Also known as Gross-Hamburg-Gesetz
wet
via Wikidata · CC0
De Groot-Hamburgwet (Duits: Groß-Hamburg-Gesetz), officieel: Gesetz über Groß-Hamburg und andere Gebietsbereinigungen was een wet van het Kabinet-Hitler van 26 januari 1937, die in werking trad op 1 april 1937 en waarbij het voormalige grondgebied van de stad Hamburg werd uitgebreid met de economisch belangrijke aangrenzende gebieden. De steden Altona en Wandsbek die in de provincie Sleeswijk-Holstein lagen en de stad Harburg-Wilhelmsburg uit de provincie Hannover. De stad Bergedorf, dat wel een zelfstandige stad was, die sinds 1868 wel tot de Vrije Hanzestad Hamburg behoorde, maar er niet aan grensde werd nu ook een stadsdeel van Hamburg. Als tegenprestatie moest Hamburg wel ook enkele gebieden afstaan. Het landgoed Ritzebüttel met zijn eilanden Scharhörn en Neuwerk, evenals de gebieden rond Cuxhaven werden aan Pruisen afgestaan. In de jaren zestig zou Hamburg de eilanden Scharhörn en Neuwerk wel terugkrijgen. De oppervlakte van Hamburg groeide van 415 tot 745 km² en de bevolking van 1,19 tot 1,68 miljoen. De wet regelde ook een aantal andere territoriale veranderingen, voornamelijk in Noord-Duitsland. Lübeck verloor zijn 711 jaar oude territoriale onafhankelijkheid en werd onderdeel van de provincie Sleeswijk-Holstein. In het grensgebied tussen Mecklenburg en Pruisen werden enkele exclaves uitgewisseld. De Vrijstaat Oldenburg stond haar deel van Lübeck af aan Sleeswijk-Holstein en de Pruisische stad Wilhelmshaven werd afgestaan aan Oldenburg. Het Oldenburgse Birkenfeld dat honderden kilometers van Oldenburg af lag werd afgestaan aan de Rijnprovincie.
Abstract from DBpedia / Wikipedia · CC BY-SA
via Wikidata sitelinks · CC0
Discovered by embedding cosine similarity (sentence-transformers MiniLM, 384-dim).