmen. Een escorte half-apen begeleidde hen daarbij, hield zich den buik vast bij de stumperige klimpartij dier witte monsters. De takken waren nog glibberig van den regen; om den haverklap gleed een oome uit en kwam wonder boven wonder zonder gebroken hals of beenen in de doornen terecht. De maats gingen tot den maatregel over, dien men in de bergen toepast: een gemeenschappelijk touw verbond hen. Als er nu weer een viel, bleef hij aan zijn riem hangen. Hilke aan den linkeroever, en aan den rechter de Neus, die ook niet voor een klein geruchtje vervaard was, wierpen zich als voormannen op; aan hen de taak om met een bijl de versperrende lianen weg te kappen.

Daar de partijen beide het eerst wilden aankomen, werd er niet gerust. En zoo kwamen de mannen vrijwel gelijktijdig bij de jol. De touwen werden omlaag geworpen en reikten krap aan. Met fikschen slag trokken de kerels in de boot ze onder de kiel door, zoodat de jol in een schommel kwam te hangen.

„Alles klaar?” De oomes sloegen hun knuisten om de touwen; langzaam werd de kabel, die door Floorke om den rotspunt was geslagen, gevierd; twee dozijn gespierde oomes tilden de jol op, droegen haar over de gevaarlijke plaats en lieten haar met kleine rukjes zakken, tot ze weer op het water lag. Oef.....! dat was goed gegaan.

De touwen werden nu om een stam geslagen, en mannetje na mannetje liet zich weer in de jol glijden, tot allen beneden waren. Toen liet men de touwen los, en de jol gleed weer voort in den bruisenden stroom. Van den linkeroever lieten zich vlak achter de maats aan een paar half-apen langs het touw omlaag slieren en bungelden nu krijschend, aan één arm en één voet heen en weer. Daarop verloor men, bij een bocht, de zoo moeilijk overwonnen hindernis uit het oog.

Even later schoot de jol de kloof uit en dreef weer voort tusschen vlakke, wijde oevers. De mannen zagen nu, dat de zon al achter de bergen zat. En bij het naderen der riviermonding viel de duisternis in. De maan was vol, maar school telkens achter donkere wolken. Dan openden zich rondom griezelige spelonken. Uit den hemel drupte zwarte inkt omlaag: het regende weer wat.

Heimwee bekroop de maats, heimwee naar hun schip, naar hun makkers, naar het vooronder, naar het gevoel weer een veiligen Hollandschen bodem onder de voeten te hebben. Hoewel de lucht er dreigend uitzag, voelde geen der mannen lust om aan land te overnachten: bij de monding der rivier gekomen, zetten ze zwijgend den mast op, heschen het zeil en stuurden in zee.

De wind sloeg bij vlagen door, zoodat het zeil luimig rukte en de jol sterk en onverwacht deed hellen. Men hield den kop van het vaartuigje zooveel mogelijk recht in de golven, wat gelukkig niet moeilijk viel, want wind en stroom kwamen uit het Noorden, en men was op den heentocht geducht naar het Zuiden afgezakt. Maar de zee was al even luimig als de wind: telkens kwam, vóór men er op verdacht was, een zware golf, die de jol hoog op haar armen tilde en weer in de diepte kwakte, zoodat de oomes in een ommezien doornat waren.

Steeds woeliger werd de zee; steeds heftiger drukten de windstooten in het zeil.

Hopla! De jol schepte water. Baliën! Gelukkig had men putsen meegenomen. Verjoppie, daar dreigde het stuurboord voor de tweede maal onder water te schieten; de mannen lieten zich naar bakboord overvallen; de mast kraakte onder den hevigen druk.

„Zullen we reven, stuurman?” vroeg Bontekoe.

„Me dunkt, we kunnen het nog wel even houden, schipper!”

De maats hadden schik. Laat het zeil maar op; de jol lag vast genoeg; ze zouden wel zorgen, dat-ie niet kiepte. Hoe gauwer thuis, hoe liever! Ze hebben de putsen klaar om te baliën,—jongens van stavast, wà-blief? Kennen de zee als moeders waschtobbe. Hei! wat schoot de jol door de golven! Hoe smeuïg doopte-d-ie, bij het afglijden van zoo’n gladden golfrug, z’n neus in den volgenden!

Op eens.....! Aan bakboordzij een hooge, donkere muur; de jol werd weggezogen, tegelijkertijd overkruifde haar van achteren een andere golf; een witte mantel van schuim werd hoog over de jol zwierig uitgeworpen,—toen kregen de arme kerels, die van schrik overeind gevlogen waren, de volle lading binnen. „Baliën!” Ze voelden nog bodem onder de voeten; de jol dreef dus, al lagen de boorden zoowat met het water gelijk. Hijgend en vloekend van angst hoosden de kerels. Wie geen puts had, wierp met handen en mutsen het water terug. Bontekoe greep een vaatje olie en goot dat aan bakboordzijde leeg. Daarna spande hij samen met Hilke, terwijl de anderen nog druk aan het baliën waren, een zeiltje over de plecht, om het water af te weren. En toen het hoozen gedaan was, werd ook het gedeelte achter den mast overspannen, slechts vrijlatend een plaats voor den man aan het roer. „Als we nou kiepen, kunnen we zeggen: samen uit, samen thuis!” meende een oome.

„Het vuur!” riep de stuurman. De maats gluurden onder het zeiltje door en zagen den rossen schijn. Dat gaf moed!

Een golf van heb-ik-jou-daar mepte op het zeil. De oomes hadden schik. Als het zeiltje er niet geweest was, nou! Ze sjorden het voor alle zekerheid met nog een paar touwen vast. Hopsa! Kon men ergens ter wereld lustiger dansen dan op zee? De leut was er bij de kerels niet meer uit te krijgen. Ze dreinden daar onder hun zeiltje alle deuntjes, die ze kenden. Binnen een uur zouden ze veilig op één oor liggen!

Maar de pret dreigde leelijk verstoord te worden. Een windvlaag drukte het zeil zoo ver neer, dat de jolboord onderdook, en het water over de geheele breedte naar binnen stroomde. De maats verstomden, voelden, dat de jol nog verder overhelde.....! Snel als de gedachte trok de Neus z’n mes en sneed met een forschen ruk het strakgespannen ondertouw door, waaraan de boom met het zeil uit alle macht trok. De boom sloeg weg, beukte in het water; het zeil rukte woedend, vloog in flarden. Maar de jol richtte zich overeind, al stond ze ook weer half vol water. De maats spanden hun rug tegen het zeiltje, dat de touwtjes knapten, en—in koortsige haast hoozende—scholden ze den Neus uit voor al wat leelijk is. Want bij een ongeluk behoort een zondebok.

Ditmaal was de Neus minder beteuterd: hij was terecht overtuigd, de jol en al zijn makkers voor een wissen ondergang behoed te hebben.

Nu, roeien dan maar! De golfslag werd minder hevig: ze naderden land. Daar dook de verlichte Nieuw-Hoorn al achter een waterrug op! Moed, jongens!

Een half uur later zagen ze gestalten op het dek. „Ahoy!” riepen de oomes, staken de lantaren aan en zwaaiden er mee. De wacht in ’t kraaiennest antwoordde. De maats voelden zich al weer thuis. „Blij toe, jongens!”

„Nou!” In de kombuis werd licht opgestoken. Beste, brave Bolle! Ze roeiden naar de lijzijde, grepen de touwen, die hun werden toegeworpen, sloegen ze door de hijschpinnen.

Toen klauterden ze stuk voor stuk langs de valreep omhoog.

„Daar zijn we weer!”

„En? Hoe hebben jullie ’t gehad?”

„’n Fijn tochie! De Neus heit half Maddegasker an puin geschoten.”

„Is ’t waar, Neus?”

„Op je gezicht! Als ik er niet was geweest, waren ze met z’n allen naar de haaien gedoken!”

In optocht, met knikkende knieën, begaven de teruggekeerde oomes zich naar de kombuis, waar ze trillend van welbehagen de gloeiende koffie opslurpten, die Bolle ondanks het late uur voor hen had opgezet, toen de wacht hen in zee had gesignaleerd. De natte kleeren van ’t lijf, droog ondergoed aan en onder de wol. Hè!

Ze snurkten.....! ’t Was bij de varkens af,—vond een maat, die twee dagen lang gepoetst had en daarbij alle levensvreugde was kwijtgeraakt.

De koopman ontving Bontekoe gekleed in de kajuit. „En heeft de tocht wat opgeleverd?” vroeg hij.

Eerst nu kwam Bontekoe tot het besef, dat de tocht geheel vruchteloos was geweest. In zijn vreugde over den gelukkigen afloop na al de gevaren, die hen hadden gedreigd, was hem dat gansch en al door het hoofd gegaan. Nu ineens stond hij voor de nuchtere vraag, wat de tocht had opgeleverd.

„Een nat pak kleeren”, was zijn antwoord.

„Daar heeft de Compagnie niet veel aan!” meende koopman Rol glimlachend.

„De Compagnie!” Hoe langer de Nieuw-Hoorn op reis was, hoe dieper zich in Bontekoe onbewust het gevoel geworteld had, dat het schip van hèm was en van z’n tweehonderd kerels, die er elken dag hun leven voor veil hadden. Hij voelde zich, ook nu weer na die korte worsteling met de zee, heer en meester op de Nieuw-Hoorn. En de koopman, de bloedlooze rekenaar, die voor geen avontuur in gloed te zetten was, die stille potkijker, dien hij, schipper Bontekoe, voor den duivel, nog als lichtmatroos niet zou kunnen gebruiken, zwamde over „de Compagnie!”

Straks, als de schuit veilig gemeerd op de reede van Bantem lag, dan kwam „de Compagnie” aan het woord, dan kon Rol koopen en verkoopen, tot hij al zijn boeken had volgekrast. Maar de taak om de Nieuw-Hoorn veilig daarheen te brengen, was voor hèm, Willem IJsbrantsz. Bontekoe, op dit oogenblik nog: naast God schipper op zijn schip!

„De Compagnie!” herhaalde hij driftig, draaide den verbluften Rol vierkant den vierkanten zeemansrug toe en ging ter kooie.

BRAND!

Den negenden dag, dat de Nieuw-Hoorn voor Sante-Marie lag, waren allen genezen. En men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende, dat de voorraad versch voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst Zuid-Oostwaarts tot op 33° en wendde den steven daarna Noord-Oost naar Straat Soenda.

Het waren mooie, stille dagen. De maats hadden de handen vol met het onderhoud van het pluimvee. Maar heel hun leven hadden de oomes niet zooveel eitjes gepeuzeld.

Padde werd in den loop der weken zelf zoo rond als een ei. Men ried hem wat beweging aan. Zuchtend besloot Padde het werkje over te nemen, dat tot nu toe de Schele altijd had verricht, namelijk ’s middags met een vaatje in den kelder te gaan en dat vol te pompen, ten einde den volgenden morgen allen oomes een half „mutseke” te kunnen verstrekken.

Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van blijde verrassing ging onder de oomes op, toen hij duidelijk verstaanbaar: Hajo! krijschte. Maar nu bleek, dat Joppie al niet veel beter was dan de menschen: ook hij stelde zijn kennis in dienst van het booze. Hij riep zijn meester den ganschen dag, liefst barsch, bevelend, zooals Berentsz. het deed, dan weer lokkend, vleiend, of angstig, opgewonden, als wilde hij zeggen: Kerel, je bent me toch niet overboord gevallen?—Zoo kwam Hajo soms buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond dan, in plaats van een grimmigen Folkert Berentsz., een allervriendelijksten Joppie, die hem den kop toestak om gekrauwd te worden. Alle maats, die den leergierigen vogel hun naam wisten in te pompen, kregen er spijt van als haren op het hoofd.

Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een groote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven van het lachen, wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden, den een nog vleiender en liefelijker dan de andere, uitgalmde.

Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat raar tegen den krommen snavel en de bonte pluimage van den jongen „torenkraai” aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze, waarop Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot.

Toen de oomes vonden, dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de taak over om Joppie’s leergierigheid te bevredigen.

„Vooruit!” zei Padde, „zeg nou eens: Padde Kelemeijn!”

Joppie keek hem pienter aan. „’t Is een merakel!” meende het dier toen.

„Vooruit!” mopperde zijn leermeester. „Padde Kelemeijn! Zeg het dan, stommeling!”

Joppie hield z’n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij Padde trouwhartig aan en schetterde: „Stommeling!”

„Je bent zelf een stommeling!” gromde Padde, die rood werd van drift.

„Kletskoek”, verklaarde de vogel en keek luchthartig naar boven.

Padde staarde het dier met opengespalkte oogen sprakeloos aan, keerde zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te verspillen.

Zoo kwam een dag, die den mannen van de Nieuw-Hoorn lang heugen zou: de negentiende November van het jaar 1619.

Naar gewoonte begaf Padde zich in den namiddag naar den kelder, daalde met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een volle ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen.

„Mallemallemootje, Zeven in een bootje; Mallemallemootje, mallemallemoer, Zes aan de riemen en een aan het roer!”

zong Padde, blijgemoed pompende. Het vaatje was vol; Padde bevrijdde met zwierigen greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen viel—kon het ongelukkiger?—het gloeiend eindje der kaarsepit in het spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met een doffen knal uiteen, en de brandende vloeistof dekte ineens den geheelen kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het laddertje op, zag twee putsen water staan, waarmee Hajo en Rolf aan het dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit.

„Padde! Wat is er?!”

De arme dikzak wilde wat stamelen, maar het was niet meer noodig: het sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg, zeiden genoeg.

„Brand! Brand!!!”

Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten aanhollen, sommigen al met volle putsen. „Wáár is de brand?!”

„In de kelder!!” Angst en opwinding trilden door aller stem. In razende haast zocht men naar putsen. Heele plassen water werden door het luik geworpen.

Folkert Berentsz. klauterde, nadat men wel een honderd emmers water had leeggeworpen, den kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer ontdekken. Intusschen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar, zooals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht den bodem dekten. Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook daar de brand gebluscht.

Een zucht van verlichting ging op, toen men hoorde, dat de smidskolen niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak men het gevaar, dat gedreigd had. Als de brand tot in den kruitkelder was doorgedrongen.....

„Padde!” werd er geroepen. „In de kajuit komen!”

De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en schreide, schreide.....

Stil! Wat hoorde hij daar?! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij durfde de oogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak! Knaps! Kritsch! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een koortsschim? Daar, aan den anderen kant van het ruim, laaiden groote vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in den neus. Groote God.....! De kolen brandden.....!!

Met een schreeuw vloog Padde naar de ladder. „De kolen...! De k-kolen!!!

Een nieuwe paniek. „De kolen?! Branden de kolen?!!”

Een paar kloeke maats zijn het eerst weer het ruim in, gewapend met putsen water, die ze hijgend leegkletsen over de brandende kolen. Gesis van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit den gloeienden berg te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zoo benauwend, dat men het er geen twee minuten kan uithouden.

Maar de kerels zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen langs het smalle laddertje in het ruim af, banen zich een weg in het verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend, vloekend, met betraande oogen den weg terug naar het laddertje. Hoevelen vinden den weg? Hoevelen zakken bedwelmd, reeds half verstikt ineen, na in radeloozen angst heen en weer gerend te zijn?

Bontekoe leidt zelf het werk,—tot zijn stem versmoort, en hij wankelend de ladder op vlucht. Maar een minuut later is hij weer beneden. „Moed, jongens!”

Men kapt gaten in het tusschendek, werpt ontzaggelijke hoeveelheden water in het ruim. Zou het helpen? De planken bodem onder de voeten wordt steeds heeter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om den haverklap hun half verschroeide voetzolen koelen in de putsen water, die ze aandragen.

Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een Spaansch schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan boord zou men verloren zijn. Nu, met het wegwerpen van het kruit dan maar tot het uiterste gewacht.

Hou vast, mannen!

Maar er waren verraders. Wetende, dat de jol en de sloep achter het schip aansleepten, (de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog niet binnengehaald, en de sloep was daareven uitgezet, omdat ze bij het bluschwerk in den weg stond) hadden enkelen het voor raadzaam gehouden zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit ging om in elk geval reeds zijn voornaamste papieren bijeen te binden, zag juist een kerel de jol inkruipen. „Wat heeft dat te beteekenen!” schreeuwde hij.

„Kom ook in de booten, Koopman!” riepen de maats. „Temet vliegt de heele kast aan gruzelementen!”

„Als jullie niet terugkomt, waarschuw ik de schipper!” riep Hein Rol driftig.

„Dan kappen wij de touwen door!”

„Schurken!” was Rol’s verontwaardigd antwoord.

„Ga je mee of niet?” werd er uit de jol geroepen.

De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. „Ik kom!” riep hij toen norsch. En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen.

Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren.

Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de maats de booten vrij. „Roeien jullie weg?!” vroeg Rol verschrikt.

„Neen, waarachtig niet, we zullen in de buurt blijven om te helpen. Maar zoo meteen vliegt de boel aan stukken, dan moeten wij buiten schot zijn.”

De koopman zweeg, keek met bezorgd gelaat naar het schip, waaruit een vuil-gele rook opwervelde, die masten en touwen aan het oog onttrok. „’t Is gekkenwerk om nog aan blusschen te denken!” zei hij, om zijn geweten gerust te stellen. En hij blies zich in de bleeke handen, die geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw.

Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen oogen gaven de mannen elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!!

Daar kwam de barbier aanhollen. „Schipper! De booten zijn weg!!”

De mannen zijn verlamd van schrik. „De booten weg?!!” Alles vliegt naar de verschansing. Daar drijven de booten!! Een stomme woede maakt zich van de verlatenen meester.

„Schipper! Wat nou??!”

Zóó hebben de mannen hun schipper nog nooit gezien. Het open zeemansgelaat is plots vertrokken van toorn en smart. „Haal de zeilen om, mannen! We zullen ze onder de kiel stroopen!”

Smart over de wonde, die hun makkers hun geslagen hebben, doet de maats het want invliegen en, tastend in den groezeligen rook, met opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zoo koerst men recht op de booten af.

Daar schijnt het dreigend gevaar vermoed te worden. De kerels roeien als dollen, steken drie scheepslengten voor de Nieuw-Hoorn over, den boeg in den wind, zoodat ze niet achtervolgd kunnen worden.

„Wel, laat hun geweten hen dan straffen!” roept de schipper. „Nu het kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er aangaan,—dan met z’n allen!”

„Leve Bontekoe!!!” brullen de oomes, al is het alleen maar om den laffen kameraden daarginds te laten hooren, dat er nog kerels zijn, die niet in de booten kruipen, als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, werpen ze van man tot man en zoo overboord. Op Bontekoe’s bevel laten de maats, die met timmergerei weten om te gaan, zich over de verschansing zakken, om onder het zee-oppervlak gaten in den scheepswand te boren. De schipper wil het ruim een paar vadem vol laten loopen en zoo den brand van onderen blusschen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk!

Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een der luiken. Dat is de duivel, die er uit loert! Smijt hem den kop in!

In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen.

Maar hoogerop laait de vlam, en vreemd..... het kraken, knetteren, barsten, piepen houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange, roode tong uit de luiken.

„De olie brandt!!!”

Met verlamming geslagen laten de oomes de armen zinken; dikke tranen rollen den gebruinden kerels over de wangen.

„Water!” roept een stem.

Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende en de voeten koelende, grienen de oomes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar! Hollandsche jongens, wâ-blief?! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn ook water en helpen blusschen. Met hun bloote pooten staan ze schrap op het gloeiend heete dek.

Een der dapperste voorwerkers, die koppig, oogen en lippen saamgeperst, in rook en damp te ploeteren stond..... was Padde.

Hij boette zijn schuld.

En men werkte. De wanhoop in het hart,—maar men werkte. Tot.....! Met verdoovend gekraak begaf zich het achterdek, en gillend stortte een handvol wakkere vrienden in de vuurzee. Hei!!! Hoe stoven de vonken tot hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de ra’s op, grepen de zeilen aan en zonden de blanke vleugels van de Nieuw-Hoorn verzengd, wijd uitlaaiend omhoog. De gescheurde kabels vielen slap neer in den vuurgloed en dienden duizend kleine vlammetjes tot ladder.

De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haalt het neer, dat dartele, bonte doekske!

Daar reet een vlam het omlaag en roofde het zijn kleuren. Danst nu, vlammen! Danst; de vlag is ons, danst, danst!

Hajo, Rolf en Padde stonden bij den grooten mast. Verderop begon het dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in..... Toen sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. „Het water in!” siste hij tusschen de tanden. De verbouwereerde knapen volgden klakkeloos het bevel op.

Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen hadden, verlamd van schrik, niet zoo snel een besluit kunnen vatten en zonken nu weg in de vlammen.

Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een helsch gekraak, een prikkelend-scherpe lucht, versmoorde kreten, angstig geloei van het vee..... Het kruit had vlam gevat.

Een nieuwe ontploffing! De Nieuw-Hoorn scheurde uiteen; masten, planken, menschen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in. Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden vonken, kantelden de brokstukken van het gescheurde schip weer tegen elkaar en..... zonken in de golven weg.

De mannen in de boot keken rillend toe.

Was het mogelijk?! Was de Nieuw-Hoorn, hun prachtig schip, vergaan?! Die zwarte wolk tegen den bloedrooden avondhemel..... was dat alles, wat er van restte?!—Neen! Daar dreven op het water stukken mast, kisten, balken, en op die stukken mast, die kisten en balken klemden zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!!

Van onze drie Hoornsche vrienden was het Hajo, die het eerst zijn bezinning terugvond. Hij zag den bezaansmast drijven en werkte zich er op. Snel denkend en handelend, wierp hij Padde, die zich aan een langzaam volloopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe. Padde zag het, tastte er naar, maar vond het niet. Hajo trok het touw in en wierp het opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën. „Hajo..... o, God, Hajo.....!”

„Klim op de mast!”

„Ik kan niet meer.....!”

Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op den mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het hoofd tegen Hajo’s schouder.—Nu Rolf! Groote God, waar zou Rolf zijn! In radeloozen angst keek Hajo rond. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats met de golven. Hier en daar werkten zich in de schemering gestalten op stengen, planken, tonnen of brokken mast. „Rolf! Rolf!! Rolf!!!”

„Hajo!”

Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.—Waar waren de booten? Te ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te zien, of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. „Boot ahoy! Ahoy!”

„Hajo.....!” kermde Padde.

„Moed, Padde!” Hajo sloot zelf even de oogen om wat rust te vinden. Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de oogen opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon ze niet komen door de vele, zware brokstukken, die overal ronddreven. Hajo mat den afstand tot de jol. Zou hij het halen? „Blijf hier zitten, Padde! Hou je goed vast!”

„O, God, Hajo..... je gaat toch niet weg? Hajo.....?!”

Hajo beet de lippen opeen, liet zich van den mast glijden en zwom in de richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als lood.....

Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de jol trekken. „Neen!” hijgde hij, toen de oomes hem binnen boord wilden halen, „ik rust maar even. Geef me het..... het touw mee..... ik wil..... ik.....” Zijn oogen sloten zich; zijn handen lieten den jolboord los; men kon hem nog net bijtijds grijpen en binnen boord halen.

Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het water in en redde den Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht aanplassen en begon den kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om den haaien een drenkeling te ontrooven, zakte zijn gramschap weer een weinig. Men roeide de plaats rond, waar de Nieuw-Hoorn was ondergegaan. Ten slotte geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Velen verloren het bewustzijn terstond, wanneer ze in de boot waren getrokken; anderen lagen nog van opwinding te schreien. Maar de schipper?! Waar was de schipper!!

Daar verscheen Harmen’s kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. „De sch..... schipper!” Toen begaven zich zijn krachten.

Men zag in de door Harmen aangeduide richting in het duister een wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zoo dicht mogelijk naar den drenkeling toegeroeid; Bokje, de beste zwemmer van allen, sprong weer met een lijn overboord, en, ja, even later kwam hij met den schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd neergelegd. Goddank! „Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!”

Met matte stem ried Bontekoe aan, dezen nacht nog bij het wrak te blijven en den volgenden morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem spoedig het bewustzijn verliezen. Men roeide nog eens om de ongeluksplek heen, maar vond in het duister geen menschelijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde men de riemen in, om den morgen af te wachten.

Maar met de verschrikking voor oogen valt wachten moeilijk. Zij, die van vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust weer wakker.

„Laten we wegroeien!” zeiden ze. „Waarom roeien we niet weg?”

De anderen schudden het hoofd. „We moeten morgen wat eten opvisschen. Met het beetje brood, dat we hebben, houden we het geen dag uit.”

Maar de vragers waren niet tevredengesteld. „Wat hebben we aan eten, als de zee gaat aanloopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed weer; laten we naar land zoeken!”

„We moeten wachten! Bevel van de schipper!”

Dan werd er een tijdje gezwegen.—Maar een nacht is lang. Een kwartier later begon de onrust weer. „Laten we toch wegroeien! We zullen wel een paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers niet ver meer van Sumatra!”

„We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.”

„Nou ja.....”

„Wat: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds, die er tusschen uit zijn gegaan?”

„Als wij dat niet gedaan hadden, waren jullie met z’n allen voor de haaien geweest!”

„Toch was het smerig!”

„Weet je, wat ik smerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wouden halen!”

„Dat was je verdiende loon geweest!”

„Maar het zat jullie toch niet glad, hè?”

„Kom”, zeurt een ander, „maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!”

„Neen”, koppen een paar oomes, „de schipper heeft gezegd: neen.”

Nieuw zwijgen. De minuten kruipen.

Ineens vloekt er een oome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En daarmee is de ban verbroken, die van ’s schippers woord uitging. Allen, die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem.

Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand, die het weet. Maar het roeien drukt de onrust den kop in. Roeien, jongens! Roeien! Niemand houdt het stuur.

Enkelen worden wakker, ontwakend uit een nachtmerrie. „Waar zijn we?!”

„In de jol.”

„In de jol?” Even zwijgen. De vrager schijnt zijn herinnering wakker te roepen. „En waar gaan we nou heen?”

„Naar Sumatra.”

„Waar legt dat?”

„Vlak bij. Pas maar op, straks val je er nog over!”

Zwijgen. Stug roeien de kerels voort.

„Hein”, vraagt er een met zwakke stem, „was jij dat, Hein?”

„Ja, Kalle. Waar lig je?”

„Voorin.—’k Heb zoo’n pijn.....”

„’t Zal wel klaren, Kalle. Ik heb een verbrande poot.”

„Hou hem in het water.—Zouwen we ver van land zijn, Hein?”

„Ben je gek? Morgen, als het licht is, zien we ’t misschien wel. Wacht maar, Kalle, als ’t licht is, morgen.....!”

De roeiers zuchten, halen de riemen aan.

Platsch!—Platsch!—Platsch!

IN DE BOOTEN

Eindelijk klaart de morgen. Men tracht met de moede oogen den ochtendnevel te doorboren, die over het water hangt. Nergens land te zien.....—Ook de sloep is uit het gezicht verdwenen.

Grienend laten de oomes de riemen zinken. Nu eerst voelen allen hoe afgemat ze zijn. Als de zon opgaat, is er geen een meer wakker.

Stuurloos dobbert de jol op den stillen golfslag. Een heerlijk blauw uitspansel welft zich boven de onafzienbare watermassa.

In den middag ontwaken enkelen. De slaap heeft verkwikking geschonken; de kerels voelen hun hoop weer opleven: de schipper is aan boord en zal wel goeden raad geven. Fluisterend, als waren ze in de stilte rondom voor hun eigen stemmen bang, bespreken ze den ondergang van hun prachtige schuit en het verlies van al hun schatten. De een had nog vijf vette ganzen gehad; die dobberden nou stellig ook ergens rond! Een ander had zijn mes verloren, z’n puike, fijne messie, dat ie verleden Zaterdag nog zoo lekker had aangezet. Zou je niet spinnijdig worden op dien beroerden botteliersmaat met z’n kaarsje? En z’n vrind Nelis was ook naar de weerlicht. Z’n vrind Nelis, waarmee-d-ie al wel door een dozijn schipbreuken goed was heengerold. Z’n mes en z’n vrind weg!

Allengs werden allen wakker. Men wekte den schipper. „Wat moeten we doen, schipper? We zien het wrak niet meer en ook geen land.”

„Zijn jullie dan toch van het wrak weggeroeid?”

„Ja, schipper, we dachten.....”

„Dat was verkeerd. Is er een zeil in de jol?”

Men zocht onder de plecht en de banken. „Neen, schipper, geen stukkie zeil.”

„Trek dan de hemden uit en maak er een zeil van.”

Men sloeg vol vertrouwen aan het werk. De schipper zou hen wel naar Sumatra brengen! De stootballen werden binnen boord gehaald en tot garen uitgeplozen. Toen men voldoende meende te hebben, trokken de maats de hemden uit en begonnen ze aaneen te naaien tot twee zeilen.

De barbier ging den toestand der gewonden na. Haast allen hadden zich min of meer de voetzolen verbrand. Eerst werd de schipper behandeld, die twee hoofdwonden had. Vader Langjas kauwde iets van het weinige brood, dat de eerste vluchtelingen inderhaast hadden meegesleept, tot een papje en legde dit op de kwetsuren. Ook de andere gewonden werden aldus behandeld. Rolf had een brandwond aan het been, die gedurende den nacht leelijk was opgeloopen en den braven barbier, die vaderlijke gevoelens voor Rolf koesterde, bezorgd zijn grijzen bol deed schudden.

Men telde met z’n hoevelen men in de boot zat en kwam tot het getal zes-en-veertig. In de sloep konden hoogstens tachtig man zijn geborgen. En dus de anderen.....!

Tegen de schemering waren de zeilen klaar. Men richtte den mast op, die in de jol lag, en haakte er den boom en de gaffel in. Een opgestoken roeispaan diende voor fok. Toen de beide masten stonden en de „zeilen” waren bevestigd, wendde men den steven Noord-Oostelijk. De bedroevend kleine voorraad brood werd bijeengelegd, en allen kregen er een vingerdikke snede van. Het was onrustbarend te zien, hoe zelfs het uitdeelen van een zoo geringe hoeveelheid den voorraad slinken deed.

Padde had den heelen dag door geslapen. Toen hij ’s avonds ontwaakte van het lawaai, dat met het oprichten van den mast gepaard ging, borg hij terstond het hoofd weer in de armen weg en hield zich, angstig, slapende.

Hajo was, als alle anderen, weer vol goeden moed, rekende er stellig op, dat, nu ze in de goede richting zeilden, morgen wel land in ’t zicht zou komen.

Rolf, die de laatste paar maanden dagelijks de reis op de kaart gevolgd had, zag den toestand minder rooskleurig in. De pijn aan zijn been stemde hem ook niet vroolijker en maakte hem koortsig.

Zoo viel de duisternis in, ving alles in haar wijde armen.

Te middernacht maakt Gerretje een heidensch spektakel. „Land! Land!!” Alles vliegt overeind. „Waar is land?!”

Aan bakboord, ver weg, pinkt een lichtje. Een dolle vreugde maakt zich van de schipbreukelingen meester. Men gooit de zeilen om, grijpt naar de riemen. Dat licht kan niet anders dan land zijn: midden op zee groeien geen lampjes als paddestoelen in een wei, wâblief? ’t Zou een wallevisch kunnen wezen met een lichie op z’n knikker! Neen, jongens, land is het! Floorke ziet al bergen. Morgen zullen ze onder de kokosboomen wandelen. Roeien, jongens!!

Maar de bergen vervagen en stijgen als wolken omhoog. En in het lichtje komt beweging; het schijnt op en neer te gaan.....! Enkelen weifelen in het roeien, als vreezen zij hun angstig voorgevoel bewaarheid te zien. Dat lichtje daarginds is geen land! maar een hulkje met schipbreukelingen.....

„De sloep.....!”

De schrijning der teleurstelling wordt verzacht door vreugde over het weerzien. De sloep voert eveneens twee zeilen: lichtgrijze vlekjes. Men gooit de riemen weer neer en wacht de sloep af;—waarom verder van den juisten koers af te wijken?

„Sloep ahoy!”

„Ahoy!”

Namen van vrienden worden heen en weer geroepen. Kreten van blijdschap, wanneer twee makkers elkaars stemmen herkennen.

„Hebben jullie eten?”

„Drie twee-ponds brooden. En jullie?”

„Niets.”

„Groote griebus! Welke koers varen jullie?”

„Heelemaal geen koers. En jullie?”

„Wij varen op de sterren. We hebben de schipper bij ons.”

„De schipper?! Hóór je, mannen, de schipper is in de jol!! Schipper, ben jij daar? Leve de schipper, mannen!” Een schor, instemmend gebrul. „Wanneer zullen we aan land zijn, schippertje? Morgen al?”

„Moed, mannen! Vertrouw op Gods Goedheid!”

„Amen”, zeggen een paar vrome oomes.

Gezamelijk werd de tocht voortgezet; de jol gaf de richting aan. Maar al spoedig bleek, dat de sloep achterbleef. Men greep naar de riemen en haalde de jol weer in. „Schippertje, neem ons over! We zullen mekaar verliezen! Neem ons over, dan zetten we alle zeilen op de jol en varen nog ééns zoo vlug. Toe, schippertje.....”

Maar de oomes in de jol verzetten zich. „De jol is voor zooveel man te klein, schipper!” En toen de maats uit de sloep zich aan den jolboord vastklemden, stieten de anderen de sloep met ruw geweld terug.

Een jammerklacht steeg op onder de verschoppelingen. „Schipper! Niemand van ons kan op de sterren varen! Moeten we dan om zeep gaan?”

Maar de oomes in de jol kenden geen erbarmen. „Als we jullie met z’n zes-en-twintigen overnemen, zijn we allemaal voor de haaien!”

Zuchtend grepen de arme kerels naar de riemen. De olielantaren werd op de jol overgebracht, zoodat men er zich in de sloep naar richten kon.

Langzaam werd het licht. De mannen tuurden naar alle zijden over het watervlak.

„Zie jij wat, Doedesz.?”

„Net zooveel als jullie.”

Allen zuchtten. Enkele oomes luchtten hun smart door Padde met verwijten te overstelpen. De arme jongen begon te snikken, en een paar anderen, in de eerste plaats zijn beide vrienden, namen hem in bescherming.

Rolf voelde zich wat verlicht; zijn been stak hem veel minder, en met een gelukkig gezicht legde Vader Langjas een nieuw papje op de wond. Ook de kwetsuren der anderen lieten zich gunstig aanzien.

Men ging dien dag aan het werk om den koers iets juister te kunnen stellen, kraste te dien einde in het hout van de plecht een kaart van de eilanden Sumatra en Java en Straat Soenda,—alles op het geheugen. Den middag vóór het ongeluk had Bontekoe vijf-en-een-halven graad Zuiderbreedte bevonden; het bestek op de kaart wees toen negentig mijlen tot de kust. Van dat punt uit stelde men zijn koers. Drommels, had men maar een kwadrant!

„Heeft niemand een passer?” vroeg Bontekoe.

„Daar vraag je zoowat, schipper”, antwoordde Teunis Sijbrandt, de kistenmaker. En hij diepte uit zijn broekzak een passer op. „’t Is boffen: meest legt ie op m’n tafel!”

„Geef hier!” zei Bontekoe verheugd. „Dan zullen we eerst eens ’n gradenboog snijden!”

Zoo gebeurde. Men trok in een plankje een zoo groot mogelijken kwartcirkel, mat daarin alle graden uit en bracht daarna den wijzer aan. Den volgenden middag nam men er, zoo goed en zoo kwaad als het ging, hoogte mee en stelde den koers op Sumatra.

Zoo zeilde men verder, overdag koers en hoogte nemend op de zon, en ’s nachts op de sterren. Den derden dag was het brood op. Den dag te voren had ook de dorst zich reeds geducht doen gevoelen. Maar men bleef vol hoop. De wind zat achter in ’t zeil; de zee bleef kalm.

Den dag daarop doemden zwarte wolkgevaarten aan den gezichtseinder op. Geweldig schreden ze nader, den ganschen hemel als pad nemend. De maats kenden die wolken! In opgewonden vreugde werden de zeilen horizontaal gespannen. Pik-zwart was nu het gewelf; het scheen den mannen, dat ze in een grooten, donkeren kelder zaten. De zee, die dagenlang een felblauwen hemel teruggekaatst had, slurpte al die zwartheid gretig op,—leek wel een modderpoel.

Daar kletterde de regen neer.

De levenskracht ontwaakte weer; de harten zwollen. In een oogwenk was het zeil vol. Men kon nu de twee vaatjes vullen, die als bergplaats voor het brood hadden gediend.

Een koude nacht volgde. De maats bibberden in hun doorweekte kleeren.

Maar den volgenden morgen schroeide de zon ze in een ommezien droog en deed de huid vervellen.

Snikheet werd het. De zee was glad als een spiegel. Waar zich te bergen voor de gloeiende zon? De dorst deed zich weer gevoelen. Bontekoe sneed de neuzen van zijn schoenen af en liet allen een „beker” vol uit de vaatjes geven. Daarmee was drie-vierde van den voorraad op, want men moest deelen met de makkers in de sloep, die niets hadden om het water te bergen.

Vreeselijke dagen volgden. Als een verschrompeld stukje leer zat de tong in den mond; keel en verhemelte schroeiden; het ontberen van voedsel bracht krampen in de ingewanden teweeg. Telkens wanneer de morgen grauwde, hoopte men land te ontwaren. Telkens weer nieuwe teleurstelling, wanneer men niets dan zee zag, zoover het oog reikte.

Harmen vond het noodig, den kerels wat moed in te blazen. Bij gebrek aan z’n fiedel, die in de vlammen een einde had gevonden, kwam hij met een van zijn gewaagde „verhalen” op de proppen.

„Ik zal jullie vertellen, hoe het m’n oom gegaan is, jongens! Die heeft een tapperij voor zeelui,—voor landrotten tapt ie niet. Z’n leven lang heeft-ie gevaren, van z’n tweede tot z’n acht-en-zestigste. Zeven-en-twintig reizen heeft-ie gemaakt, waarvan drie-en-dertig met schipbreuk! En overal goed afgekomen behalve een krab op z’n wang en da’s van het baardscheren. Hij zat eens vast op een rif in de Chineesche zee, waar de visschen en de menschen staarten an d’rlui knikker hebben. Goed, d’r komt een storm, de schuit vliegt aan flarden, z’n zes-en-veertigste schipbreuk; m’n oom en de bottelier zijn de eenigsten, die in de sloep komen. Eten aan boord? Geen spiering! Hongerlijje maar! Toen ze zeven-en-tachtig dagen niks gegeten hadden, zei de bottelier: „’k Zou wel een hapje lusten!”—„En ik”, zei m’n oom. „’k Zou jou wel lusten”, zei de bottelier. „Ik jou ook wel”, zei m’n oom. Goed, ze krijgen verschil van meening. „Als jij mij jouw beenen geeft, zal ik jou m’n Zondagsche pet geven”, zei de bottelier. „Jawel”, zei m’n oom, „je kunt er een por met m’n mes bij krijgen.”—„In je mes hap ik niet”, zei de bottelier. „Nou, laten we d’r dan om loten!” zei m’n oom. Ze smijten de steenen. Allebei acht. Nog er eis! Wéér gelijk! En weer!! Na dertien-en-een-halve dag zei m’n oom: „Vooruit, ik heb geen aardigheid meer aan speulevaren. Snij me maar aan mootjes! Groet m’n wijf en neem m’n gouwe ring maar voor de moeite.” Temet, dat ie zich omkeert om niet te zien, hoe de-n-ander ’m zal afmaken, ziet ie, dat de sloep..... op het strand zit! „Land!!” roept ie. Hadden ze me daar al elf dagen aan land gelegen en er door al dat dobbelen niks van gemerkt! Wat zeg je me daarvan?”

„Mooi!” zeiden de oomes.

Toen viel het zwijgen weer in.

HAAIEN

Zonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en zagen hem in elkaars fletse oogen.

Wanhoop heette de gast.

Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn, greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe. Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of er wat volgen zou.

„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.

„Ik? Niets. Waarom?”

„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”

„Neen, ik hoestte zoo maar.”

„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”

Dan viel het zwijgen weer in.

Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu en dan zoo laag overheen streken, dat men ze bijkans grijpen kon. In de sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over, zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit zouden maken, gingen de oomes den nacht in.

Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.

Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was, de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol, ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.

Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van terug te blijven.

Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de boomen zouden zien oprijzen..... Was dat het ruischen der branding al niet?!

Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.

Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de lippen gehad.

Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.

Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af te scheiden.

Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.

En men dobberde weer verder.

Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’ waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte, zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit, en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over de wangen.

Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het bloed uit.

Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.

„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.

Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer uit, naar het Oosten.....

De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.

Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden zich overboord werpen.

„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”

Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle, koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar beneden iets donkers voorbij schoot.....

„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood gaan.”

Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het. Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu hij merkte, dat ook zijn vriend de wanhoop nabij was.

Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen troosten—en zocht zelf naar troost.....

Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het kwam op volhouden aan. Volhouden.

Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der laatste week viel weer in.

Een schorre kreet.....

„Land!!”

Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen. Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?

Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.

Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun koppen onder het zeil door en.....!! Daar, aan den Oostelijken gezichtseinder.....!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in de grijs-blauwe verte.

Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen, de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.

Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.

„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.

„We kunnen hier toch landen, schipper? Je zult zien, dat alles goedgaat! Nietwaar, jongens?!”

„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.

Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje, of Hilke?”

„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”

„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”

Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het ondiepe water.

Schreiend kusten de arme kerels het strand.

JOPPIE III

Toen de mannen over hun eerste en hoogste uiting van blijdschap heen waren, kropen enkelen het strand over naar het bosch.

Er groeiden overal kokosboomen, en de noten lagen voor het grijpen op den grond. De meeste waren in den val gebroken; die kon men met de handen verder splijten. En dan de tanden in het witte vleesch gezet.....! Toen de maats zooveel vruchten naar binnen hadden gewerkt, dat er geen stukje meer in wilde, verlangden allen naar rust, naar niets anders dan rust. Ze sleepten wat dor gras en bladeren aan. En toen.....! Hè! Hoelang was het geleden, dat ze zich voor het laatst behoorlijk hadden kunnen uitstrekken, en dan nog wel op zoo’n zacht leger en zonder den hongerdood voor oogen! Nu zou verder alles ook wel goed gaan! De schipper was bij hen en kende den weg! Met een oneindig dankbaar gevoel sliepen allen in.

Maar weinige uren later werd de een na den ander met hevige buikkrampen wakker. De ingewanden bleken niet tegen zooveel voedsel opeens bestand te zijn. Allen kropen bijeen en klaagden over hun onverdragelijke pijnen.

„Gevert! Ik ga d’r an! Gevert! O, God, m’n buik.....”

„Was ik maar thuis, bij m’n wijf! Die wist er wel raad op.... Doris!”

Toen zakte de pijn weer. De mannen sliepen nog een paar uren en werden eindelijk door de zon gewekt.

Ze stond boven de baai, en het hemelsche goud vloeide in het water neer. Rappe strandloopertjes trippelden op hooge pootjes heen en weer; meeuwen streken zwierig door het schuim der branding, of wiegden zich op het zacht deinende water in de baai. Allerlei bontgepluimde vogels schetterden en floten en kwinkeleerden in de hooge, statige boomen; in de wuivende kronen der kokossen voerden grijsbruine klapperratten hun gedurfde luchttoeren uit.

De mannen voelden hun krachten herleven. Ze lagen daar in het reeds warme zand, boven zich de stralende zon, die spoedig al te heet zou worden. Zwijgend, stil genietend, luisterden ze naar het concert van de branding.

Bontekoe liet een gezamelijk gebed houden. Men zong een paar psalmen. Zelden hadden de oomes met een dieper gevoel van dankbaarheid gebeden dan op dien wonderlijk schoonen morgen aan het strand van dat Sumatraansche kust-eilandje.

Daarna ging men eens op verkenning uit. Een groep toog naar het Zuiden, het strand langs, een andere groep naar het Noorden.

In den namiddag kwamen ze terug met niets dan kokosnoten, bananen en enkele andere, onbekende vruchten. Menschen hadden ze niet gezien. Maar zij, die naar het Noorden waren getogen, hadden een grappig avontuur gehad.

Ze hadden een vlerk-prauwtje gevonden, waaruit ze hadden opgemaakt, dat het eilandje bewoond moest zijn, al zagen ze dan ook geen sterveling. Ze hadden het bootje, dat slechts twee man bergen kon, eens in zee geduwd, maar toen ze er voor de grap met z’n drieën in waren gaan zitten, hadden de half vergane planken zich begeven, en de spelevarende gasten waren kopje-onder gegaan. Wat met dit zonnetje niet zoo slim was.

Bij de plaats, waar het prauwtje lag, ging een paadje het woud in. Men liep het binnen, in ganzenmarsch, omdat er voor twee naast elkaar geen plaats was. Hilke voorop!

Nauwelijks hadden ze het pad ingeslagen, of voor hen uit, vlak bij, begon een hond te janken. In alle omzichtigheid werd nu de tocht voortgezet. Spoedig zag men tusschen de dikke bamboestelen een open plek schemeren en in het midden daarvan een bouwvallig huisje op hooge palen, aan een waarvan een magere hond was vastgebonden, die allerafgrijselijkst te keer ging. Overigens zag het huisje er nogal vreedzaam uit: een paar duiven vlogen van het dak op, en toen kwam zelfs een duif uit het lage huisdeurtje fladderen, zoodat het heele gebouwtje meer op een til dan op een menschelijke woning geleek. Weifelend betraden de maats de open plek.

Toen de hond zijn gasten zag opdagen, staakte hij zijn Jobsiaansche jeremiades, jankte vreugdevol, ging van opwinding op zijn achterpooten staan en verhing zich daardoor bijkans in den strik om zijn hals. En toen de oomes hem den smerigen, stekeligen kop krauwden, kreunde hij zacht van geluk, kwispelstaartte en draaide dankbaar het achterlijf.

Een gekorven kokos-stam stond schuin tegen het huisje op,—scheen als „trap” te hebben dienst gedaan. „’t Lijkt wel een kipperen”, meende Floorke, terwijl hij naar boven balanceerde. „Blijf jij nou beneden!”—dat was tegen Gerretje, die volgen wou—„We kunnen er met z’n tweeën niet op: ’t is geen marremeren trap!” „Wat zie je?” vroegen ze van beneden, toen Floorke naar binnenkroop.

„Pah!” gromde Floorke en spuwde luidruchtig. „’k Heb een spin in m’n mond!”

„Kun je wat zien, of is het donker?”

„Donker? ’t Dak is zoo lek als de Zuid-Westenwind! Maar d’r is niks te zien! ’n Paar gebarsten potten! Wacht, daarachter is nog een kamertje, geloof ik.”

„Ga daar ’ns kijken?” En toen Floorke geen haast maakte, smaalden ze: „Of durref je niet?”

„’t Is ijs van één nacht, die vloer”, aarzelde Floorke. „Je kijkt d’r zóó doorheen.”

„Wat een vent!” hoonde Gerretje van omlaag. „Kom terug, dan zal ik gaan kijken!”

„Als je d’r trek in hebt, vooruit maar”, zei Floorke en klauterde naar beneden.

Gerretje’s gelaat drukte thans twijfel uit. Hij wist wel, dat Floorke niet voor een klein geruchtje vervaard was. Als die zei: „’t Is vuil!” dan was ’t ook vuil. Maar eens gezegd bleef gezegd. Hij klauterde behendig de „loopplank” op, zooals hij zei, en overzag, boven aangekomen, het terrein. „Dunnetjes is ’t!” moest hij toegeven.

„Oh!” stelde Floorke beneden vast.

„Weet je wat ik doe?” zei Gerritje. „Ik spring er overheen! Daar ginds is wéér een dikke bamboe!”

„Ja, laat je niet kisten, Gerretje!” riepen de maats. „Je botten zijn betaald!”

Gerretje zette af, van een-twee-dr.....! Een heidensch gekraak. De „trap” sloeg neer, kletste in de modder, die alle zijden uitspatte, en het huisje viel keurig netjes om, de vier ontwortelde palen in de lucht, zoodat de hond, die aan een der palen gebonden was, met uitpuilende oogen in de lucht kwam te bengelen. En het dak scheurde open, en daaruit buitelde, als een Sinterklaasverrassing..... Gerretje.

De maats zakten bijkans ineen van plezier. Floorke sneed haastig den hond los, die daarop half flauw op den grond tuimelde en het als zijn eerste plicht beschouwde, Floorke’s bloote voeten schoon te likken. Gerretje krabbelde met een vrij krasse bewering tegen de Sumatraansche huizenbouw overeind en veegde de handen aan zijn broek af.

„Laten we er het zwijgen maar toe doen!” stelde Floorke voor. En terwijl er een paar in het omgevallen huisje snuffelden en veel stof, spinnen en kakkerlakken vonden, liepen de anderen de open plek eens rond en ontdekten een smal pad, echter zóó verwilderd, dat men zich slechts met den bijl een doortocht zou kunnen banen.

Men besloot terug te keeren en nam den hond als krijgsbuit mee. Uitgelaten van vreugde sprong het beest tegen zijn bevrijders op, die intusschen de meest fantastische veronderstellingen te berde brachten over den samenhang van de vergane prauw, het wrakke huisje en den uitgemergelden hond.

Zoo kwam men met een levende ziel méér bij de jol aan. De mannen, die onder leiding van Folkert Berentsz. waren uitgegaan, vertelden, eenigszins jaloersch op den vierpootigen buit der anderen, een slang te zijn tegengekomen, zoo dik, dat ze hem met z’n vijven niet omspannen konden. Hij had gesist, dat je er koud van werd. Padde wou hem bij z’n staart pakken—nietwaar, Padde?—toen ie er van tusschen ging, de boomen wegdrukkend als grashalmen.

Maar toen wist Floorke te vertellen van een krokodil, wiens staart ze uit het bosch hadden zien steken, en toen ze het eiland half waren omgeloopen, hadden ze aan den anderen kant zijn kop gevonden, een merakel klein koppie, niet grooter dan de Nieuw-Hoorn..... destijds. Gerretje had z’n kop voor een kloof aangezien, want het toeval wilde, dat de krokodil juist gaapte. Gerretje was er in geloopen en had nog gezeid: „Jongens, wat is de grond hier slappies!”—Die grond was natuurlijk de tong van die krokodil geweest. Nou, en in eens had het mormel z’n bek dichtgeslagen, en Gerretje zat in het pikkedonker. Tusschen de tanden was hij er weer uitgekropen, waar Gerretje?

Maar toen had Harmen nog heel wat anders te vertellen! Hij had er over willen zwijgen, maar nu Floorke zóó begon, zou Harmen zijn broek ook eens in ’t zonnetje hangen! Nou, ze hadden me dan een beestje gevonden, zoo op het eerste gezicht een regenwurm. De Schele had het bij zich gestoken voor Vader Langjas, maar ineens was het in zijn zak begonnen te praten. „Schele”, had het gezegd, „scháám jij je niet?” Toen had de Schele het beest weggegooid; het had in zuiver Maleisch: trima kassi banjak! gezeid en was toen in zee weggezwommen,—had, met een blad boven z’n kop als blind zeil, tegen den wind in gelaveerd.

Tegen zulke avonturen voelde Floorke zich niet meer opgewassen. „Laat je duim eens kijken?” zei hij smalend tot Harmen. „Je zult ’m wel heelemaal plat gezogen hebben.”

Harmen grinnikte, toonde z’n duim.

Men laadde de jol met kokosnoten en bananen, borgde vruchten onder de plecht, in het achterkastje, boven op het roefje ... het leek wel, of de jol ter markte toog. Een riviertje was niet gevonden, zoodat men de vaatjes maar met kokosmelk vulde.

Den tijd, dien de mannen bezigden om te proviandeeren, maakte de magere, stekelige hond zich ten nutte door een groote boschrat te vangen en die in gulzige haast te verorberen. Toen hij in de gaten kreeg, dat de mannen van plan waren in zee te steken, vroeg hij op hondenmanier om meegenomen te worden. Hij scheen met de zee vertrouwd te zijn.

De maats willigden zijn verzoek in. Ze klopten hem vertrouwelijk op z’n bottige flanken, stelden vast, dat je z’n ribben tellen kon, dat z’n ooren allergemeenst lang en steil waren, dat z’n vel bij den vilder geen duit zou opbrengen, maar dat hij, naar z’n oogen te oordeelen, een rondborstige natuur had.

Hij werd ook gedoopt.

„Joppie” noemden ze hem—want driemaal is scheepsrecht.

In de schemering verliet de jol het land. Verder maar weer! De maats waren vol moed. Hier konden ze toch niet blijven, en de schipper zei, dat ze binnen twee dagen Sumatra voor den boeg zouden krijgen. Dus nog maar eens het lijf gewaagd! Het gevoel van onrust, dat hen overmeesterde, toen ze het eilandje in de duisternis zagen wegzinken, werd dapper weggeslikt.

Joppie hief als afscheidsgroet een erbarmelijk gehuil aan, dat uit de verte door apengekrijsch beantwoord werd. De oomes stelden hem voor de keus: over boord te vliegen of met z’n gegil op te houden. Joppie verkoos het eerste, werd door Hilke bij z’n nekvel ferm in het water ondergedompeld, schudde toen z’n natte, steile haren uit, zocht daarop achter in de roef het beste plekje op en sluimerde zuchtend in, tot Folkert Berentsz. hem deed verhuizen, omdat hij daar liggen wou. Toen namen een paar oomes Joppie als hoofdkussen,—waarvan ze later geduchte spijt en kriebel kregen.

De maan kwam op, mild, vriendelijk als een moederoog, wakend over de zeventig brave jongens in de jol.

Een groote zwerm kalongs streek hoog over de jol in Oostelijke richting voorbij, zwijgend,—als schaduwen.

Alom stilte. Stilte.

SUMATRA

Aan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte onvermengd kobalt was.

Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol.

Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies.

Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen gebrek aan eten.

Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder. De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter wenschen kon.

De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek omlaag zweefde.

Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven. Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit, dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.

Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding. „Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van die dikke vriendschap niets te gelooven.

Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.

Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van slijkspringertjes.

Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?”

„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om ze uit de grond te wurmen.....!”

Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn best!”

De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een naam voor: apenootjes.

Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende, bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden.

„Landen!” klonk het uit één mond.

„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!”

Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.

Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding uit.

Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal.

De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten, wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht.

De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op den olie-achtigen smaak afgaand, dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn. Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze het wisten..... voor een vuurtje!

„Allemachies!” stamelde Padde.

En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon. Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.

„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op een stuk pisangblad.

Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!” Padde gilde opgewonden mee.

Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten: vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen.

„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen.

Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke hand een klap op.

„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje.

„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat meer krijgt.”

„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!”

„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen.

De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend, aan hun pijpjes, tot de tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn? Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!

Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven, ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten.....

Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren van den nacht de rivier te bewaken.

De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik ga ook mee”, verklaarde hij.

Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan, bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek.

Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?”

„Ik blijf beneden.”

„Maar daar kun je niets zien!”

„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als ze mij óók maar niet zien!”

„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen laten weghalen.”

„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter Rolf aan.

Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden!

Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú..... zzzzzinnng..... zzzzzoeoeoeoe..... Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.

Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken modderbodem.....Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast. Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee zware, rondgebogen slagtanden, kwam zachtjes knorrend te voorschijn, waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend. Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf, acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens!

Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de roering in het water bespeurde, daar verderop......

Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil.

De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord. Brèkèkèkèkèrrrrrr..... Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom, waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht neuriën van een half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om hun prooi in het water te lokken.....

Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren neer en sliepen in.

De nacht verliep rustig.

Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich, als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als leider van de deputatie.

Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren. Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en groetten in het Maleisch.

Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen betalen! Bajar!”

„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord.

„Makanan apa?” vroeg Bolle.

Wat voor eten? Een der Maleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam, ikan, boewah.....”

„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land? Negeri apa ini?” informeerde de barbier.

„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord.

„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri Djawa?”

Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke richting.

„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem zochten.

Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen terugkeeren.

Intusschen zamelde Bontekoe het geld der maats bijeen. Hier gold het: botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zouden de inlanders weten, wat geld was? Bontekoe meende van wel: er zouden op deze kust wel genoeg handelsschepen komen, waar ze het geld weer kwijt konden.

De inlanders kwamen met z’n twintigen terug, met pluimvee, rijst, vruchten en twee geiten.

Bontekoe, verheugd over het uitzicht: na weken van de bitterste ontberingen eindelijk weer eens een smakelijken maaltijd te genieten, was het spoedig met hen over den prijs eens.

En in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met Harmen als helper, had zich nog nooit in zooveel belangstelling en raadgevingen mogen verheugen. Allen wilden proeven: „of het al gaar was”, en Bolle deelde met een houten, zelfgesneden lepel links en rechts meppen uit.

DE DESSAH IN

Na het eten, dat zelfs Padde’s verwachtingen nog verre overtrof, overlegden de schipbreukelingen, hoe ze nog aan wat meer proviand voor de reis zouden komen. Van een zoo vreedzame bevolking zou wel alles zijn los te krijgen wat men voorloopig noodig had. De inlanders zeiden, dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe zich eens heen te te laten roeien.

Hij liet zijn neef bij zich roepen. „Rolf, jij mag mee, als mijn tolk. De inlanders zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.”

„Wat leuk, oom! Mag Hajo mee?”

Bontekoe keek zijn neef glimlachend aan. „Jullie houdt mekaar altijd bij de broek, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan maar.”

Stralend pakte Rolf zijn biezen.

Tien tellen later stond Harmen bij den schipper.

„Wat heb je op je lever?”

„Ik.....” Harmen slikte, „ik heb nog nooit in zoo’n Maleisch sloepie gezeten, schipper!”

„Maar als ik jou ook nog meeneem, zullen ze daarginds denken, dat ik met een jol vol kinderen ben aangekomen!”

Harmen verbleekte. „Kinderen, schipper.....?! ’k Word met Maart zestien!”

„Uitgerukt!” klonk het antwoord, dat echter lachend gegeven werd.

Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf, die het gesprek op eenigen afstand gevolgd had, gaf hem een ribbestoot. „Je mag mee!” fluisterde Rolf.

Harmen keek hem weifelend aan. „Nou..... voor mijn part, zeg! Als de prauw er is, spring ik er in. Maar als de schipper me de beenen stukslaat, komen de kosten voor jou!”

Daar kwam een prauw de rivierbocht omscheren, handig zwenkend tusschen de steenen. Voor- en achterin zat een Maleier met een spaan in de handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie flinke geleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar den schipper,—gereed om er zoo noodig vlug als de weerlicht nog uit te wippen. Maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de twee Maleiers hun prauw van den wal afgestooten, toen Padde buiten adem kwam aanhollen.

„Wat moet dat?!” riep Padde. „Waar gaat dat naar toe?”

Hajo schaamde zich een weinig over Padde’s optreden, dat al van bar weinig eerbied voor des schippers tegenwoordigheid getuigde. Maar hij wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. „Inkoopen doen voor de kombuis, Padde!”

„Ik ga mee”, zei Padde. „Leg maar even an.”

„Waarachtig niet”, klonk het uit Bontekoe’s mond. „Je gaat niet mee!”

„Ik ga wel mee”, verklaarde Padde.

Bontekoe zette groote oogen op.

„Zwem maar achter de prauw aan!” grinnikte Harmen. Weinig vermoedde hij, dat zijn raad tot gevolg zou hebben.... Pats! daar sprong Padde pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Hajo en Rolf heesch Bontekoe den roekeloozen botteliersmaat binnen boord. „Blikslagersche jongen!” mopperde de schipper, „wil jij je door een kaaiman laten verslinden?!”

„Ik wil met m’n vrind mee”, hijgde Padde.

Bontekoe wist niet zoo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook weinig belang in te stellen. Hij zette zich op den bodem van het vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit.

„Vooruit! Roei op!” beval Bontekoe den Maleischen roeiers. Onmiddellijk sloegen de Maleiers de spanen in het water: of ze het begrepen, al was het bevel ook in zuiver Hollandsch gesteld!

Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oogje naar Padde, die, zonder de anderen met een blik te verwaardigen, grimmig met het uitwringen van zijn kleeren doorging.

De inlanders werkten de prauw de bocht om; Hajo en Harmen bewonderden in stilte de vaardigheid, waarmee ze de gevaarlijke punten wisten te omsturen. Enkele korte roepen waren den roeiers voldoende verstandhouding.

Een drukkende hitte lag nu reeds op het water. Hoe zou het vanmiddag wel worden?

Allengs verbreedde de rivierbedding zich; de boomen stonden ook niet meer vlak aan het water, maar waren er van gescheiden door een veld grijze bergsteenen. De lichte palmen aan den oever maakten plaats voor donkere loofboomen, hooger dan een kerk. Wonderlijk speelden daarboven de zonnestralen op de roerlooze bladeren en op de bonte bloemen der slingerplanten.

Groote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden zij zich van den eenen boom in den anderen. Een oud apen-mannetje bewoog zich met groote sprongen over het steenen bed aan den oever, siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw zonder zich te laten afschrikken door de verwenschingen, die de beide inlanders hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van tak op tak, streken in prachtigen val neer, een langen staart achter zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde een helle vlam, kort, terstond weer doovend.

Men kwam langs enkele huisjes, half achter de boomen verborgen. Een paar vrouwen waren met het wasschen van kleeren bezig. Zij hadden een rok („sarong,” zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt en sloegen het waschgoed op een grooten steen. Naakte kindertjes met dikke rijstbuikjes zaten elkaar in het water na en plasten, dat het een aard had. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarten lok, vóór op hun ovaal bolletje, na.

Groote verbazing onder de kleinen, toen de prauw naderde! Een paar kereltjes kozen het hazenpad; anderen bleven met open mond staan, de oogen zoo wijd als de zee.

De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten in een kreet haar verwondering: „Tjobah.....!” Het feit, dat er twee inlanders, die ze kenden, in de prauw zaten, scheen haar gerust te stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de roeiers met vragen. Dezen gaven geen antwoord. „Diam! Mond houden!” morde de achterste slechts. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de vrouwen riepen de bengels terug.

Verderop stonden de boomen weer vlak aan het water, de rivier geheel overwelvend. Hier werd het heerlijk koel. In het groene schemerlicht daarboven slingerden de apen zich aan loshangende lianen heen en weer en schudden krijschend de takken.

Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden er onder, er op, er in, er omheen. Daarna kokostuinen met bamboezen omheiningen. De jongens waren paf over de rapheid, waarmee een knaapje daarginds zich in een der boomen werkte: hij liep tegen den stam op!

Bij een primitief huisje, waaronder een paar booten lagen, legden de Maleiers ten slotte aan. En Bontekoe sprong met zijn gevolg aan wal. De inlanders als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan beide zijden dichte, groene bamboebosschen. Toen voerde de weg over een dijkje tusschen twee vijvers door, waarin visschen heen en weer schoten. Kikkers plonsden bij vieren, vijven tegelijk van het aarden walletje het water in, en aan de overzijde stond een grijze reiger te visschen. De inlanders wierpen een steen naar het dier, waarop het in een boom streek, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten, zoodra die lastige menschen hun hielen hadden gelicht.

Weer een bocht om, en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst, omzoomd door een strook gras, waarop een paar buffels, vervaarlijke kolossen met zware horens, vreedzaam graasden, en een aantal kleine bruine dreumesen speelden. Toen ze de vreemden zagen, verborgen ze zich ijlings achter de buffels, loerden met groote oogen tusschen de pooten door. Om het dorp bevond zich een aarden, met bloemen overdekte wal, waarop een schutting van dikke, gespitste bamboestokken was geplaatst. Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen zat. Een speer stond achter hem.

De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op, krabbelde schuw overeind, vol wantrouwen de vreemdelingen aanziend, en sloeg tweemaal op een houten blok, dat naast hem hing. Intusschen wenkte de voorste Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op een soort voorplein van gestampte aarde, waarop ’t krioelde van pluimvee.

Rechts achter de poort waren, in de schaduw van een groepje pisang- en papajaboomen, een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de weer. Het mooie, glanzend-zwarte haar lag sierlijk, in een kleine wrong, achter in den hals, en er staken een paar fleurige bloempjes in. Het bovenlijf was onbedekt, maar om het middel droegen ze een kleurig kleedje, dat tot over de knieën reikte. Terwijl ze aanhoudend werk hadden om de diefachtige kippen weg te jagen, die een graantje kwamen pikken, stampten ze, neuriënd, met lange stokken in houten kommen, waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk hout, dat op den grond stond. Toen de meisjes onze vrienden zagen, slaakten ze een lichten kreet.

„Tabeh!” zei Harmen vriendelijk.

„Tabeh, toean.....” stamelde een der meisjes. En een paar kwieke haantjes vielen op de onbehoede rijst aan.

Aan de andere zijde van het plein lag het eigenlijke dorp. En terwijl de blanke bezoekers het pleintje overstaken, kwamen uit enkele woningen al inlanders aanzetten: dat zou de slag op het houten blok wel hebben uitgewerkt. Op eenigen afstand bleven ze staan.

Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkste „tabeh” kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren op hooge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten! Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de spitse daken! Onder de meeste huizen hing in rotankoorden een prauw, en er was geen enkele woning, waarbij aan den zijkant niet een paal met een kooi was aangebracht, waarin een kleine, grijze duif koekeloerde. Alom scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in het kraaien en mengden hun schorre, onzekere stemmen met het zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden, dat ze daareven een ei hadden gelegd. Het was alweer juist hetzelfde als in het Sante-Mariesch dorpje: tusschen deuren- en vensterspleten gluurden angstige gezichten van vrouwen en meisjes, en ook hier krioelde het van kleine, naakte dreumesen, die, op de komst der vreemdelingen, hals over kop de vlucht namen.

Zoo, met een schare Maleiers op de hielen, belandden ze bij een huis, dat het grootste en fraaiste van alle was en dus wel het dorpshoofd zou toebehooren. Hun leider verzocht hen een oogenblik te wachten: de bewoner van het huis zou zich dadelijk vertoonen.

Harmen zette zijn verbroederingspogingen voort. Hij bleef maar knikken en „tabeh!” roepen. En ten slotte scheen hij veld te winnen. Enkele inlanders riepen den anderen wat toe; daarop werd er gemeesmuild. „Aha!” dacht Harmen, „ik schiet op!” En onverwachts maakte hij een prachtige luchtbuiteling. In het maken van een dergelijke toer was Harmen rijp voor het paardespel, en ook ditmaal miste ze haar uitwerking niet. Eerst een oogenblik van verbaasd zwijgen, toen algemeen gelach. Er waren op den achtergrond nu ook vrouwen en meiskes opgedoken, wier vroolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda van het groote huis een Inlander verscheen, fraai gekleed in langen lendenrok, jasje en hoofddoek. In een breeden, goudbestikten buikgordel stak achter den rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke greep.

Op zijn verschijnen heerschte oogenblikkelijk stilte onder de verzamelde inlanders, en terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen ziend, die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, gingen allen eerbiedig achteruit en hurkten op eenigen afstand neer, de handen in den schoot. Bontekoe en de jongens voelden, dat ze hier bij een ander volk terecht waren gekomen dan bij de zwartjes op Sante-Marie! Ze besloten in beleefdheid niet onder te doen: Bontekoe maakte een buiging, een voorbeeld, dat door onze Hoornsche vrienden kranig werd nagevolgd, op Padde na, die met zijn houding geen raad wist en daarom maar kuchte en met de mouw zijn neus schoonveegde.

Hierop boog het dorpshoofd ook een weinig, heette den vreemdelingen welkom in bewoordingen, die meer begrepen dan verstaan werden, en verzocht den vreemdelingen, zijn gast te willen zijn. Rolf, die het best Maleisch sprak, dankte het dorpshoofd voor zijn vriendelijk aanbod. Hierop begaf hun gastheer zich weer naar boven, met hoffelijk gebaar Bontekoe en de zijnen noodend hem te volgen. Zoo deden zij. Roerloos bleven buiten de inlanders gehurkt toezien.

Op het bordes hadden enkele vrouwen en meisjes tegen den wand plaats genomen. Het dorpshoofd gaf een wenk, waarop ze oprezen en zes matjes op den vloer spreidden. Vriendelijk noodigde hij zijn gasten, plaats te nemen. Bontekoe en de jongens gaven er gehoor aan en zetten zich met opgetrokken knieën op de matjes neer. De Inlander was ook gaan zitten, kruiste de beenen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en de meisjes zetten een koperen schaal neer, waarop enkele aardige, met grillige figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een vierde weer wat anders..... De jongens keken er met groote oogen naar. Wat moesten ze daarmee beginnen?

De Inlander legde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de verschillende kommetjes, vouwde de bladeren dicht, stak die toen in den mond en maakte tot zijn gasten een uitnoodigend gebaar.

„Nadoen!” zei Bontekoe tot zijn dapperen.

„Moet je ’t slikken?” vroeg Hajo weifelend.

„Ik slik het niet”, zei Harmen; „ik ga liever gewóón dood.”

„Je moet het kauwen”, zei Bontekoe. „Het is een betelpruim.”

En zoo goed en kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens hun pruim terecht en staken haar daarna dapper in den mond, op Padde na, die maar weer z’n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter.

Al dien tijd heerschte er zwijgen. Bontekoe raadde Rolf door een wenk, dien de beleefde inlander gebaarde niet te merken, met spreken te wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het zoover. Het dorpshoofd wenkte de meisjes om de schalen weg te nemen en wendde zich tot Bontekoe: „Mag ik u vragen, heer, van waar gij komt?”

Rolf vertelde zoo goed en kwaad als het ging hun wedervaren, en dat ze hier op Sumatra geland waren om wat eten in te koopen voor de verdere reis.

Het dorpshoofd antwoordde, dat hij zelf hun tot zijn spijt niets te koop kon bieden, maar dat er in het dorp stellig wel menschen zouden zijn, die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij, dat hij het zich een groote eer zou rekenen, indien zijn gasten zoometeen bij den maaltijd zouden willen aanzitten en verder den nacht bij hem doorbrengen.

Het slapen moest Rolf afslaan, omdat, zooals hij zei, de haast om bij hun makkers in Bantem te komen hen verhinderde hier lang te vertoeven. Maar den maaltijd zouden zij gaarne aanvaarden.

Daarna wendde Rolf zich tot zijn oom en bracht het gesprek over.

Harmen was nadenkelijk geworden. „Ik vertrouw hem voor geen pruim tabak”, zei hij plots. „Wat ik je brom: ’t is een blinde klip! Hij kijkt me te geniepig! ’k Zal Louwtje Laurenszoon heeten, als er geen gif in het eten zit!”

Rolf keek Harmen aarzelend aan.

„Een gast is hier in Indië heilig!” zei Bontekoe. Maar ook hij voelde Harmen’s wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets beklemmends,—een rond zeeman wist niet goed, wat ie er aan had. En tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op, dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn onbehouwen maats had meegenomen.....

Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet achter alles wat zoeken!

En Padde kon zijn oogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere, glanzende oogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes waren gestoken, het fijne halsje, dat zoo wonderlijk mooi in de schouderlijn overging; de tengere armen, handjes en vingertjes, het zonderlinge, kleurige kleedje, de ranke enkels, elk met een zilveren band! Padde vergat de heele wereld. Net een plaatje! vond hij.

Maar het meisje had ook voor den braven botteliersmaat belangstelling. Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwen blik toe.

Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een anderen kant uit.

De gastheer stelde voor, het dorp eens te bezien; intusschen kon men hier het eten opdienen. Gretig nam Rolf het voorstel aan, blij, eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn. Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of onze vrienden maakten van de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen.

De kring hurkende inlanders opende zich terstond in de richting, waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kindertjes liepen in een drafje toe en gluurden van ter zijde de „witte” menschen aan, zich eerst weer schuchter terugtrekkend, wanneer een van de vreemde gasten een blik op hen liet vallen.

„Stampt men in uw land de rijst, zooals wij het hier doen?” vroeg het dorpshoofd, toen ze een plek naderden waar weer vier meisjes met dat werk bezig waren, doch nu verlegen ophielden.

„In ons land groeit geen rijst”, antwoordde Rolf.

Het dorpshoofd keek vol verbazing zijn gasten aan. „Tjobah.....!” En ook onder de omstaande inlanders werd gemurmeld.

„Mogen we het stampen eens zien?” vroeg Rolf vroolijk.

„Wel zeker!” haastte zich het wellevende dorpshoofd te verklaren. En hij wenkte de meisjes nader te komen en hun arbeid voort te zetten. Schuchter, met neergeslagen oogen, voldeden ze aan het verzoek.

Zij stelden zich aan beide zijden van het stampblok op, namen den houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken bevel van een van hen te stampen. Al spoedig merkten Bontekoe en de zijnen op, dat er in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en nu wisselden plotseling alle vier de maat. Als vanzelf begonnen de deerntjes te neuriën, eerst heel zacht, toen wat vrijer uit, en bij elke maatwisseling zetten ze ook terstond een ander wijsje in. En alles rondom was zoo vredig; de lucht hing vol zoeten bloemengeur, de zon was zoo koesterend.....

„Alleraardigst!” riep Bontekoe uit.

Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem, want ze bloosden onder den lof; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen haar vroolijkheid een oogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij het blok was gaan zitten, berispte ze met krijschende stem; de meiskes wierpen elkaar en ook den omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een bijzonder vroolijke maat,—ondanks het kijven der oude, die thans met een mandje, dat veel van een omgekeerden hoed had en met ongepelde rijst was gevuld, bij het stampblok neerhurkte. Met vluggen greep griste ze tusschen twee stooten door met haar magere, gerimpelde hand de rijst uit de kommen, wierp ze in een leeg mandje en gooide daarna de kommen weer vol ongepelde rijst.

Terwijl de meisjes met stampen doorgingen, leidde het dorpshoofd zijn gasten weer verder.

Rolf vroeg naar den naam der grijze duiven in de kooien. „Boeroeng perkoetoet”, luidde het antwoord. Onze vrienden verbaasden zich over de juiste klanknabootsing: ze hoorden nu duidelijk in den roep van den vogel het woord: perkoetoet!

Ze hielden stil bij een ouden man, die met het versieren van een deur bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee—en met eindeloos geduld!—had hij vogels, visschen en boomen in fraaie lijnen uit het hout getooverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden.

„Kan ik ook”, zei Harmen. „Heb jullie mijn tabaksdoos al eens gezien?”

Een strenge blik van den schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor den dag te halen.

Na den rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwam men weer bij de woning van het dorpshoofd, waar intusschen het eten was opgediend. Een groote mat lag op den vloer, en daarop prijkte een keur van gerechten, alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich op matjes rond den „disch”. Er was rijst met scherpsmakende vischjes, gekruide kip, allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk sappig, oranje vleesch en een groote pit onze vrienden in verrukking bracht. Het eten was zoo gepeperd, dat men er de tranen van in de oogen kreeg. „Toch lekker”, vonden de jongens. Alleen Harmen was zijn wantrouwen nog niet geheel kwijt, aarzelde bij elk nieuw gerecht, dat men hem aanbood.

„Smaakt het jou niet?” vroeg Bontekoe.

„Als ik maar zeker wist, dat er geen gif inzat, zou je me eens zien eten, schipper!” verklaarde Harmen.

Zijn makkers lachten. „We hebben anders nog geen meelij met je! Als je dat allemaal opeet.....!”

De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er allerhande koekjes en geconfijte vruchten, en na het eten werd er gegiste palmwijn rondgediend.

Daarna stonden onze vrienden op om nu eens ernstig op zoek te gaan naar proviand voor de jol! Ze hadden verrukkelijk gegeten en bedankten het dorpshoofd voor zijn gastvrijheid. En nu Harmen geen buikkrampen of iets dergelijks voelde, week ook bij hem, als bij de anderen, het laatste restje wantrouwen.

Rolf vroeg den inlanders, die nog steeds in grooten kring voor het huis zaten, of niemand van hen iets te koop kon bieden.

„Kippen!” riep er een. „Twee geiten!” luidde het uit een anderen hoek. „Rijst! Rijst en kippen!”

Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en pluimvee op en liet het naar de jol zenden. Daarna volgde men den inlander, die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken de „geiten” nog geen maand oud te zijn. En het dochtertje van den man huilde zoo, toen zij merkte wat haar vader met de lustige speelkameraadjes van plan was, en zijn vrouw kijfde hem zoo de huid vol, dat hij maar van zijn plan tot verkoop afzag.

Op dat oogenblik kwam zijn buurman zeggen, dat hij een buffel te koop had. Dat zou zoden aan den dijk zetten! En onze vrienden volgden den man, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi, jong beest met een paar geduchte horens.

Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijf-en-een-halve real van achten. Maar hoe nu den stier naar de jol te krijgen? „Als we het die nikker laten doen, zien we het beest nooit!” meende Harmen.

„We zullen het zelf doen”, zei Rolf. En den Maleier vroeg hij: „Is er een weg naar het strand?”

„Zeker, heer, langs de rivier loopt een weg.”

„Wel”, zei Harmen, „ga jij dan met de kano terug, schipper, dan slaan wij het mormel een touwtje om z’n hals en brengen het netjes naar de jol.”

Dat scheen ook Bontekoe het beste. „Nu, gaan jullie je gang dan maar. Tot over een paar uur dus!”

„Jawel, schipper!”

Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd.

„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht een stukkie talie!”

De man raapte een stuk rotan van den grond op.

„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af.

Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te zijn, den buffel om de horens.

Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast. Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, zette geweldig af en..... sprong haasje-over!

„Tjobah.....!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een nieuwen aanval.

„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!”

De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.....”

„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?”

„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet meer van mij?”

„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.

„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s hemelsnaam mee?”

„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij de radjah!”

„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.”

„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat laatste ging tegen den stier.

Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen helderde zich immers alles op.

En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje.

Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde, traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen.

„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een dievenlantarentje mee mogen brengen!”

Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet gekneveld—en in het duister alleen gelaten.

VERLATEN

„Zie je wel, dat ie een blinde klip was!” jammerde Harmen.

„We moeten ons bevrijden”, zei Rolf.

„Goeie morgen! ’k Lig als een oester zoo vast! En jij, Padde?”

„O, God, Harmen!”

„Ik kan me wel wat draaien”, zei Hajo.

„Ah!” zei Rolf. „Draai hier eens naar toe, dan zal ik zien, of ik met m’n tanden.....”

„Dan kun je lang knabbelen”, meende Harmen. „’t Is een rotanknoop! Ik wou, dat ik m’n mes maar uit m’n broek kon halen, dan sneed ik jullie in drie tellen los.”

„Dan waren we nog het dorp niet uit!” klaagde Padde.

„Heb je mij wel eens zien knokken?” was Harmen’s schampere vraag. „Ik neem vijftig van die Arabieren voor mijn rekening, en als ik woest ben dubbel zooveel.”

„Wat zouden ze met ons willen?” vroeg Hajo.

„Levend opeten”, troostte Harmen. „Gepeperd bij de rijst.”

Padde begon te schreien. De anderen zwegen. Doffe woede maakte zich van hen meester. „Als ze bij de jol wisten hoe het met ons staat, zouden ze ons wel bevrijden!” zei Hajo.

„Loop er effe heen”, raadde Harmen.

Buiten gonsden stemmen. Rolf spitste de ooren. „Brapa?” ving hij op. „Toedjoe poeloeh!”

„Zeventig!” Dat was ongeveer het getal schipbreukelingen! Tegen hun makkers werd stellig ook iets in het schild gevoerd! En wat zou er met den schipper zijn gebeurd?!

„Die is goed bij de jol aangekomen”, meende Rolf. „Al die vriendelijkheid diende alleen maar om ons wantrouwen in slaap te sussen en vannacht ongemerkt het kamp te kunnen besluipen. Ze zouden ons ook wel vrij hebben laten gaan, maar toen we hier toch wilden slapen, hebben ze ons maar meteen opgesloten.”

„Die smerige buffel!” schold Harmen. „Had ik ’m maar dadelijk een lussie om z’n pooten geslagen!”

„Konden we in het kamp maar waarschuwen!” verzuchtte Rolf.

Hajo beet van drift de tanden opeen. „Opgesloten en gebonden!!”

Stil werd het buiten, merkwaardig stil. Nu en dan ritselde iets in het dak van bladeren, waarschijnlijk een hagedisje. Een paar muskieten zoemden door het vertrek. Iemand neuriede een zacht, zangerig deuntje.....—Plotseling doordringend kindergeschrei met het gillen van drie, vier honden, in een eindeloozen klaagtoon hun hondeleed uitjammerend. Dan een paar hooge vrouwenstemmen. Door een spleetje in het dak dwarrelde een streep maanlicht, schoof geleidelijk het vertrek door.

Hoe laat zou het al zijn? Middernacht? Werd het al morgen? Een gekko begon in langen, geheimzinnigen toon te ratelen: Krrrrrr! Krrrrrr! En dan helder en luid: „Tòkeh.....! Tòkeh.....!”

Harmen trachtte het na te bootsen, bracht het spoedig een heel eind. „Tòkeh.....!”

Padde snikte er doorheen.

Toen..... kraakte er iets op het laddertje. Lichte, vlugge schreden. De deur piepte, de dunne vloer boog een weinig door. „Toean.....!” zei een zachte meisjesstem.

De knapen voelden hun harten bonzen. „Apa?” vroeg Rolf.

De binnengekomene knielde, zocht naar den strik, die Rolfs hand omsloot, wrong hem met veel moeite los. „Nu kunt u de anderen ook bevrijden”, fluisterde ze gejaagd. „Er zijn geen mannen in het dorp. Ga de poort uit, dan linksom, het kleine weggetje in,—daar zal men niet zoeken.” Ze sloop weer weg, het laddertje af.

De knapen hadden geen aansporing tot vlug handelen noodig. Rolf knoopte in driftige haast Hajo’s handen los; samen bevrijdden ze daarop Harmen en Padde.

„Wat een schat!” zuchtte Padde. „Groote griebus, da’s vast die eene geweest, met dat fijne koppie!”

Toen de handen vrij waren, kon elk zichzelf van den rotan verlossen, die de voeten snoerde. Met hun nog stijve beenen, bibberend van opwinding, lieten ze zich van het laddertje glijden, beraadslaagden welken kant ze uit moesten. Spoedig hadden ze de richting naar de poort vastgesteld, en nu ging het sluipende van huis tot huis. De lichte erven werden zoo snel mogelijk overgestoken, gebruik makende van elke schaduwvlek, die de bananen-, papaja- en djamboeboomen boden. De prauwen, die onder de huizen hadden gehangen, waren alle verdwenen. Zou het nog mogelijk zijn, in het kamp te waarschuwen?

Ze kwamen bij het voorplein en wilden dit juist in alle haast oversteken, toen Harmen op een slapende kip trapte. Kakelend vloog het beest weg en deed een paar andere kippen, die op de nok van een dak sliepen, met veel misbaar omlaagfladderen. Tot overmaat van ramp begon een dozijn kamponghonden in koor te jammeren. Als de weerlicht sprong Harmen in het struikgewas, dat het pleintje begrensde. De anderen volgden hem op de hielen, drukten zich zoover mogelijk in het gebladerte weg en wachtten klappertandend. De deur van het huisje, waarbij zij zich bevonden, werd geopend, en een vrouw keek naar buiten, het haar loshangend, een doek haastig over de borst geslagen. „Si-apa?” klonk het een beetje angstig uit haar mond. „Wie is daar?”

Geen antwoord. Ook aan den overkant werd een deur geopend. „Eh, Niti? Apalah?”

„Tiada taoe! Ajam-ajam! Ik weet het niet! Het waren kippen!” De deur werd weer gesloten, en ook aan den overkant verdween de gedaante.

Toen alles rustig was, gaf Rolf het teeken van verder gaan. Vliegensvlug staken ze alle vier tegelijk het voorplein over en doken weg tegen den aarden buitenwal. Harmen sloop vooruit om te zien of de poort bewaakt werd. De anderen zouden wachten tot hij een teeken gaf. Hij gleed geruischloos onder de bananen- en papajaboomen door, waar het rijstblok nog stond, en gluurde om een hoekje van de poort. Den rug naar hem toe, zat een inlander gehurkt te neuriën,—een eentonig, nasaal wijsje. Harmen dacht na, of hij de anderen zou wenken, ten einde gezamelijk den man te overvallen. Maar nu was de kans goed: Harmen zou het zaakje alleen wel even opknappen! Voorzichtig dus een pasje nader, den adem ingehouden! Nog een pasje, volkomen geluidloos..... De inlander richtte het hoofd op, staakte zijn neuriën; het was, alsof ook hij den adem inhield. Wat zijn dat toch voor eigenaardige oogenblikken, waarin men niets ziet of hoort, maar toch voelt, dat zich in de buurt.....! Langzaam wendde de man het hoofd.

Dat was voor Harmen het teeken. Als een kat sprong hij toe, greep met beide knuisten den poortwachter bij den strot, drukte hem uit alle macht neer en werkte zijn bottige knieën op de van schrik uitgespreide armen van den overvallene.

Een gesmoorde kreet,—dat was alles geweest. De inlander, razend van angst en benauwdheid, trapte met de beenen en trachtte vergeefs zijn armen onder Harmen’s knieën weg te trekken en zijn kapmes te grijpen, dat hem in den gordel stak. Maar met woeste kracht drukte Harmen de knieën omlaag: er viel geen ontkomen aan. De spartelingen van den poortwachter werden zwakker; ten slotte vielen de beenen slap neer. Toen liet Harmen onmiddellijk los, huiverde, legde zijn hoofd op ’s mans borst en luisterde of het hart nog klopte. „Goddank.....” kwam het zacht over zijn lippen. Daarop wilde hij de anderen wenken. Maar dezen waren al toegesneld. „Dood.....?!” vroeg Rolf, terwijl Hajo en Padde met verschrikte oogen naar het lichaam van den poortwachter staarden.

„Van z’n stokkie gevallen”, lichtte Harmen in. „Neem z’n kapmes! En die spies kunnen we ook gebruiken!”

De jongens namen kapmes en speer en snelden het pad af naar de rivier. Ze waren overtuigd, dat ze te laat zouden komen om hun vrienden te waarschuwen. Maar niemand wilde het erkennen. Loopen, jongens, loopen.....! In eens stonden ze voor de rivier. Alle booten weg!—Dan maar het pad langs het water gevolgd! Harmen voorop. Loopen!

Nu en dan boog het pad van de rivier af, maar spoedig zagen de knapen tot hun geruststelling den zilverglans van het water weer tusschen het geboomte. Loopen! Loopen!

Ze kwamen langs een huisje. Nu gold het: voorzichtig zijn! Goddank! geen hond blafte. Verder maar weer! Wat was dat? Stemmen? Jawel, daar kwamen prauwen van het strand terug! Drie, vier, zes.....! Zouden de inlanders zijn gevlucht? Of zou de schipper met de jol..... o, Hemel, mèt de jol!? in zee gestoken zijn? Van onder de dichte schaduw der oeverboomen loerden de jongens, of in een der prauwen ook een bekend gezicht was. Van Bolle, den Schele, Hilke, Floorke, Gerretje, den Neus, of een der zeventig anderen.....

Op de voorste prauw was een matten tent geplaatst,—de prauw van het dorpshoofd natuurlijk, dien sluwen verrader, die het eerst niet aan vriendelijkheid had laten ontbreken, om later des te veiliger zijn slag te slaan! Andere prauwen volgden. De roeiers schenen in hooge mate opgewonden: spraken allen zoo dooreen, dat Rolf er geen woord van kon opvangen. In geen der prauwen zat een kameraad! Wat drommel, Bontekoe en zijn mannen zouden wel van zich hebben afgebeten!

De jongens holden voort. Zouden ze straks weer bij hun vrienden zijn?

In het voorbijsluipen zagen ze onder een huisje een kleine prauw hangen. Een hond was nergens te bespeuren en dus.... In alle omzichtigheid werd de gevaarlijke roof volbracht, de prauw uit de rotankoorden gelicht, naar den oever gedragen, te water gelaten, en de jongens zetten er zich in. Met rappe vingers grepen ze de spanen, die op den bodem lagen, en stuurden naar het midden.

Nu ging de tocht vlugger. Ze hoefden weinig meer te doen dan de boot recht te houden, zoo sterk was de stroom. De boomen aan den oever gleden als beelden uit een kijkspel voorbij.

Nu, stilzittende, voelden de jongens, dat een nacht op het water ook in Indië vrij kil kon zijn. Of deed de opwinding hen rillen? Elke minuut leefde de hoop, hun makkers weer te zien, meer op. Zoometeen zouden ze alles vernemen wat er gebeurd was, en ook zij zouden hun avonturen vertellen: van den buffel, waarmee Harmen zoo fiksch haasje-over had gespeeld, van dat lieve meisje, dat bij hen gekomen was. En samen zouden ze lachen om dat sluwe dorpshoofd, dat nu het nakijken had! En dan zouden ze weer in zee steken, vol goeden moed. Java was immers niet ver meer!

De prauw gleed de bocht om, die de knapen den vorigen nacht uit hun boom bespied hadden,—Hajo herkende haar aan de steenen, die ze slechts door handig zwenken omgaan konden. Tot zee toe overzagen ze nu de rivier.....

De jol was verdwenen.

Met bonzend hart meerden de jongens de prauw op de plaats, waar nog een der twee dreggetjes, met een doorgekapt touw er aan, in het zand lag. En daar..... op het strand..... Wie lag daar? Floorke! Doorstoken van alle kanten, in krampachtige houding, star blikkend in den nachtelijken sterrenhemel. Het bloed was hem in het roode, stoppelige haar geloopen, zijn mond stond half open, zoodat zijn witte tanden glinsterden in het maanlicht. Vol afgrijzen sloegen de jongens de handen voor het gelaat.

„Dood!” stamelde Harmen. En Padde schreide: „Daar.... nog een! En dáár.....!!”

De tweede doode, al even afschuwelijk verminkt als de arme Floorke, lag voorover in het zand, dat in een grooten kring was roodgeverfd. Harmen en Rolf beurden hem huiverend op; het was de Neus.—En de derde, die met gespreide beenen in het zand zat, zoodat men nog een oogenblik zou kunnen denken, dat hij leefde, als niet het slap naar voren gevallen bovenlichaam het vreeselijke tegendeel had doen vermoeden, bleek niemand anders te zijn dan de pechvogel, die voor Ilje del Foege door de Spanjaarden gewond was. Rillend, met stomheid geslagen, stonden onze vrienden bij de dooden.

„Ontzettend!” kermde Hajo.

„En wij?!” schreeuwde Harmen met schorre stem. „Wat moet er van ons worden?!”

Hij kreeg geen antwoord. Padde was schreiend ineengezakt; Rolf stond stroef, ontstellend bleek, naar den dooden Floorke te staren; Hajo, radeloos, keek afwisselend zijn makkers aan.

„Dáár!” schreeuwde Harmen en hij wees met de hand naar het Zuiden, waar tegen den donkeren water-horizon een klein, grijs vlekje wegschemerde..... de jol! Hij rukte zich den broek van de beenen, zwaaide er wild mee en trachtte met heesche stem de branding te overschreeuwen. „Kameraaje! Kamerááje!!” Hij balde de vuist, en de smart, zich uitend in snijdenden hoon, trilde door zijn roep: „Kameraaje!!” Toen braken de tranen door zijn stem, en hij plofte in het zand neer, snikkend en vloekend.

Padde kroop op zijn knieën naar Hajo en steunde zich tegen zijn vrind. „O, God, Hajo.....”

Ook Hajo rolden dikke tranen over de wangen. Maar hij liet het hoofd nog niet hangen. „Wij volgen!” riep hij uit. „Wij volgen met de prauw!”

Harmen vloog overeind. „De prauw!”—Maar met groote oogen staarde hij naar de plaats waar de prauw..... gelegen hàd! Ze was er niet meer. „Had ’m dan vastgebonden!” viel Harmen woedend uit. „Kijk, daar, daar gaat ie! Wacht....!” En Harmen wilde in zee loopen.

Rolf hield hem tegen. „Je komt te laat, Harmen. Zie maar.....” En Harmen, die zich met alle geweld, trappend en schreeuwend trachtte los te maken uit Rolfs stevigen greep, wendde den blik en zag, hoe de prauw in de branding raakte, hoog werd opgetild, onder een overslaande golf schoot en zonk. „’t Zou ons niets geholpen hebben”, zei Rolf.

„Wat dàn!” huilde Harmen. „Ons laten slachten? Krimmeneele, dat moest m’n meisje weten!” En Harmen begon hartstochtelijk te huilen, zonder het gelaat in de handen weg te bergen.

„We loopen naar Straat Soenda”, zei Rolf. „We hebben onze beenen toch? Van daar steken we over naar Bantem.”

„Straat Soenda legt naast de deur!” schreeuwde Harmen, zich in het zand werpend.

„Ik ga met je mee, Rolf”, zei Hajo, met moeite zijn tranen bedwingend. „Ik geef het niet op!”

Rolf knikte. „Goed. Maar we moeten voortmaken. Ze zullen ons al zoeken.”

„Ik blijf hier liggen!” schreide Harmen. „Ik wil hier doodgaan!” En hij woelde zijn gelaat in het zand, kromde van wanhoop het lichaam.

„Geef me het kapmes”, beval Rolf. „We zullen..... we zullen ze begraven.”

Toen sprong Harmen overeind en begon, terwijl de tranen hem van de wangen drupten, het zand uit te steken. Rolf en Hajo hielpen met de handen. Zoo groeven ze een breeden kuil.

„Leg Floorke in het midden”, zei Harmen met gesmoorde stem. „En de Neus aan z’n rechterzij. En kijk eerst, of ie z’n mes nog in z’n broek heeft zitten. Dat heeft ie..... dat heeft ie nou niet meer noodig, en wij kunnen het gebruiken. Hier is het; pak-aan. En nou de beenen recht. Hè, Floor? Moest je zóó aan je end komen?” En toen Rolf en Hajo het zware lichaam van den derden maat links van Floorke in den kuil gelegd hadden, nam Harmen de armen vol zand en ging hardop grienend aan Floorke’s voeten staan. „Nou smijten we zand op je! Had jij gisteren nog niet gedacht, hè, dat Harmen zand op jou zou smijten!” Hij liet met gesloten oogen het zand op Floorke’s doode lichaam vallen. En van nu aan hielp hij in koortsigen ijver het graf dichtwerpen.

„Dat is gebeurd”, zei Rolf met matte stem. „Nu moeten we hier weg.”

„Waarheen?” „vroeg Harmen.

„Naar Bantem”, antwoordde Rolf. „Ik zal het vinden.”

Harmen haalde met bitteren spot de schouders op.

„Ik ga niet mee!” dreinde Padde. „Wij blijven hier, waar, Harmen?”

Rolf lette er nauwelijks op. „Klaar, Hajo?”

„Jij gaat mee, Padde!”

„Ik ga niet mee!” siste Padde.

Hajo werd wit van drift. „Wil jij je moeder niet weer terugzien?!”

Padde krabbelde zacht snikkend overeind. „M’n moeder, Hajo.....!”

„En jij gaat ook mee, Harmen!” beval Hajo. „Rolf kent de weg.”

„Wat je zeg!” dichtte Harmen.

„Laat hem, Hajo”, zei Rolf achteloos. „Met lammelingen begin je toch niets.”

Harmen sprong met een verwensching op de been, snoof z’n tranen weg, trok z’n broek op en zei: „Meegaan zal ik! Maar voor dat woord: lammelingen krijg je op je ziel, zoodra je ons in Bantem hebt gebracht!”

Rolf hoorde het niet. „Kom!” zei hij. „We zullen voorloopig het strand volgen.”

Zwijgend trok het trieste groepje het strand langs in Zuid-Oostelijke richting. Dag, Floorke, beste Floorke! Dag Neus! Je kameraden zullen je, sapperloot! niet vergeten, hoor! En jij, Steven, arme ongeluksvogel, rust zacht, alle drie.....

Slenterend liepen de jongens voort, Harmen en Padde achteraan. Naar Bantem gingen ze. Naar Bantem.....! Hoever was het hier vandaan? Er lag nog een zee tusschen.....

Maar Rolfs wil en overtuiging werkten langzamerhand ook op de anderen. Wat drommel, ze waren toch met z’n vieren,—als je Padde niet meetelde: drie fiksche Hollandsche jongens, allen met een zakmes gewapend en bovendien in het bezit van een kapmes en een speer, waarmee ze als het er op aankwam..... nou! Bovendien bestond nog de kans, dat ze verderop de jol weer vonden, die misschien opnieuw aan land zou gaan. En als dat niet het geval was, nou, dan zouden ze de Compagnie eens laten zien, wat voor scheepsjongens zij in haar dienst had!

Achter hen klonk een scherp geblaf. Doodelijk verschrikt wendden allen zich om. Daar kwam een hond aanhollen, niets dan een hond, de tong als een lap uit den bek.

„Joppie!”

Zoo was het. Dol van vreugde, sprong het dier tegen de jongens op.

„Dat is de vijfde van ons verbond!” zei Rolf. „Ga je mee naar Bantem, Joppie?”

„Wouw! Waf! Wouw!” blafte Joppie. Dat is hondentaal. Het wil zeggen: Nou en of!

En zoo togen ze ge-vijven de onbekende toekomst tegemoet. Ze volgden het strand, tot achter de bergen de morgen gloorde.

Toen strekten ze hun doodelijk vermoeide ledematen in het zand uit—en sliepen!

EINDE VAN HET EERSTE DEEL

TWEEDE DEEL

DE ZWERVERS

De zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.

Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand. Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?

Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout genomen.

Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.

Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.

Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat, „ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen, brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!” verklaarde hij.

„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.

„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig mee.”

„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.

„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.

„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”

En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.

„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees op het lijntje, dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een admiraals-schoener voorbijgezeild was!”

Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.

Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet hij een kreet van verrassing uit. „Een kreeft!”

„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.

Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”

„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.

„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf raapte van den grond een half verrotte kokosnoot op. „Kijk, hier heeft de steel gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten, dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze noot.....”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”

„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een noot losdraaide.

„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.

„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken, kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. „Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”

„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.

„Daar!” zei Harmen gul.

„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.

„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.

Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.

Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder. Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed mee!

Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste, kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.

Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.

Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die herinnerden aan.... Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor geen anderen ter wereld wilde ruilen.

„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer! M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw weer op!” Nou, dan ga ik liever naar ’t Sillevere Anker, niet waar, daar krijg je alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen. En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”

Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen, legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’t Sillevere Anker denk”, ging Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.....!” Er blonk een traan in Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat ze zoo op netjes is, weet je?”

Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op. „Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”

Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.

Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de tent uitkropen.

Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid..... Joppie.

PADDE’S BROEK

Een tooverstaf had de natuur gewekt uit haar grijzen schemer. Heinde en verre lichtte de morgen op in bonte kleuren. De vogels schetterden bij honderden tegelijk.

Daar was de zon gekomen van achter de dieppaarse bergen, die, nu zij er een oogje op vallen liet, blonken van het goud.

„Goeden morgen!” zei de zon.

De jongens sprongen in de baai, ze doken, spartelden, pletsten elkaar het koele, heldere water om de hoofden, zwommen om het hardst tot aan de branding..... In eens begon Padde te schreeuwen en danste met groote sprongen door het water naar de plaats waar de kleeren lagen.

Wat was er gebeurd? Terwijl zij plasten en ploeterden, was uit de boomen een compagnie apen „schuchter” neergedaald. De vermetelste onder hen was pasje voor pasje de achtergelaten kleedingsstukken genaderd,—zonder zich ook maar een enkele van de bewegingen der zwemmende jongens te laten ontgaan. Toen was Padde, die het gevaar het eerst ontdekte, begonnen te schreeuwen; de aap had op goed geluk iets uit den hoop kleeren weggepakt en vluchtte nu met groote sprongen naar den naastbijzijnden boom, in een van zijn achterpooten ontvoerend..... Padde’s blauwgespikkelde broek!

Maar Joppie was door Padde’s gegil uit zijn zoete droomen gewekt en wist op het oogenblik, dat de kleerendief met zijn buit in den boom wilde schieten, het andere einde van de broek te pakken. Het aapje kreeg terstond hulp van zijn makkers, die met vereende krachten aan de broek rukten. Joppie zag in, den strijd te zullen verliezen, en loerde angstig naar Padde, die, zoo vlug als zijn dikke beentjes het toelieten, kwam aanhollen. De anderen waren te ver om nog tijdig het slagveld te bereiken. De tanden grimmig vastgeslagen in een der blauwgespikkelde broekspijpen, liet Joppie zich van den grond omhoogtrekken. In Padde’s knippende oogjes lichtte de hoop, zijn dierbaar kleedingstuk nog te kunnen redden.....

Op dat oogenblik viel Joppie met een kreet van pijn en een halve broekspijp op zijn staart, en onder een oorverdoovend vreugdegegil vloog het stelletje apen met het veroverd vaandel de boomen in. Padde’s eerste werk was, Joppie met zijn blooten voet een schop tegen het achterwerk toe te dienen, daarna raapte hij het blauwgespikkelde restantje op, zag, dat het net groot genoeg voor een neusdoek was, en ontving zijn makkers met een stortvloed van verwenschingen.

Harmen vond het geval zoo erg niet. „Meissies zijn er hier toch niet in de buurt!” troostte hij.

Maar Padde was niet te troosten. „Als ik m’n broek niet terug krijg, doe ik geen stap meer!” dreigde hij. „Of dacht je, dat ik zóó in Bantem wil aankomen?”

Harmen wist raad. „Jij krijgt je broek terug, Padde! Laat mij m’n gangetje maar d’r eens gaan!” En terwijl de anderen, met twijfel in het gemoed, toezagen, begon Harmen zijn sluw krijgsplan, dat tot herovering van Padde’s broek moest leiden. Hij opende met een woest krijgsgeschreeuw. Het had uitwerking: de bruine roovers daar in de boomen beantwoordden het op even luidruchtige wijze.

„Is dat de oorlogsverklaring?” vroeg Rolf.

„Ssst!” zei Harmen. „Ze moeten alles nadoen, wat ik doe!” Hij sprong in de lucht, zwaaide met de armen en kwam achterste voren weer neer. Boven werd aan de takken gerukt, opgewonden gekrijscht, en enkele apen sprongen op een anderen tak over.

„Goed zoo!” juichte Harmen. „In tien tellen heb je ’m, Padde!” Daarop hief hij zijn eigen broek in de lucht en wierp haar met een gebaar van innigen afkeer weer op den grond.

„Chrrr!” zei de aap, die den buit bewaakte. En hij klemde de broek nog iets steviger vast.

„Mislukt.....!” bekende Harmen. „Ik dacht, dat hij de broek nu ook zou weggooien. Affijn, Padde, dan smeer je je maar met modder in; dan denken de lui, dat je óók een Arabier bent.”

„Ik wil m’n broek terug!” snauwde Padde. „Ik wil niet voor gek loopen!”

Harmen fronste in diep gepeins de wenkbrauwen. „Nou heb ik ’t!” riep hij uit. „In tien tellen, Padde!” Harmen sneed een dunne, taaie rotan af, maakte er een lus in. „’k Heb niet voor niks konijnen gestroopt!” zei hij. „Geef me je broek even, Hajo?”

„Waar heb je die voor noodig?” vroeg Hajo.

„Als lokaas. Kijk, de lus hang ik hier neer; ik ga daarginder staan met eene eind in mijn fikken. Nou leg ik de broek onder de lus en als er dan een z’n jatten doorsteekt om de broek te gappen, is ie er bij.”

„Maar hoe weet je, dat je nou juist de aap met Padde’s broek vangt?”

„Wel, dat is de brutaalste; die zal er wel weer als de kippen bij zijn!”

„Maar kun je er niets iets anders voor nemen dan mijn broek?” vroeg Hajo weifelend.

Harmen was beleedigd. „Wat kan er nou mee gebeuren? Niks! Wie z’n fikken door de lus steekt, is er meteen bij!”

„Ja, maar, als ie nou.....”

„Goed! Goed! Goed!” viel Harmen uit. „Als jij er het lef niet voor hebt, zal ik m’n eigen broek nemen! Neen, nou wil ik de jouwe niet eens meer!” En grimmig nam Harmen zijn broek op en legde haar tusschen twee zware wortels,—den strik er bovenop. Daarna verschool hij zich met de anderen achter een dikken boom, de rotan in de hand, gereed zijn slag te slaan.

In de boomen werd vergaderd over een mogelijk veroveren van dit nieuwe, lokkende voorwerp. Allen waren overtuigd, dat er gevaar aan verbonden was, maar juist dat prikkelde hun rooversgemoed. Ze daalden neer tot kort boven de plaats waar de broek lag. Joppie vermoedde nieuw gevaar,—werd met moeite in bedwang gehouden.

Daar klauterde een aap geheel omlaag, bleef met den staart aan een tak boven de broek hangen, slingerde zoowat heen en weer, de vingers over de lus slierend, spiedde aarzelend alle kanten uit. De aap, die Padde’s broek geroofd had en de dierbare, blauwgespikkelde lap nog steeds in den linker achterpoot omklemd hield, zat mijmerend op een tak en scheen in het gevaarlijke spelletje ditmaal niet den geringsten lust te hebben. Harmen vergat, dat ze er al zeer weinig nut van zouden hebben, indien hij een anderen aap ving dan juist dien met de broek. Harmen’s eer stond op het spel; Padde’s broek kon hem geen zier meer schelen. Hij loerde, loerde.....

De hangende aap nam, na lang door zijn makkers te zijn aangevuurd, ten slotte een kloek besluit. Hij greep toe; Harmen trok den strik dicht, en het aapje was gevangen. In dit oogenblik wipte vliegensvlug het mijmerende heertje met Padde’s broek in den linker-achterpoot omlaag, greep met den rechter-achterpoot Harmen’s „lokaas” en vloog met beide trofeeën krijschend tegen den stam op. Paf stond Harmen, zóó paf, dat de rotan uit zijn hand glipte, en de gevangen aap met strik en al achter zijn makkers aan vluchtte. Toen barstte Harmen in jammerklachten los. Hij voelde zich het slachtoffer van eigen edelmoedigheid; hij had zich van zijn laatste kleedingstuk ontdaan om zijn naaste te helpen. En nu? Daar stond Harmen, grooter dan hij geboren was, maar overigens net zoo.

Voor nieuwe proefnemingen wilde niemand zijn broek leenen. Er moest dus raad geschaft worden. En er werd raad geschaft. Hajo vlocht voor de beide broekloozen een rokje van lang gras, dat door een rotangordel kon worden opgehouden. Zuchtend trok eerst Harmen en daarna ook Padde zijn nieuwe kleedingstuk aan. Harmen zag er uit als een echte menscheneter! Hij verzoende zich met zijn lot, voerde met lans en hakmes een woesten krijgsdans uit, waarbij de apen daar in de boomen hem krijschend aanvuurden.

Toen raadde Rolf aan, den tocht voort te zetten. De jongens braken de tent af en wierpen de stokken en bladeren in het struikgewas, om zoo min mogelijk sporen achter te laten. Ze volgden het smalle strand, dat de baai begrensde, maar, aan den overkant gekomen, stonden ze onverwachts voor een pad, dat het land invoerde. Zouden ze het inslaan? Rolf vond het veiliger het strand te volgen, zoolang dat mogelijk was. Zoo bedwongen ook de anderen hun nieuwsgierigheid. Maar nauwelijks hadden ze de baai geheel omgeloopen, of het strand hield op; steile, kale rotsen liepen ver in zee uit en sloten als een granieten deur den weg af. Er zat niets anders op dan toch maar het pad te nemen. Onze vrienden liepen de baai dus weer ten halve om en sloegen het boschpad in.

Daar de zon danig was gaan steken, deed de schaduw in het pad heerlijk koel aan. De jongens vermoedden, dat het weggetje naar een dorp zou voeren, waren dus wat voorzichtig. Bij een bocht ging er een vooruit en gluurde om een hoekje, aleer de anderen volgden. Zoo gebeurde het, dat Hajo, die ditmaal vooruit was gegaan, zijn makkers duidde, zich snel te verbergen. Terwijl dezen in een bamboeboschje wegdoken, Joppie haastig meetrekkend, drukte hij zichzelf tegen een kokosstam achter een met witte bloemen overdekten struik.

Daar kwamen twee kleine, naakte kereltjes den hoek om slenteren. Dat is te zeggen: de een was niet geheel naakt, droeg op de hoogte van zijn maag aan een koordje een ruitvormig lapje, uit vele en veelkleurige stukjes doek samengesteld,—een kleedingstuk, waarvan onze vrienden vergeefs de doelmatigheid trachtten in te zien. Beiden hadden een klein, rond bamboekooitje in de hand, met een schuifdeurtje; Rolf hoorde hen tegenover elkaar opsnijden over de vechtkunst hunner, in hun kooitjes opgesloten, krekels.

„Djangkrik njang saja lebi besar!” zei de eene.

„Jouw djangkriek grooter? Wat dan nog? Njang saja lebi brani! De mijne is dapperder!”

„Njang saja maoe menang! De mijne zal het winnen!”

„O neen, de mijne! Njang saja!” Daarop hurkten de knaapjes neer, zetten de kooitjes tegen elkaar, trokken de schuifdeurtjes open, plukten een grashalmpje en moedigden daarmee hun krekels tot den strijd aan. „Kirrrr! Kirrrrr!” klonk het uit de houten gevangenisjes. Zóó waren de jeugdige dierenkwellers in hun krekeltoernooi verdiept, dat geen van beiden merkte hoe Hajo uit het struikgewas trad, en hoe ook de andere zijde van het pad werd afgesloten door witte menschen, nog wel met speren en bogen gewapend. Doch eensklaps sloeg het kereltje met den lap op z’n maag de oogen op en tuimelde van schrik over den grond. De ander wilde het op een loopen zetten, bemerkte, dat ze van beide zijden waren ingesloten, en wierp zich toen op zijn knietjes. „Ampoen! Vergeving ....!”

Rolf trachtte de dreumesen wat op hun gemak te brengen. „Djangan takoet! We zullen je niets doen! Je hoeft ons alleen maar te vertellen waar deze weg heenvoert.”

„Minta ampoen, toean besar, minta ampoen..... Vergeving, groote heer.....!”

Rolf hernieuwde zijn pogingen om den knaapjes duidelijk te maken, dat ze niet van plan waren hen te slachten en op te peuzelen. En zoo kwam hij na veel moeite van de bevende kereltjes te weten, dat de weg naar een dorp voerde, maar dat ze bij een beekje een zijweg zouden vinden, die ver, heel ver het bosch inging.....! Met hun bruine armpjes wezen ze in Oostelijke richting.

„Prachtig!” zei Rolf. „Ik dank jullie.” Daarna boog hij zich over de twee kooitjes, die nog in het gras lagen, en vroeg den mannekes, den wedstrijd voort te zetten. Aanvankelijk nog schuchter, voldeden ze aan het verzoek, maar, al porrende met hun grashalmpjes, vergaten ze de gansche wereld, tot ten slotte de djangkriek, die wel niet het grootst, maar het meest „brani” was, een schitterende overwinning behaalde. Als de beste vrienden ter wereld namen de zwervers van de poedelnaakte wereldburgers afscheid.

Een paar honderd ellen verder kwamen ze bij het beekje. Een kokosstam deed als brug dienst. De knapen balanceerden er over en vonden aan den anderen kant het zijpad, dat langs het beekje liep. Ze sloegen het in. Hier kwinkeleerden duizend vogels, jaagden in bevalligen tuimel achter vlinders en waterjuffers aan. Een enkele maal schoot ritselend iets weg tusschen het oevergras; dan kwam Joppie in de weer!

Na een uur boog het pad van het beekje af. De jongens besloten de laatste gelegenheid, die zich voorloopig voor een bad bood, niet onbenut te laten. Heerlijk frisch was het water; onze vrienden gingen op den zandigen bodem zitten en plasten naar hartelust.

Ook Joppie moest er aan gelooven. Ondanks zijn gillend verzet werd hij ondergedompeld en met zand schoongeschrobd. „Nou?” vroeg Harmen. „hoe voel je je nou, zonder al die vlooien?” Joppie glipte, den staart tusschen de pooten, den oever op en keek Harmen weemoedig aan.

Na het bad ploften de jongens op den oever neer en dommelden in.

Toen de drukkende middaghitte wat afnam, ontwaakten ze met de ontdekking, dat ze een stevigen honger hadden. Ze zagen in den omtrek niets eetbaars, haalden den riem dus maar een gaatje aan en vervolgden hun weg. Maar plotseling ontdekte Rolf een boom met tallooze van die groene vruchten, die hun bij het dorpshoofd zoo goed hadden gesmaakt: manggah!

Omhooggeklauterd en plukken, jongens! Het sap liep hun over de kin, en het duurde geruimen tijd, vóór onze vrienden bij Padde en Joppie terugkeerden, die beneden wachtten. Padde was er niet bekaaid afgekomen: de anderen hadden hem manggah’s in overvloed toegeworpen: het oranjekleurige vruchtvleesch zat hem tot achter de ooren.

Verder! Het pad begon te stijgen, kronkelde zich tusschen steile, met hooge varens begroeide wanden voort; ze liepen door een droge rivierbedding, die steeds dieper werd; sinds lang lag het pad in de schaduw van den rechterwand; de linker, die in de volle zon stond, bood een verbijsterenden aanblik van tropischen rijkdom. Wondermooi geschikt lagen de varenschermen; daartusschen fonkelden tallooze roode bloemen en fladderden vlinders en vogeltjes,—het was als uit een sprookje.

Urenlang stegen de knapen: ze voelden het aan hun beenen. Hoog boven hun hoofden omstrengelden twee boomen elkaar over de kloof heen. Nog iets verderop liep het pad een schemering van groen binnen.

Hajo liep te droomen. Het was hem, of deze weg naar een wonderland zou voeren, naar de verborgen schatkamers der tropennatuur, naar heiligdommen, die geen menschelijk oog aanschouwen mocht. Hoe stil werd het! Geen vogel roerde zich. Je hoorde je eigen adem; hoe warm en vochtig was de lucht hier; hoe sterk rook je de bloemen.....

Ineens stonden onze vrienden op een plateau, met hooge loofboomen begroeid; de wanden waren verdwenen; de knapen konden van hun hoogte vrijuit den omtrek overzien. Niets dan groene en met bloemen overdekte boomkruinen. Hè, je ademde nu weer vrij! Padde plofte neer, zei geen stap meer te kunnen verzetten. En de anderen vleiden zich naast hem in het gras.

Een zware, zwarte vogel, die een geweldigen snavel voor zich uitdroeg, vloog met kleppend wiekengedruisch over hun hoofden.

„Die mag z’n ribbekast weleens laten smeren!” meende Harmen. „Hij piept als een verroeste koffiemolen!”

„Een koffiemolen.....!” zuchtte Padde.

„’t Was een neushoornvogel”, zei Rolf lachend.

Ze sliepen in, werden een uurtje later weer wakker. Verder, jongens!

De zon was al een flink eind gedaald; het werd nu gelukkig wat koeler. Als ganzen achter elkaar volgden ze het smalle pad. Harmen liep zingend vooraan. De anderen floten mee:

„Daar komen de Spekken! Rom-rom. Ze willen ons nekken! Rom-rom. Slaat op den trom!! Ze willen ons nekken! De Spekken!

Trek nu van leer! Rom-rom. Stelt u te weer! Rom-rom. Sluit u in drom!! Sla ze op hun bekken! De Spekken!”

Op eens stonden de jongens voor een ravijn.

Prachtig was het uitzicht over de zee van groen, waarin juist de zon wegzonk. Ook het plateau zelf, waarop de knapen stonden, was aangrijpend schoon. Ontzaggelijke boomen, geheel met orchideeën en slingerplanten overdekt, rezen forsch uit den groenen mosbodem; tusschen de wortels zou men een hut kunnen bouwen. Stekelige lianen hingen van de takken neer; tegen de stammen op stonden als eere-pajongs de breedgekroonde varens.

Hier dachten de jongens den nacht door te brengen. Ze maakten een hoog en zacht bed van varens—wat veerde dat!—en gingen toen bijeenzitten op den rand van het plateau. Het ravijn lag nu in een blauw waas gehuld. Daarachter stond rood en majesteitelijk de avondlucht. Trallerend als een Hollandsche leeuwerik, zwierde een vogeltje uit het ravijn op, hooger, al maar hooger, om de zon nog even te groeten. En ja, daar schitterde het eensklaps in helle kleuren op. „Dag, zon! Ben jij daar nog? Ik dacht het wel!” Dan dwarrelt het weer omlaag, glijdt in de schaduw terug, een vallend herfstblad.

De hemel verbleekte; de schemering spon haar eerste draden. Hoe stil werd het!—De jongens kenden de tropen al genoeg om te weten van hoe geringen duur die stilte zijn zou. Zoometeen zouden de krekels gaan tsjirpen in duizend hoeken en gaten. Geheimzinnige kreten zouden eensklaps de stilte verjagen, en dan zou de nacht komen aansluipen, als de dood in zijn zwarten mantel, zwaar ademend van moordlust. En ineens zat ie boven op je en haalde met zijn knokige, vaalwitte knuisten een glinsterend mes te voorschijn. Dan stolde het bloed je in de aderen; met een schreeuw zou je den gruwelijken kerel van je willen afwerpen. Maar je handen zaten als met schroeven vast; de adem stokte je in de keel.....!

Flakkerdeflak! Piiiiiiep!

„’n Vleermuis”, hakkelde Harmen.

Het laatste roze wolkje was aschvaal geworden; hier en daar begon een sterretje te tintelen; de maan kwam op. Waar haar stralen den grond roerden, stegen lange, witte spoken op, wentelden zich zuchtend omhoog. Toen zetten de krekels in, ontelbare fijne stemmetjes. Harmen stond op. „’t Is me hier een land!” gromde hij. „We komen d’r nooit weer uit.”

Langzaam rezen de anderen overeind, voelden een kille windvlaag over het plateau strijken. In de boomen kreunde en zuchtte het. Met moeite hun angst overwinnend, traden de jongens het duister in en zochten hun leger op. Ze kropen zoo dicht mogelijk bij mekaar.

„’t Veert fijn, hè, Hajo?” vroeg Harmen met heesche stem.

„Ja, ’t veert fijn”, zei Hajo.

Ze zouden er iets liefs voor hebben gegeven, een deken over de ooren te kunnen trekken. Nu hoorden ze de boomen boven hun hoofd een samenzwering houden om over de vermetele indringers ineen te storten en hen te verpletteren; ze hoorden den sluipenden gang van den tijger; ze voelden langs hun wangen den ijzigen adem van giftslangen; de kille, geschubde lichamen streken langs hun naakte schouders. Ook de hangende lianen bleken eensklaps slangen te zijn, die zich geluidloos omlaag lieten glijden en hen beloerden, wiegelend met den kop, waarin twee groen-gouden oogen fonkelden.....

Ten slotte sliepen de doodelijk vermoeide jongens in.

EEN NEST MET KATTEN

Den volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens ontwaakten, was dat van bevrijding.

Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag! Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren. Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden zijn.

Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.

Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep klonk meer als: tekoekoerrr.....) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag, en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en schoot het dier.

Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu, twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers keerden tevreden huiswaarts.

Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder, dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den mensch.

Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een liaan te groeien, die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus. Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat Vader Langjas er niet van meegenieten kon!

Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten? Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats, waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.

„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.

„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”

„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.

„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang weg!”

„Ja..... hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een koningstijger aanzetten!”

„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal bedorven zijn, Rolf.”

„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal een doerian zijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei. Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak Rolf zoo’n pit in den mond.

„En.....??”

„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”

Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.

„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel van den stank.

Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?

Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was, raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren. Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op los, dat de stelen links en rechts neerzonken. Bij dit werkje viel hem een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille monstertje van zich af. Brrrrr!

En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen lag op mos en bladeren een drietal..... katten! Neen maar, dat had Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden; ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens verrassen!

En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat, jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas. „Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”

Joppie’s haren vlogen steil overeind.

„Maar..... dat is een tijger!!” riep Rolf.

Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.....!”

„Een jonge koningstijger!!”

Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.....?! Groote Griebus! Dan heb ik voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die groote vrucht; ik draag de tijger.”

„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.

„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”

„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.

„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. „Vooruit dan maar!”

Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen, toen..... Hajo stootte een kreet van ontzetting uit..... daar sprong uit de struiken, geen twintig passen van hen af.....!

De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden. Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde, zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens..... Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.

Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen....! Rolf kreeg een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een fermen zwaai den tijger zijn jong toe.

Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in het struikgewas. „Besjoer.....!” stamelde Harmen met nog lijkwitte lippen.

Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden, Harmen vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste, telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik kan jullie niet bijblijven.....!”

„TABEH!”

Pas een heel eind verder durfden ze hun vaart wat inhouden. „Zou hij ons volgen?” vroeg Hajo, naar adem happend.

„Ik denk het niet”, hijgde Rolf. „Maar laten we toch maar zoo ver mogelijk zien weg te komen.”

En de jongens liepen, liepen.....!—Er was een betoovering over het woud gekomen, sinds ze den heerscher ervan hadden leeren kennen. Die struiken, dat bamboebosch daar kon hem dus bergen.....!

Verder! Verder maar.....! Eindelijk gingen ze zitten, druipend van het zweet.

„Waar is Joppie?” vroeg Rolf. Joppie was verdwenen!

„’n Held!” schimpte Harmen. „Als ie de tijger nou nog te lijf was gegaan!”

„Waarom heb jij ’t eigenlijk niet gedaan?”

„Ik? Als ie even langer was gebleven, had ie dit ding” (Harmen tilde den doerian op) „tegen z’n bast gekregen. Dan was ie van de stank wel weggeloopen!”

„Nou, en ik dan?” zei Hajo. „Ik stond al met m’n lans klaar. Nietwaar, Padde?”

„Je hadt ’m makkelijk kunnen doodsteken, als je maar gewild had!” viel Padde hem bij. „Ik had m’n handen vol, maar anders.....!” Allen lachten weer. „Knap maar”, zei Padde. „Daarstraks lachten jullie niet!”

„Kom!” zei Rolf. „Laten we nog een uurtje doortippelen, maar nu kalm-aan.”

„’k Heb zoo’n honger!” klaagde Harmen.

„Straks plukken we de duiven verder”, zei Rolf. „Maar als je honger hebt, peuzel dan een stuk van die vrucht op.”

„Daar zet ik geen tand in.”

„Dan laat je het. Kom.....!” En de jongens liepen weer verder.

„Kijk, daar loopt nog een pad!” zei Hajo ineens. „Het komt hier op uit, zie je wel?”

„Ja! Het schijnt uit het binnenland te komen!”

Even later stonden de jongens bij den tweesprong. Het andere pad was mul, en in den grond teekende zich de indruk van een kleinen, naakten voet af. „Het spoor is nog versch”, zei Hajo. „Het is een kindervoet! Misschien zijn we hier wel dicht bij een dessah.”

„Best mogelijk”, meende Harmen. „Geef maar een duifje hier, Padde! D’r zijn er vier, voor elk een; Joppie loopt z’n deel mis.” En Harmen ging op den wegberm zitten plukken. De veeren stoven in ’t rond.

Dapper peuzelde ieder daarna zijn duiveboutje op. Hajo en Rolf smulden ook nog aan den doerian; Padde en Harmen gingen boven den wind zitten, gaven af op menschen, die zulk een vies ruikend goedje wilden eten.

Waar Joppie zoo lang bleef? Hij zou toch niet door den tijger.....? De knapen betrapten er zich op, dat ze in Joppie een kameraad zouden verliezen. „Joppie! Joppie.....!” Geen antwoord. Verder dus maar weer. Het pad werd steenachtig; hier en daar was het geducht klauteren. Aan de linkerzijde verhief zich een rotswand, dicht met struikgewas, varens en kleine palmen begroeid en door een leger apen opgevroolijkt: het duurde niet lang, of de doode takken suisden den jongens weer om de ooren, zoodat ze blij waren, toen het pad van den rotswand afweek.

Eensklaps stonden ze voor een natuurlijke trap. Dat is te zeggen: was het wel mogelijk, dat de natuur die ellenbreede, bazalten treden zoo regelmatig had verdeeld? Aan beide zijden stonden bananen met trossen goudgele vruchten en overschaduwden de trap met hun groote, groene bladeren, en in de spleten tusschen de steenen glansde diep-groen mos met roode bloempjes. „’t Lijkt wel een trap van een oud kasteel!” vonden de jongens. Ze plukten een paar rijpe pisangs, maar de vruchten smaakten wrang. „’t Zijn wilde pisangs”, verklaarde Rolf.

„’t Zijn rot-pisangs”, zei Harmen teleurgesteld.

Hajo scheen naar iets te luisteren. „Hoor eens goed!”

„Een waterval!” juichte Rolf. Toen snelden ze met groote sprongen de trap op, belandden hijgend op een plateau. In spanning van wat ze te zien zouden krijgen, snelden ze tusschen met mos en bloemen overdekte rotsen op het geruisch af, holden in hun haast zelfs ongemerkt een paar sinaasappelboompjes voorbij, liepen een palmenboschje om,—en stonden voor een meer.

Het was bedwelmend. Aan de eene zijde van het meer steeg een steile rotswand op; heel in de hoogte ontsprong een stroompje; het zilverige water danste over de rotsen omlaag en viel zingend en schuimend in het stille meer, dat tusschen hooge, zacht fluisterende bamboeboschjes en wuivende waaierpalmen lag weggezonken. In het midden lag een met boomvarens en bloemen begroeid eilandje, in strakke lijnen zich spiegelend in het plechtig stille water, dat zich slechts daar roerde, waar de waterval schuimde. Vogels fladderden alom in de lage takken, in wonderlijke taal luide uitkwinkeleerend boven het watergeruisch. Aan den oever stond op één poot een reiger te visschen. Pik! daar dook de snavel weg, kwam met een spartelend, zilveren vischje weer boven, en de rimpels liepen ver over het water uit, stootten tegen de bladeren van een drijvende lelie en schoten in dwarse bogen terug. De reiger wierp het glinsterende vischje in de lucht en ving het in zijn opengespalkten snavel.

„Ik ga hier nooit weer weg!” stamelde Hajo. ’t Was om er de tranen van in de oogen te krijgen, zoo mooi. De bodem van het heldere water lag vol bontgekleurde steenen. En wat schoot daar voorbij? Een vischrug! Dik als een arm!

Lang duurde het niet, of de jongens zaten in het water; de reiger streek sierlijk op een lagen boomtak en keek peinzend toe. Hoe heerlijk koel en doorzichtig was het water; je kon met open oogen naar de prachtige steenen op den bodem duiken. Terwijl Padde wat bij den oever ploeterde en op de weinige kleeren en de wapens paste, zwommen de anderen naar het eilandje. Allen dommelden wat in; zij op hun eilandje; Padde boven op het goed, dat hem was toevertrouwd.....

Toen de grootste hitte voorbij was, stonden de jongens hongerig op. Harmen stelde voor, wat te gaan visschen.

„Ja!” riep Hajo. „Hengelstokken hebben we hier bij de vleet. Hengelstokken van de fijnste soort!”

„Ik weet nog beter!” zei Rolf. „We schieten ze. Met pijl en boog!”

Dat voorstel sloeg in! Onze vrienden doken weer onder en zwommen om het hardst naar den oever,—een wedstrijd, dien Hajo met een el voorsprong op de anderen won. Toen bliezen ze even uit en gingen gewapend weer het water in. Maar de jacht viel niet mee: de visschen verdwenen, wanneer de knapen naderden.

Rolf vond er iets op. Terwijl Hajo en Harmen om het hardst achter de visschen aan zwommen, bleef hij, naar het voorbeeld van den reiger, doodstil staan op een ondiepe plaats, een gevelde lans in de hand. Spoedig zwom een groote visch voorbij. Rolf richtte en spietste met een gelukkigen stoot het dier aan zijn lans. Dit bleek achteraf nog de beste wijze van jagen: hij had spoedig vier zware dieren veroverd, terwijl Harmen en Hajo niets schoten. De jacht van deze schutters werd dan ook spoedig een spelletje. Ze trachtten, onder water duikende, op de bladeren der drijvende waterlelies te mikken en toen hun dat ging vervelen, klommen ze in de oeverboomen en sprongen van gedurfde hoogten het water in, waarbij ze nu en dan leelijk op de steenen terechtkwamen.

Rolf had meer gespietst dan de jongens verorberen konden; Harmen sneed een visch in stukken en wierp die in het meer. Van alle zijden schoten de vroegere kameraden toe en vochten gulzig om den buit,—leverden een mooi kleurenspel van fonkelend wit, staalblauw, goudgroen.....

Na het middagmaal dwaalden de jongens het plateau nog wat over, dat ze daarstraks slechts vluchtig hadden gezien; ze plukten wat sinaasappelen, die van buiten niet geheel rijp schenen, maar toch lekker zoet waren.

Toen ze langzaam door de palmen weer terugkeerden, hield Rolf zijn makkers vast. „Kijk daar eens!”

Wat ze zagen, was mooi als een droom. Twee herten en enkele reeën stonden te drinken, waarbij telkens de kop ver naar achteren geworpen werd, het gewei in den nek, en het water ter zijde langs de lippen naar buiten vloeide. De groote, vreesachtige oogen glansden. Wat waren de halzen mooi gebogen! Hoe sierlijk stonden de dieren op hun ranke pooten! Plotseling scheen er een onraad te speuren. Het snoof de lucht op, stootte een geluid uit als het blaffen van een hond. En..... wat klonk daarginds? De echo? De herten en reeën sprongen weg in het groen.

De knapen staarden nog sprakeloos van bewondering naar de plaats, waar ze gedronken hadden.

Ineens..... wie kwam daar snuivend aanhollen, de tong uit den bek? Joppie! Dat was de echo van daareven! Jankend van vreugde sprong de hond tegen zijn meesters op, draaide half dol in het rond, kermend en kwispelstaartend onder hun aanhaling en likkend waar hij maar likken kon. „Wouw! Wouw!”

„We wisten wel, dat je ons niet in de steek zou laten!” zei Hajo. „Ga je mee, ouwe jongen?”

Daar zei Joppie geen neen op! Maar nu zag hij restanten visch liggen. Hij vloog er op af, sloeg in zenuwachtige haast koppen en staarten en graten naar binnen, met een half oogje opziend, of de jongens bijgeval niet weggingen. Maar dezen wachtten geduldig tot alles op was en Joppie, na half gestikt te zijn, de laatste graat weer uitspuwde en meteen weer inslikte. Joppie snuffelde nog wat, vond niets meer.

En de karavaan volgde het pad weer, vroolijk gestemd, dat ze nu allen samen waren. Tusschen de oeverpalmen door, wierpen ze een laatsten blik op het meer. Het was het mooiste, wat ze zich in hun leven herinnerden gezien te hebben. Nog wel een half uur lang hoorden ze, wanneer ze even stilstonden, het ruischen van den waterval.....

De weg daalde, werd nauw en kronkelig. Harmen, die vooraan ging, liep telkens met het hoofd in een spinneweb. Het pad scheen zoo weinig gebruikt te worden, dat hier en daar de struiken het geheel versperden, en onze vrienden moesten zich met het lijf een weg banen. „Hé!” zei Harmen eensklaps. „Hier is iemand langs gekomen! Zie maar: deze tak is versch gebroken! Misschien wel dezelfde, waarvan we vanmorgen die voetstappen hebben gezien!”

Zwijgend liepen de knapen zoo een paar uren achtereen, tot het ging schemeren, en aan een legerplaats gedacht moest worden. Ze kozen er weer een open plek voor, tusschen bamboebosschen. De grond was zacht. Merkwaardig was, dat ze vanavond niet zoo door die onbestemde vrees bevangen werden als gisteren voor het slapen gaan. Raakten ze met het oerwoud vertrouwd? Had de ontmoeting met den koningstijger dit gevaar iets van zijn beangstigende geheimzinnigheid ontnomen? Ze waren met z’n vieren, met lansen bewapend, en Joppie zou wel blaffen als er gevaar dreigde.....!

Eensklaps richtte Hajo zich op. „Ik hoor wat!”

De jongens luisterden. Door het krekelgetsjirp mengde zich een dof geluid als van een trommel. „Menschen!” fluisterde Hajo. „Ik hoor ook een fluit!”

De knapen sprongen op. Mannetje na mannetje liepen ze langs het donkere, smalle pad op het geluid af.

Eensklaps hield het bosch op, en aan de voeten der knapen strekte zich een wijd dal uit, in vijvers verdeeld. En in het midden, omringd door kokostuinen, lag een dorpje, waaruit een gele lichtschijn opstraalde. Hoe te naderen zonder gezien te worden? Het dal sidderde in blauwen maneschijn; de vijvers zogen het licht gretig in en straalden het weer uit. Kom! ze zouden maar op hun goed gesternte vertrouwen! Er scheen in het dorp feestgevierd te worden, en dan zou men wel niet zoo waakzaam zijn. Zoo daalden onze vrienden over een kronkelend dijkje de helling af.

„Rijstvelden!” zei Rolf, op de vijvers wijzend. „Kijk maar, de halmen steken boven het water uit.”

Harmen, die vooraan liep, stokte en bleef staan. Van het dijkje gleed een slang weg en kronkelde, den kop boven water, tusschen de jonge, groene halmen door. „Goed, dat ik er niet op getrapt heb!” zei Harmen verschrikt.

„Is ’t hier niet prachtig?” vroeg Rolf. De jongens stonden weer even stil, lieten de oogen rondweiden over de sawah’s om hen heen, waarin milliarden sterren star te fonkelen stonden. Hoe wijd en groot was alles hier! Hoe klein voelde je je! Hoor! De muziek was luider geworden. Hoe luchtig en klaar klonken die fluittonen, en hoe weemoedig verstierven ze.

Verder maar weer! Bij dozijnen plonsden de vette kikkers van het dijkje de sawah’s in, zwommen grappig weg en bleven met uitgestrekte achterpooten liggen, nieuwsgierig boven het water uitglurend. Zoo kwamen de jongens bij den eersten kokostuin; de slanke stammen en de lange, gebogen bladstelen glansden in het maanlicht.

Voorzichtig! Pasje voor pasje slopen ze voort. Glurend langs een bamboeboschje konden ze de poort zien. Er stond een wachthuisje met weer zoo’n hangend, uitgehold stuk boomstam, maar van een waker was niets te bespeuren. Nu, waar zou die ook voor noodig zijn geweest? Het geheele dorp was immers op de been? De jongens doken vlug langs het bamboeboschje tegen den aarden buitenwal weg en konden nu door de spleten van de omheining naar binnen zien. De dessah-bewoners zaten in wijden kring op het voorplein gehurkt, en in het midden van den kring schreden dansers met potsierlijke bewegingen dooreen. Ze droegen op het hoofd gruwelijke monsterkoppen met wilde haren en groote glas-oogen, en het bovenlijf was bedekt door een ruimen mantel van lange bladeren. Rondom de dansers zaten met gekruiste beenen de muzikanten, die met de vlakke hand op eigenaardige, langwerpige trommels sloegen, welke dwars op de knieën lagen, of op houten fluiten bliezen. Een bespeelde een eensnarige viool, welke op den grond was geplaatst, en een ander sloeg beurtelings op twee bekkens. Daarachter zaten mannen met walmende flambouwen, en daar weer achter hurkten de omstanders, sloegen met de handen de maat.

„Kermis!” fluisterde Padde.

Harmen keek slechts naar den vioolspeler. „Hij kan er niks van! Fout! Wéér fout! Is dat nou spelen?” En even later kon hij het haast niet meer uithouden. „Zou ik naar binnen gaan? Om ze eens te laten hooren, hoe je spelen moet? Hou jij m’n speer zoo lang vast, Hajo, en m’n boog.”

„Als je ’t maar laat!” dreigde Rolf.

„Wat zullen ze me doen?” vroeg Harmen. „Ze zullen blij zijn, als ze er eens goed hooren spelen.”

En even later begon hij weer te zeuren: „Ze hebben daarginds ook allerlei lekkere rommel staan..... Ruik maar eens!—En ik zou zoo drommelsch graag weer eens een fiool in m’n vingers hebben..... Hoelang heb ik nou al niet kunnen spelen? Hoor! Valsch! Wéér valsch!”

Met een kordaat besluit wierp Harmen zijn wapens op den grond, sprong fideel de poort binnen en riep op een toon van: daar ben ik dan toch eindelijk! den vergaderden toe:

„Tabeh!”

PADDE IS ZOEK

De trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras. Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen.

De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer daarbinnen.

„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!”

Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten.

„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht voor?”

„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining, loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen komt licht.”

„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de wapens!”

„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt hier toch terug, hè, Hajo?”

„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om, tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde, en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten; daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes.

„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.”

En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun woningen.

„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal nu wel bewaakt zijn.”

Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van het geuzenlied aan:

„Slaet opten trommele, van dirredomdijne! Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”

Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling aan.

Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was, die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij zat opgesloten!

Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans, eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze ’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen meester maken.

Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel het neer.

De Inlander hief het hoofd.

Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een hert.

Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort binnen. Ze durfden het voorplein niet over te steken,—liepen het dus om, van boom tot boom.

„Hoor eens.....!” zei Hajo opeens.

De knapen hielden den adem in.

„Ik hoor niets!”

„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.....”

„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het Volendammer visschertje!”

„Ja-ha!”

Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat zich intusschen buiten de poort had afgespeeld.....

Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie..... de waker stond op..... en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met zijn lans in het struikgewas porde. Padde kroop een eindje achteruit. De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.....! Padde had in radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een vallend lichaam....! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag. Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van hier! Weg! Weg!.....!

En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold.....

„Dat Volendammer Visschertje, Dat voer naar Zierikzee.....”

zong Harmen.

Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats genaderd.

„Dat Volendamsche Visschertje, Dat voer naar Zierikzee. Bracht zeven varkens en een wijf, Een poez’lig wijf weer mee! Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt, Maar ’t wijf wou die weer kwijt. Weer kwijt, wéééér kwijt.....”

Met een prachtigen uithaal besloot het lied.

Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij gevangen zat. „Harmen.....!”

„Holla.....! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie...”

„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog. Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast. Het mes er op...... rits! Krak..... krak.....! Stil, stomme deur!—„Harmen, waar lig je?”

„Hier! Groote God, Rolf..... de schurken!”

Rolf knielde, begon de boeien door te snijden.

„Au!”

„Los?”

„Ja”

„Kom dan!”

Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!”

„Kom mee!” fluisterde Rolf.

Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje bezijden de poort. Niets roerde zich.

„Wat doe je nou!” vroeg Harmen.

„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het achter het andere aan.

Doodsche stilte.

„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo.

„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been heeft, zijn we weg!”.

Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit. Niets te zien! Wacht! Wat..... wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed op den grond vinden.

„Padde.....?!” Hajo stort zich het struikgewas in.

„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.”

Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij.

„Zou Padde met de lans.....?!”

Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!”

De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen.

„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer achter de anderen aan.

„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.....?!”

„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.....”

Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op.

„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het, dat ze ’t niet vinden!”

De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht gedrenkte dal.....

DOLIMAH

Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware wortels. Hush..... wat springt daar voor een dier weg?!

Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken. De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.....! Waar is Padde.....?”

„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”

Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te smoren.

„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.

Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo snikt nog urenlang.

De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.

Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer wakker. „Padde! Waar is Padde!”

De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom schetterden de vogels. „Rolf.....! Word wakker! We moeten Padde zoeken!”

„Ja.....” stamelde Rolf en richtte zich op.

Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode muskietenbeten.

„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.

Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik, plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed naar m’n viool gaan zoeken, die met de Nieuw-Hoorn kopje onder is gegaan!”

„Padde moet gevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.

„Ja.....” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat spreekt vanzelf.”

Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig snikken uit.

Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”

Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.

Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”

De anderen sprongen overeind. „En..... en waarom is hij niet met je meegekomen??”

„Hij heeft mij niet gezien!”

„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”

„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.

„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”

„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.

„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van vreugde tegen hen op.

Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”

„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.....”

Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat meisje, weet je wel, van bij de radjah! Ze is ons nageloopen. Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.....” Padde huiverde.

„Dus jij hebt hem doodgestoken?”

„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij kwam op me af.....!”

De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.

„Apa moenamah nja? Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.

„Dolimah, toean.....” luidde het zachte antwoord.

„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”

„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”

„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer wakker.”

„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar..... wij bleven?” vroeg Rolf.

„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”

Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah, vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.....?”

„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben opgestaan..... Loentar verklapt altijd alles.”

„Wie is Loentar?”

„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng. Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo sterk.....! En mijn zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”

„En.....” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”

„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.

„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”

Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer terugbrengen.....!”

„En waar heb je in die dagen van geleefd?”

„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.....” Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand over de oogen.

„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.

„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”

„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”

Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”, zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult moe zijn.”

Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.

„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haalt makan!”

Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft, lieve, kleine Dalo..... Dola..... hoe heet je?”

„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam met haar fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.

„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol op je,—neem dit er nog bij.”

„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten? Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken, werd rood van inspanning..... vergeefs.

„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!” En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie Harremen eerst bij roepen!”

„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.

Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette, hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen. Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg, snoof en keek een anderen kant uit.

Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en hield een kakelend boschhoen omhoog.

„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest! Vet aan de borst!”

„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.

„’t Stomme dier!” zuchtte Harmen. En terwijl hij het den hals omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende oogen toe, hoe het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.

„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.

„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat je wat schiet!”

„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen. Joppie sprong om hen heen.

„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.

„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.

„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”

Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?” zei Hajo.

Rolf schrikte op. „Leuk?”

„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later in Hoorn!”

Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te gaan.”

„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.

Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.

Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden weer in het kamp.

„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”

„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”

„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel zelf maar op: ik zet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.....” Harmen’s stem werd verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie pikzwart. Nou lust ik ’m ook niet meer.”

Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.

„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.

„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde, alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou, pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap! in m’n bek! niet waar?”

Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.

„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot achter zijn ooren. „Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan wèl mag eten?”

„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar alleen, als ze met het mes geslacht is.”

„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje, hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in de vetbesmeerde hand hield.

Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger meer.....”

En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen! Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”

„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.

Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”

„Ja.....!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?” vroeg hij zacht, na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wij vinden het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, dat jij er later spijt van hebt.”

Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.....”

Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog moe?”

„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”

„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!” gromde Padde, alweer jaloersch.

„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n Maleidsch!”

„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk. „Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed houden, moeten we in Bantem komen!”

Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu toonen, dat ze mannen waren!

Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?

Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt in orde!”

Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen: „Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel waarschuwen!”

Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend, werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is de ganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken, als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit is djamboe! Die zijn heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een glazige, doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.

Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staat gadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”

„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dan gadoeng”, zei het meisje.

Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam den anderen een weg door de struiken.

Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof toen op zijn tengere pootjes weg.

„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”

„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.

„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje, en terwijl de jongens zich neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje, begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen. Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem weer weg zouden krijgen. „Ik zal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der dieren hem meer aan. „Ik zal hem wegjagen!” beloofde het kantjil. Toen lachten alle dieren hem uit. „Als hij jou ziet aankomen, loopt hij van angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken. „Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je je zeker wel uit de voeten maken, vóór het kantjil komt!”—„Wie is dat: het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei het kantjil weer. „Als het kantjil komt, schudden de bergen, en als het in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!” zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht, liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterke kantjil huisde!”

Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.

Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd. Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje, het leek hem wel, alsof het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.....

„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos voor zich uitkijkend.

Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak peinzend een nieuwe vrucht in den mond.

De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.

Zwaar drukte de middaghitte.

DE STRIJD OM HET HOL

Na een korten middagslaap stonden de zwervers vermoeid en onverkwikt op. Wat lag er in de lucht, dat hen zoo loom maakte? Bij de minste beweging parelde hun het zweet op het voorhoofd.

Dolimah had niet geslapen: zij zat tegen een boomstam geleund en keek voor zich uit.

„Je denkt zeker nog aan het kantjil?” vroeg Rolf.

Het meisje zweeg even. Toen zei ze: „Als ik eenmaal denk, denk ik aan allerlei dingen. Ik denk er aan..... dat we nooit aan de zee zullen komen. Deze kant uit komt men nooit aan de zee. De zee is in het Westen, waar de zon ondergaat.”

Rolf was even geschrokken. „Straat Soenda ligt toch in het Zuiden?” vroeg hij.

„Jawel”, antwoordde Dolimah, „maar dat is zoo ver weg, dat men er toch nooit komt. Men wordt onderweg door de geesten betooverd, die in de oude waringin-boomen huizen. Overal zijn ze! In de bloemen wonen geesten, in de steenen en in de schelpen, in de stille meren, in de bergen, onder de watervallen..... Als ge ergens lang naar kijkt, maakt de geest, die er in woont, zich meester van uw ziel. En wie in de macht der geesten is, kan niet meer weg..... Ge zoudt aan het strand staan en met betraande oogen over het water turen,—maar als ge in uw prauw wegvaart, kwellen de geesten u, tot ge geen lust meer hebt te leven. En als ge niet spoedig terugkeert, sterft ge ook werkelijk.”

Rolf haalde diep adem, wilde zich verzetten tegen een gevoel van beklemming, dat hem overmeesterde.

„Ge zult nooit aan de zee komen”, ging Dolimah droomerig voort. „Eerst zult ge vol moed zijn, maar dan zult ge de dagen tellen. Er zullen bamboe-bosschen en djati-wouden komen, bergen en moerassen en wijde vlakten zonder schaduw. En ge zult de uren tellen, dan de boomen aan den weg, dan de steenen onder uw voeten, en eindelijk zult ge weenend gaan zitten,—dan hebben de geesten u overwonnen.....”

Rolf zweeg een oogenblik. „Kom!” zei hij toen, lenig overeind springend, „we moeten verder!” Maar er zat onder zijn uiterlijke fermheid een aarzeling.

Padde stond loom op. „’k Heb koppijn”, zei hij.

„D’r zit broeiing in de lucht”, verklaarde Harmen. Zwijgend zochten onze vrienden het pad weer op, en verder ging het.

Hajo hoorde wiekengerucht, ging er op af en schoot een duif.

Harmen sneed het nog fladderende dier de keel af. „Nou mag ze ’t dan toch eten”, zei hij, terwijl hij zich het roode bloed van de vingers likte. De anderen wendden zich af: Harmen kon soms zoo ruw zijn.

Hij zelf voelde er weinig van. „Die zullen we straks braaien!” zei Harmen. „Je braait anders zóó al wel. Zoo warm als ’t vandaag is!”

Het begon donker te worden; de zon stond als een spet klaterend goud tusschen de zwarte wolken.

„Laten we hier blijven”, stelde Harmen voor. „Als het straks regent, kunnen we geen vuur meer maken.”

De anderen aarzelden nog even; Padde zonk terstond tegen den wegberm neer, hijgend, met gesloten oogen.

Wat was dat?! Onweer? De grond dreunde; het was, of daar in de verte drommen ruiters galoppeerden. „Olifanten”, zei Dolimah. „Ze zijn ver weg.”

„Nou, Dolimah, nou een vuurtje!” zei Harmen, die zich over het gedreun weinig zorgen maakte.

Dolimah begreep, haalde uit haar sarong twee stukjes droge bamboe. In een ervan was een gat.

„Maak je dáár vuur mee??” vroeg Rolf.

„Ja, maar ik moet eerst nog wat droog bamboeschraapsel hebben, van binnen uit een ouden steel.”

„Geef me je kapmes eens hier, Harmen”, zei Rolf. „Zij wil een vuurtje voor ons maken.”

„’t Zal me benieuwen!” grinnikte Harmen opgewonden.

Intusschen maakte Rolf zoo snel mogelijk de voorbereidselen. Dolimah legde het zaagsel, dat Rolf haar bezorgde, tot een hoopje, stak er een paar splinters in, zette het stukje bamboe met het gat er in op den grond en begon er verbazend snel het andere stukje bamboe in heen en weer te wrijven.

„’k Zie nog niks”, zei Harmen.

„Laat mij het maar doen”, stelde Rolf voor. „Ik zie nu hoe het moet.” Hij nam het instrumentje over en begon op zijn beurt uit alle macht te wrijven. Maar er kwam geen vuur. Wel droop onzen vriend het zweet van voorhoofd en polsen.

„Schei maar uit met je gepruts”, zei Harmen. „Wedden, dat ik in tien tellen vuur heb?” Rolf reikte hem de houtjes, en Harmen begon te werken. De tien tellen waren spoedig verstreken. „’k Word er lam van!” hijgde Harmen.

Het meisje zag glimlachend toe, hoe de jongens zich inspanden. „Laat mij nog eens?” vroeg ze. „Als mijn broertjes zagen, hoe slecht ik het doe, zouden ze me uitlachen!” En met vaardige hand wreef ze, minder heftig, maar veel vlugger dan de jongens, en zie..... daar vloog een vonkje van het droge, scherpe hout naar het schraapsel over. Nog een! Harmen wierp zich op de knieën, begon te blazen..... daar lekte een vlammetje op! Vlug, al blazende een paar splintertjes erbij, nu zou het Harmen niet meer uitgaan. „Hé, Padde, zit niet te maffen! Zoek hout bij mekaar!”

Padde bleef zitten. „’k Heb koppijn”, gromde hij.

„Ja, goeie morgen!” zei Harmen.

Hajo zocht wat droog hout bijeen. En nu laaide een knetterend vuurtje op. Of ’t wou branden, die droge bamboe! Tevreden grinnikend, begon Harmen de duif te p