%20601651%20(cropped).jpg)
via Wikidata · CC0
Tot het geslacht Aptornis (ook: Apterornis, Engelse naam adzebills) van Nieuw-Zeeland behoorden twee soorten vogels, die van het Noorder- (A. otidiformes) en die van het Zuidereiland (A. defossor). Samen vormen zij de uitgestorven familie Aptornithidae. Deze familie kwam alleen op Nieuw-Zeeland voor. Aptornis was een forse vogel, met de grootte van een kleine moa. Aanvankelijk zijn zij dan ook daarmee verward. Zij hadden een enorme naar beneden gebogen puntige snavel en sterke poten. Ze konden niet vliegen en hadden sterk verkleinde vleugels, in vergelijking met hun lichaam nog kleiner dan die van de dodo. Hun was opvallend gereduceerd (Livezey, 1994). De twee soorten verschilden vooral in grootte. De noordelijke soort was de kleinste. Het is onbekend wat voor kleur zij hadden. Fossielen zijn gevonden in de drogere delen van Nieuw-Zeeland en alleen in het laagland. Richard Owen, die de twee soorten beschreef, vermoedde dat het een omnivoor was en analyse van de botten met isotoopanalyse ondersteunt dit idee.Verrijking in 13C en 15N voor twee specimens van Aptornis otidiformis vergeleken met de waarden van een moa, een Finscheend en insectenetende vogels zoals de uilnachtzwaluw deden denken dat Aptornis zich voedde met dieren die hoger stonden in voedselketen dan de insecteneters. Men denkt nu dat zij zich voedden met grote ongewervelden, hagedissen, tuataras en mogelijk kleinere vogels. Aptornis was nooit zo wijdverbreid als de moa, maar kreeg te maken met dezelfde ecologische druk als deze door de komst van de Māori. Zij waren al uitgestorven voor de Europeanen zich aandienden.
Abstract from DBpedia / Wikipedia · CC BY-SA
Discovered by embedding cosine similarity (sentence-transformers MiniLM, 384-dim).
via Wikidata sitelinks · CC0