
Also known as Apple Rose
soort uit het geslacht rozen
Apple Rose
SPECIES
Die Apfel-Rose (Rosa villosa)[1] ist eine Pflanzenart der Sektion der Hundsrosen aus der Gattung Rosen (Rosa) innerhalb der Familie der Rosengewächse (Rosaceae). Ihr Trivialname Apfel-Rose bezieht sich auf ihre essbaren Hagebutten. Inhaltsverzeichnis 1 Beschreibung 2 Vorkommen 3 Systematik 4 Quellen 4.1 Einzelnachweise 5 Weblinks Beschreibung Illustration aus Flora Batava ..., Volume 14 Die Apfel-Rose ist ein dicht verzweigter, gedrungener Strauch, der Wuchshöhen von 1,5 bis 2 Meter erreicht und oft unterirdische Ausläufer bildet. Die Borke der Äste sind dunkelbraun und glatt. Die Rinde der jüngeren Zweige ist rötlich, leicht bereift und meist samtig weich behaart. Die Stacheln sind gleichartig, haben eine rundliche, nur 1 bis 4 Millimeter lange Ansatzfläche und sind meist ganz gerade. Lediglich an den oberen Zweigen sind sie manchmal ungleich und teilweise auch nadel- oder borstenförmig. Die wechselständig angeordneten Laubblätter sind unpaarig gefiedert fünf oder sieben Fiederblättern. Die Blättchen sind länglich-elliptisch, 1 bis 4 Zentimeter lang, 0,5 bis 2 Zentimeter breit, scharf und fast immer doppelt gesägt, meist an beiden Seiten anliegend weich behaart und seidig glänzend
De viltroos of bottelroos (Rosa villosa of Rosa tomentosa) is een struik die behoort tot de rozenfamilie (Rosaceae). Door sommigen worden de viltroos (Rosa villosa) en bottelroos s.s. (Rosa tomentosa) als aparte soorten beschouwd, waarbij de bottelroos al vanaf mei bloeit. De viltroos staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als zeldzaam en sterk afgenomen en de bottelroos s.s. als zeer zeldzaam en sterk afgenomen. De struik komt van nature voor in Midden- en Zuid-Europa en West-Azië. De viltroos wordt ook aangeplant. Het aantal chromosomen is 2n = 35. De grote, losse, rechtopgaande struik wordt 1,5-3 m hoog en heeft lange, boogvormig overhangende, niet met klieren bezette takken. De slanke stekels zijn recht of iets gebogen, duidelijk langer dan breed en hebben een smalle basis. De struik heeft geen wortelopslag. De aan weerszijden behaarde tot viltige, grijsgroene, vijf- tot zeventallige bladeren hebben aan de onderkant klieren, die na wrijven een harsachtige of terpentijnachtige geur afgeven. De onderzijde is dichter behaard dan de bovenzijde van het blaadje. De elliptische, enkelvoudig tot onregelmatig dubbel gezaagde blaadjes zijn 2-4 cm lang en 1-2 cm breed en hebben een afgeronde voet. De topblaadjes zijn kort toegespitst. De viltroos bloeit in juni en juli met licht zoetgeurende, 3-4,5 cm grote, bleekroze tot witte bloemen, die met twee of drie bij elkaar zitten. De 2-4 cm lange steel van de bloem is bezet met gesteelde klieren en kan behaard zijn. De kelkbladen zijn viltig behaard en hebben op de rug en aan de rand klieren. De kelkbladen zijn na de bloei teruggeslagen en vallen voor dat de rozenbottel rijp is af. De licht behaarde stijlen staan vrij en vormen een boeket. De rode, 1-1,5 cm lange en 1-1,2 cm brede rozenbottel is eetbaar en heeft veel gesteelde klieren. De dicht met klieren bezette bottelsteel wordt na de bloei tot 2-3,5 cm lang. De rozenbottel is een vlezige bloembodem met daarin de nootjesachtige vruchten. * Struik * Tak * Voorkant blad * Achterkant blad * Rozenbottels * Nootjesachtige vrucht met zaad * Struik Rosa tomentosa De struik komt voor in heggen, houtwallen, struwelen en op open plekken in loofbossen op voedselrijkeen kalkhoudende klei-, leem- en zandgronden.
Abstract from DBpedia / Wikipedia · CC BY-SA
via GBIF · Kew POWO
via Wikidata · CC0
via Wikidata sitelinks · CC0
Discovered by embedding cosine similarity (sentence-transformers MiniLM, 384-dim).